De taal, de macht en het vuil. Over de papieren varkens van C.C. Krijgelmans

Auteur: Sven Vitse
C.C. Krijgelmans, Tandafslag, het balanseer, Aalst, 2007.
Download deze tekst in pdf:

C.C. Krijgelmans viel in de jaren zestig van de vorige eeuw op als de auteur van zeer vormbewust proza, van proza dat expliciet en weloverwogen de confrontatie aanging met de roman- en verhaalconventies. Ongewoon was die experimenteerlust in die periode niet, al was Krijgelmans er wel erg vroeg bij: na enkele verhalen in tijdschriften verscheen in 1961 zijn eerste boek, Messiah. Al in 1963 verschenen in tijdschriftvorm ‘Homunculi’ en ‘Jericho’, de twee teksten waarmee de aanval op de romanvorm tot in zijn uiterste consequenties werd doorgevoerd. Beide teksten werden in 1967 in de verhalenbundel Homunculi opgenomen, maar ‘taalstructuur’ is wellicht een nauwkeurigere aanduiding dan ‘verhaal’.
       Al uit Messiah blijkt dat de romanvorm zijn onschuld en zijn functionaliteit heeft verloren. Krijgelmans vertelt geen lineair verhaal met een begin, een midden en een eind, en een stabiel, transparant vertelperspectief. Hij produceert een tachtig pagina’s lange zin, of beter: een aaneenschakeling van hele en halve zinnen, ritmisch geordende woordgroepen, in een steeds wisselende cadans, in een stijl die varieert van uiterst kaal en afgekloven tot weelderig en uitgesproken vlezig. Ritme en herhaling spelen in deze tekst een opgemerkte rol: ze geven bepaalde passages in Messiah de vorm van een incantatie, van een spraakritueel, analoog aan de rituele kruisweg die herhaaldelijk beschreven wordt. De cadans is meeslepend maar wordt nooit dreunend. Ze varieert zodat ze niet tot kritiekloze navolging leidt:

       man, dier, bloem, op en neer, tussen menigte, tussen man-held-wuivende
       menigte, tussen, in, temidden van, verdwenen voor een kind dat langsheen
       staat en ziet, beweegt, niet verdwenen voor een vrouw die langsheen staat
       en ziet, beweegt, niet verdwenen voor een man die langsheen staat en ziet,
       beweegt, menigte beweegt, man-held-wuivende beweegt en langsheen staat
      
en ziet […] (Messiah, p. 7)

Dat Messiah de traditionele verhaalvorm niet erkent, betekent echter niet dat deze tekst niet gestructureerd zou zijn. Integendeel, deze ogenschijnlijk ongestuurde woordenstroom heeft niet alleen een sterke thematische samenhang – de Messias als volksmenner en zondebok – maar ook een verfijnd patroon van formele verschuivingen. Zonder dat deze verschuivingen typografisch gemarkeerd zijn in de tekst, wordt afwisselend in de hij-, de zij- en de ik-vorm verteld. De ik-verteller is afwisselend mannelijk en vrouwelijk. Nu eens wordt gelijktijdig verteld, in de tegenwoordige tijd, dan weer terugblikkend, in de verleden tijd.
       De hij-figuur wordt de ene keer van binnenuit gepresenteerd en de andere keer van buitenaf. Zo wordt de Christusfiguur in een bepaald fragment door ‘twee romeinse soldaten’ (27) voor de procurator van Judea gebracht. De verteller heeft geen toegang tot zijn innerlijk: de beschreven figuur is iemand die ‘niet de indruk wekte’ te zullen ontsnappen en die ‘niet eens scheen te beseffen’ dat hij erbij liep als een oude man (27). De verteller moet zich beperken tot speculatie op basis van het uiterlijk. In een ander fragment geeft de verteller de gedachten van de Christusfiguur echter uitvoerig weer. Dat doet hij onder meer in de indirecte rede: ‘dacht hij, en wist dat hij de weg terug afdalen moest onder een zon die hem nu een verschrikking leek, zodat hij vermoedde dat zij hoog zat’ (16-17).
       Zonder dat de lezer er erg in heeft, presenteert Krijgelmans een breed scala van vertel- en presentatiewijzen. De versnippering is gestructureerd: de tekst is een raster, een skelet, maar dan wel een waaraan nog overal rafels hangen en hele hompen vlees. De motivatie achter dit vormexperiment staat niet als dusdanig in de tekst uitgelegd. Anders dan het proza van bijvoorbeeld Willy Roggeman is dat van Krijgelmans niet expliciet poëticaal. De literatuuropvatting moet de lezer zelf distilleren uit de vorm, of uit de interactie tussen structuur en thematiek. Een uitspraak van de Amerikaanse auteur John Barth uit 1967 – dus ruim ná de publicatiedatum van Messiah – kan misschien een licht op deze kwestie werpen: ‘niet alleen de “alwetende” verteller van oudere verhalen, maar het hele idee van de controlerende kunstenaar is veroordeeld als politiek reactionair, zelfs fascistisch’. In het licht van deze uitspraak, lijkt de keuze voor de Messiasthematiek allesbehalve toevallig.
       De Messias neemt in deze tekst uiteenlopende gedaanten aan. Hij verschijnt bijvoorbeeld als de politieke demagoog Alec, die het principe van de zondebok toepast om zijn publiek te manipuleren. Alec ‘was een ronselaar van zielen en vlees […] en zoals het steeds met dergelijke menners gaat […] geloofde zelf wat hij vertelde, onvoorwaardelijk, wanneer hij de hemel op aarde aan de man brengen wou’ (73-74). De demagoog is diegene die zich meester maakt van de taal, die de controle over het spreken opeist, die bepaalt hoe, vanuit welk perspectief en met welke woorden, er over de wereld en over de ander gesproken wordt.
       Maar de Messias is ook het slachtoffer, de zondebok, die voor ‘de procurator van Judea’ moet verschijnen, omdat hij zich heeft laten ‘op sleeptouw […] nemen door een twaalftal op gezag en buit beluste vissers’ (30). Hij is ook de spreker die gebukt gaat onder het woord dat zijn medestanders over hem hebben verspreid, en die zijn aanhang verliest wanneer hij er niet in slaagt zich aan dat woord te conformeren. Hij is degene die het spreken ondergaat, die lijdt onder de macht van de taal van de ander. In dat opzicht kan Messiah worden gelezen als een verzet tegen de taalmacht die in de ogenschijnlijk onschuldige verhaalvorm verscholen zit, in de gecentraliseerde vertelwijze. Het patroon van verschuivingen onttrekt het spreken aan de eenzijdige, subjectieve controle van een verteller.
       Behalve over macht gaat deze tekst over verleiding en manipulatie; dat zijn immers ook vormen van machtsuitoefening. Het hoofdpersonage van een van de fragmenten is een vrouw die berecht wordt vanwege ‘een handvol liefde dat zij rechts en links geschonken had’ (22). Zij wordt voorgesteld als de Bijbelse verleidster, die ‘de duivel van haar lichaam’ (23) inzet om de man te manipuleren. De man van zijn kant is niet bij machte om zijn verlangen te controleren en aan de verleiding te weerstaan. Hier wordt Krijgelmans’ taal de taal van het vlees, niet alleen van de beschrijving van het vlees – ‘haar dijen die zij rond en vast wist in het begin, de heupen smal en stevig, de borsten rond en vast’ (24) – maar ook de taal die het vlees zelf spreekt, de verlokkende woorden die het tot de man richt: ‘Grijp! Grijp! Grijp!’ (24) De taal van de verleiding en de taal als verleiding zullen in het latere werk van Krijgelmans een prominente plaats krijgen.


Voor de volledige tekst: download de pdf.