Een bonte duisternis. Spotvogel van Hafid Bouazza

Auteur: Bart Vervaeck
Hafid Bouazza, Spotvogel, Prometheus, Amsterdam, 2009.
Download deze tekst in pdf:

Over literatuur en depressie is al veel geschreven. Het ramptoerisme – allang een integraal onderdeel van onze amusementscultuur – is bereid suïcidale schrijvers televisietijd te offreren die ze alleen voor hun boeken nooit zouden krijgen. Geerten Meijsing en Rogi Wieg mochten enkele jaren geleden in allerlei praatshows over hun depressie komen vertellen. Zonder hun zelfmoordpogingen hadden ze die heiligdommen van de cultuurindustrie ongetwijfeld nooit mogen betreden. De alcoholverslaving en depressie van Hafid Bouazza zorgden voor een beetje minder spektakel, maar de auteur mocht wel bij Pauw en Witteman een en ander komen toelichten. Hij had het daarbij ook over Spotvogel, zijn nieuwe en korte roman waarin enkele echo’s op te vangen zijn van de mens achter het boek.
       Ook zonder die echo’s is Spotvogel een ongemeen interessant boek. Het is bovendien heel ongewoon door de manier waarop het de zwaarmoedigheid behandelt. Wie Kameraad scheermes van Wieg (2003) leest, of Tussen mes en keel van Meijsing (1997), ziet hoe twee getormenteerde vertellers hun psyche tot in de kleinste details analyseren. Dat levert in beide gevallen indrukwekkende literatuur op, maar de indirecte, poëtische en soms bijna lichtvoetige benadering van Bouazza zorgt voor een even knappe tekst. De rationele analyses van Wieg en Meijsing maken gebruik van het psychiatrische jargon (de diagnose van Wieg luidt major depression, die van Meijsing MDI of manic-depressive illness). Ze gaan de chaos van de depressie te lijf door de problemen terug te brengen tot benoembare kwesties. Bouazza daarentegen vermijdt psychologisering en analyse, hij gebruikt nauwelijks wetenschappelijke termen, en vooral: hij benoemt niet, maar suggereert. De depressie en het ik – de centrale aandachtspunten bij Wieg en Meijsing – staan niet in het middelpunt van Spotvogel. Het verhaal gaat vooral over de mensen (en de vogels) rondom de ik-verteller: in Nederland zijn moeder, in Oujda buurman Warid en diens zus Sephina, in het noordelijke Imzoren de wondermooie Andala (‘Wat voor schitteringen dansten er in haar ogen als zonnen tussen gebladerte’) en haar man Makhometo.
       Dat zijn allemaal goede mensen, die de ik-figuur verzorgen en liefhebben. (Ook dat is wel even anders bij Wieg en Meijsing: hun omgeving is vaak bedreigend en vijandig.) Ze begeleiden hem op zijn tocht die hem uit de depressie moet redden. De moeder van de verteller probeert hem van ‘de weg van zwaarmoedigheid’ te halen en stuurt hem van Nederland – waar hij woont – naar Marokko. Eerst naar Oujda, en dan naar het noorden, waar zijn vaderlijk huis op hem wacht. ‘En ook al ben ik er niet geboren, al heb ik het slechts sporadisch bezocht, het vóelt als een terugkeer naar mijn land – het stof dat mijn vader in mijn bloed of genen heeft achtergelaten.’ Een terugkeer naar de bron is het in geen geval, want de verteller is ‘een immigrant’ in zijn eigen geboorteland geworden. Terugkeren in de ruimte blijkt dus niet mogelijk.
       Ook in de tijd is er geen terugkeer mogelijk. Dat is nochtans wat de verteller het liefst van alles zou willen. Soms ligt hij als een kind op de schoot van zijn moeder, maar hij moet toegeven dat hij meestal als een volwassene in de goot ligt: ‘De goot is een soort schoot of baarmoeder’, zegt hij niet zonder bitterheid. Als een rode draad slingert het regressieve verlangen van de hoofdfiguur zich door het verhaal, maar het blijkt geen draad van Ariadne. De vogel uit de titel van het boek is de orpheusspotvogel, hippolais polyglotta, die in tropisch Afrika leeft maar soms in Nederland en omgeving broedt. Die ‘spotvogels van Orpheus’ brengen de centrale draden van het verhaalweefsel samen. De diertjes staan voor de terugkeer naar wat onherroepelijk voorbij lijkt (de onderwereld, waarnaar Orpheus afdaalt); ze staan voor de muziek en de lyriek die de orfische dichter toegang tot die onderwereld verschaffen; ze getuigen van de migratie en van de vruchtbaarheid. Al die cruciale verhaalelementen versterken elkaar, lopen dooreen en zorgen zo voor de onvatbare rijkdom van dit dunne boekje. Ik haal dat indrukwekkende weefsel uit elkaar en bekijk slechts enkele draden.


Voor de volledige tekst: download de pdf.