Julia in Parijs en Venetië. Over Patrick Modiano en Christiaan Weijts

Auteur: Hugo Bousset
Christiaan Weijts, Via Cappello 23, De Arbeiderspers, Amsterdam, 2008.
Patrick Modiano, In het café van de verloren jeugd, Querido, Amsterdam, 2008.

Ik was nieuwsgierig geworden naar de romans van Christiaan Weijts (1976). In zijn tweede roman, Via Cappello 23, bepaalt de ruimte van het wegzakkende Venetië in hoge mate de thematiek van de flaneur en van de zelfmoord van een meisje, dat de maskerade van de flaneur verstoort. Omdat vergelijkingen boeken vaak openbreken, zocht ik naar een pendant. Hetzelfde ronddwalen in een dominante stedelijke ruimte, maar dan die van het labyrintische Parijs, en de zelfmoord van een dolend meisje trof ik aan in een latere roman van Patrick Modiano (1945): In het café van de verloren jeugd. Shakespeares Julia is in de buurt.

La dérive
De roman van Patrick Modiano begint met een citaat van Guy Debord, een Franse filosoof, schrijver, cineast en situationist. Het situationisme is de wegbereider voor mei 1968. In een permanente revolte wil het ontsnappen aan de ons opgelegde maatschappelijke situaties: de beeldcultuur als nieuwe religie van het kapitalisme, de burger als consumptieslaaf, kortom La société du spectacle, zoals Debords boek uit 1967 heet. Een van de middelen die ons onze vrijheid terug kunnen schenken is ‘la dérive’, het doelbewust op drift zijn, het nastreven van directe ervaringen in steeds wisselende omgevingen. Als een flaneur in een grote stad verdwalen, zich overgeven aan onverwachte prikkels en sensaties.
       Dat is precies wat het hoofdpersonage van In het café van de verloren jeugd doet. Ze heet Louki, en we leren haar op haar dooltocht kennen via vier ik-vertellers: een anonieme student, de privédetective Caisley, zijzelf en ten slotte Roland, haar minnaar, schrijver in spe en filosofisch gezien de man van de Eeuwige Wederkeer. De locatie is Parijs, vooral de Condé, het café van bohemiens. Van de twee ingangen van het café kiest Louki steeds de smalste, de ‘schaduwpoort’ genaamd. In het evangelie van Lucas is de smalste poort de toegang tot het paradijs, in Dantes La Divina Commedia is de schaduwpoort de poort tot de hel. Meteen zit de lezer zelf in een labyrint van betekenisgeving.
       De enigmatische en tragische Louki wordt door drie mannenblikken bekeken, meestal jaren later. Ze kijkt ook naar zichzelf, hoewel dat uiteraard niet objectiever hoeft te zijn. Louki blijft even onvatbaar als Parijs begin jaren 1960, dat als een ademend lichaam misschien het échte hoofdpersonage van de roman is. Vermits er van een ‘uitzonderlijk strenge’ winter sprake is, vermoed ik dat het om 1963 gaat.

De anonieme ik-persoon en student aan de Hogeschool voor de mijnbouw is een wat onopvallende klant van de Condé die het bizarre gezelschap observeert. ‘De Condé was voor mij een laatste toevluchtsoord voor de eentonigheid van het leven dat ik al voor me zag liggen.’ Hij vraagt zich af of de habitués van de Condé zo vreemd waren juist door de mysterieuze aanwezigheid van Louki. ‘Haar schuchterheid, haar trage bewegingen, haar glimlach en vooral haar zwijgen.’ Hij heeft de indruk dat ze ergens voor op de vlucht is, ergens aan wil ontsnappen. Dat geldt natuurlijk ook voor de andere stamgasten van de Condé, aangespoelde bohemiens, door de verteller beschreven als een ‘kring van artiesten die een zwervend of ongeregeld bestaan leiden’. Ze zijn meestal tussen de negentien en de vijfentwintig jaar oud, leggen achteloos boeken van Rimbaud en De Lautréamont op tafel, met wijnvlekken op de omslag.


Voor de volledige tekst: download de pdf.