Over de nood tegen te spreken en het verlangen nooit aan te komen

P.F. Thomése, J. Kessels: The Novel, Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2009.
Download deze tekst in pdf:


                                                                                De schrijver zit alleen in een kamer,
                                                                                de lezer zit alleen in een kamer.

                                                                                P.F. Thomése

Overschrijven
Over een straat vliegen is niet hetzelfde als erin lopen, net zomin als een tekst lezen hem overschrijven is. Straat en tekst hebben een heel andere impact al naargelang je voor de ene of de andere activiteit kiest, leert Walter Benjamin in een fragment in Eenrichtingsverkeer:

       Wie vliegt ziet alleen hoe de weg door het landschap schuift, de weg ontrolt zich volgens
       dezelfde wetmatigheden als het terrein dat eromheen ligt. Alleen wie hem afloopt,
       ondervindt zijn gezag, en ervaart hoe uit hetzelfde landschap dat voor de vlieger slechts een
       uitgespreide vlakte is, bij elke bocht verten, belvédères, open plekken, uitzichten te
       voorschijn worden geroepen zoals op het commando van een officier soldaten uit de linie
       treden. Precies zo commandeert alleen de afgeschreven tekst de ziel van wie zich met hem
       bezighoudt, terwijl wie alleen maar leest de nieuwe aanzichten op zijn innerlijk nooit leert
       kennen waarvoor de tekst – deze straat door het zich telkens weer verdichtende innerlijke
       oerwoud – de weg baant. Want de lezer gehoorzaamt slechts de bewegingen van zijn ik in
       het vrije luchtruim van de dromerij, maar de afschrijver laat zich door deze weg die zich
       baant commanderen.

Wie vliegt of leest houdt afstand, blijft buiten het bereik van de weg of tekst én van ‘de ziel’. Daar hoog in de ijle lucht zijn enkel de aanwijzingen van het ‘ik’ hoorbaar, ze zit dicht met vertrouwde voorstellingen. Beneden blijven weg en tekst stomme, bevatbare materie die zich mechanisch bij het al gekende voegt. Maar wie op de weg of in de tekst neerdaalt en hen van begin tot einde volgt, niet enkel met het oog, maar te voet, met de hand – hoofd en lichaam vinden elkaar weer –, zich er met volle aandacht ophoudt, moet hen wel erkennen als dwingende zelfstandigheden, kan niet langer doof blijven voor hun gebiedende stem, niet blind voor hun ontsluitend en openbarend vermogen. Eerst zelf nog ondergebracht in bekend gebied, tonen zij nu het terrein op ongekende manieren. Wat netjes was samengebracht tot een effen vlak, een rechte lijn, is in feite een verzameling van heterogene, op zichzelf staande entiteiten. En het omringende landschap van de overgeschreven tekst blijkt de binnenwereld van de kopiist te zijn. Wie de weg niet schuwt stapt zonder meer dat onoverzichtelijke bos binnen waar het regelend ik zich ver van pleegt te houden. Voor Benjamin heeft intense aandacht voor de tekst meteen repercussies voor de beleving van het zelf. Bij wie bereid is woord na woord door de vingers te laten gaan, loopt de tekst als een weg naar binnen; hij biedt hem andere, onverwachte mogelijkheden om naar zijn innerlijk te kijken. Of met Thomése: ‘Men heeft de omweg van de ander nodig om zichzelf te zien.’ Wie de tekst van een ander nog eens schrijft, neemt die tekst over en splijt de eigen binnenwereld open. De binnenzichten die zich voor de kopiist openspreiden zijn weliswaar louter gezichten, uitzichten, beelden, geen inzichten. Van intellectuele beheersing kan hier geen sprake zijn; het redelijke ik, dat zich hoog verheven waant boven lichamelijke gewaarwordingen en opwellingen, raakt ontredderd.


Voor de volledige tekst: download de pdf.