Mensenwensen. Dierenrollen in Charlotte Mutsaers’ Koetsier Herfst

Verschenen in: Aangespoeld
Auteur: Sofie Gielis
Charlotte Mutsaers, Koetsier Herfst, De Bezige Bij, Amsterdam, 2008.
Download deze tekst in pdf:

Er was eens een tijd, of beter een parallel universum waarin de dieren konden spreken. Van Reinaert de vos en de dieren die hij oplicht, over de tot een mannenhand te herleiden hond Samson, tot een blauwgele uil die het laatste nieuws uit het Grote Dierenbos heet van de naald brengt, ze vertonen opvallende gelijkenissen met de diersoort die hen woorden in de mond legt. Of, zoals de uil het samenvat: ‘dieren zijn precies als mensen, met dezelfde mensenwensen en dezelfde mensenstreken’.

Ook Charlotte Mutsaers gebruikt dieren als boodschappers. De dieren die zij opvoert in Koetsier Herfst zijn weliswaar geen handpoppen, het zijn wel spreekbuizen.

Koetsier Herfst draait rond Maurice Maillot, een vijftigjarige gevierde schrijver die na de dood van zijn kat verweesd achterblijft en met een writer’s block worstelt. Hij verzeilt in een diepe put en er zijn verschillende stappen nodig om hem weer in het zadel te krijgen. Elk van die stappen wordt begeleid door een dier.

Dat begint al voor je de eerste letter gelezen hebt: het boek heet Koetsier Herfst, maar op de cover staat niet de menner maar het paard.

 

Nijlpaard

De roman start met Maurice’ voorgeschiedenis. Als een Duitse circuseigenaar een alternatieve manier zoekt om van een bejaard nijlpaard af te raken, schieten Maurice’ ouders in actie. De circusdirectie kookte het dier levend in zijn bassin [zie: Kreeft]: een moord waarvoor ze nog een verzekeringspremie opstrijken ook. Om het dier te wreken, blazen Ben Maillot en Mariska Lamm het circus op. Eenenzestig mensen komen hierbij om het leven. Maar spijt hebben de wrekers nooit getoond: ‘Al hun medeleven is naar het nijlpaard uitgegaan.’

De ouders Maillot waren bij de eerste prisoners of compassion: ze kunnen, gevangen in hun medeleven met onderdrukte dieren, zelf niet op veel begrip rekenen. Hun actie wordt beschouwd als een daad van terrorisme en ze worden levenslang opgesloten in de gevangenis. Baby Maurice wordt verstoten door zijn familie en opgevoed door een kinderloos patriciërsechtpaar. ‘Voor het leven getekend maar wel met een bankrekening.’

Als hij wat groter wordt, mag hij op bezoek in de gevangenis maar zijn ouders zijn versteend in hun medelijden: het enige woord dat ze uitbrengen is ‘ocharme’. Als ze uiteindelijk zelfmoord plegen in hun cel – Maurice is dan tien jaar oud – wordt er op hun graf een groot bronzen nijlpaard geplaatst en een citaat van Victor Hugo:

 

C’est une triste chose de songer que la Nature parle, et que le genre

humain n’écoute pas.

 

Maurice’ leven wordt vanaf de start bepaald door terrorisme en dat terrorisme krijgt van bij het begin een dubbele bodem: ja, er vloeit bloed, maar het vloeit voor de goede zaak. ‘Is het leven in een kleiner lichaam minder waard dan in een groot?’

Die dubbelzinnigheid zweeft door het hele boek. Zo is de door hem aanbeden Adolphe – is de overeenkomst met Hitlers voornaam toevallig? – zo sterk als RAF-activiste Ulrike Meinhof, ze adoreert terrorist-dichter Bin Laden (‘de geheime natte droom van horden vrouwen’ – de titel van de roman is trouwens ontleend aan een gedicht van Bin Laden dat Aldophe uit het hoofd kent) en schuwt geen geweld om haar ideeën over dierenwelzijn te verspreiden [zie: Kreeft – LLF]. Maurice is onder de indruk. Van buitenaf is terrorisme verwerpelijk, maar wie het beleefd heeft ziet de voordelen en de magie ervan in:

 

Valt terrorisme te beschrijven? Van een afstand misschien wel maar wanneer je er middenin gezeten hebt, is het ondoenbaar. Het was toverkunst wat ik daar meemaakte, virtuoze toverkunst met de nadruk op kunst en derhalve uitmondend in complete chaos.

 

De boodschap van zijn ouders is Maurice met de paplepel ingegeven. Onder het motto ‘gelijke monniken, gelijke kappen’ voelt hij zich van geen enkel dier de meerdere en beschouwt hij het doden van een koe of een paard als een even zware misdaad als het doden van een mens. Toch klopt er iets niet helemaal in zijn filosofie. Als het doden van een koe gelijkstaat met het doden van een mens, hoe krijgt Maurice dan de sappige biefstukken door zijn keel die worden geserveerd in de Buffalo Grill? ‘Tangobiefstuk was het. De tederste tangobiefstuk die ik ken, rood naar het roze toe en boterzacht gegrild. Hij vlijde en wentelde zich tegen je verhemelte en de binnenkant van je wangen met alle gracieuze tederheid van een Argentijnse koe.’ Niet bepaald een vegetarische omschrijving. Er zijn nog een paar stappen af te leggen.

 

Kat

Maurice Maillot is een eenzaat. Er was wel ooit een vrouw, Yeppie Carton, maar die zette hij aan de deur omdat ze zeurde over haar zwakke bekkenbodem, hem aansprak met ‘darling’ en een kinderwens in plaats van een kattenwens koesterde. Vijf jaar lang deelde hij alles met een kat, Grappa, die hij op een dag toevallig vond in zijn achtertuin [zie: Zebra, Poedel]. Tot Grappa een tumor krijgt. Ze krijgt zelfs niet de kans om aan haar ziekte te sterven, want door een ruwe behandeling bij de dierenarts stikt ze. ‘Het spijt me nog steeds dat deze vent gewoon in leven is en dat ik hem niet ter plaatste heb afgemaakt’, beweert Maurice getrouw aan het ‘gelijke kappen’-principe.

Maurice’ schrijfproductie valt stil, maar niemand kan begrip opbrengen voor zijn verdriet. Een kennis met een proefschrift over Aard en oorzaken van het writer’s block verwijt hem dat zulke liefde zelfhaat is, terwijl de man nog geen week later intrekt bij een zestienjarige Thaise met wie hij geen zinnig woord kan wisselen. Een collega-schrijver die beweert dat hij in plaats van te treuren beter een tennisracket had laten bespannen met Grappa’s darmen – ‘Dan had dat mormel nog wat opgebracht’ –, krijgt zijn verdiende loon [zie: Poedel].

 

Een kat mocht je blijkbaar niet liefhebben. Een kat mocht blijkbaar niet van je bord eten en in je bed slapen. En de dood van een kat mocht je blijkbaar niet betreuren, althans niet op mijn manier. [...] Menselijke waardigheid: ja, dierlijke waardigheid: nee. Iedereen wist kennelijk hoe het hoorde.

 

Dus sluit Maurice de gordijnen en schakelt hij de deurbel uit. Hij vult zijn dagen met het voeren van eenden, het aanbrengen van de graffitileus ‘Humaniteit uw naam is dier’ op Amsterdamse muren en, ‘om nog enige illusie te hebben van maatschappelijk verkeer’, het opbellen van de sprekende klok of het weerbericht.

 

Na het avondeten zat ik geregeld oude agenda’s of adresboeken door te nemen. Tevergeefs. Niemand om mee te telefoneren, niemand om iets mee uit te wisselen, niemand om iets mee te overleggen, niemand om ruzie mee te maken, niemand om goede raad aan te vragen, niemand om mee te eten, niemand om mee te vrijen en vooral: niemand in de verste verten die zich om mij bekommerde.

 

Acht jaar duurt dit isolement en acht jaar krijgt hij, die elke twee jaar een boek publiceerde, geen letter meer op papier.

 

Zebra

In vorige eeuwen kon het voor schrijvers een hele krachttoer zijn om twee personages in dezelfde kamer te krijgen. Af en toe was er zelfs een hele roman voor nodig. Een brief was bijvoorbeeld dagen onderweg en dan moest je weer minstens even lang wachten op een antwoord, maar het verhaal kon ondertussen niet stilstaan. De moderne technologie heeft, als je het zo bekijkt, grote invloed gehad op de hedendaagse literatuur. In Koetsier Herfst doet een gsm dienst als postillon d’amour.

De dag na zijn vijftigste verjaardag maakt Maurice een wandeling in het Vondelpark. Hij stuit op een Nokia in zebravel. Die vondst is voor Maurice een nieuwe start [zie: Kat, Poedel]. Hij raakte in een isolement door de dood van een dier, hij zal er weer uitbreken dankzij een voorwerp. Voorlopig hangt er namelijk nog geen vrouw vast aan het telefoontoestel, maar lang kan dat niet op zich laten wachten. De eigenaar moet een vrouw zijn, vertellen het grasgroene frontje, de zebrajas en de zweem Sisley Eau du Soir. Maurice draagt Nokia dan ook over de drempel als een bruid.

 

Na Grappa had ik niemand meer aanbeden. Wat ik tekortkwam, werkelijk tekortkwam, was bijgevolg het Aanbiddelijke. Iets, hetzij in mens hetzij in dier waarvoor ik weer vrijwillig op de knieën ging. Zonder aanbedene kan een schrijver niet bestaan. Aanbidding is het hout voor de inspiratiehaard.

 

‘Connecting people’ is het motto van de firma Nokia en dat is precies waar Maurice op hoopt: Nokia verbindt hem met Zijn Vrouw. ‘Goed, ik kon mijn vrouw nog niet bereiken maar bezat ik niet haar lijntje naar de wereld en was dat niet verbonden met haar hart?’

De connectie mag dan sneller gaan dan in negentiende-eeuwse romans, de eigenlijke ontmoeting wordt nog even uitgesteld. Ondertussen zijn er genoeg geheimen te ontrafelen. Zo achterhaalt Maurice Nokia’s beltoon en wat blijkt? Het toestel produceert dode Grappa’s gemiauw!

 

Om meer te achterhalen over Nokia’s mysteries, neemt Maurice haar mee naar zijn favoriete restaurant. De Buffalo Grill is een biefstukrestaurant in de hoerenbuurt dat uitsluitend gefrequenteerd wordt door mannen. Aanvankelijk is Maurice er een buitenbeentje, maar zijn entree met de gevonden gsm luidt zijn nieuwe sociale status in: hij wordt onthaald op een laaiend applaus. Dat het toestel niet gestolen is vermeldt hij niet, maar daar gaat het ook niet om, de erkenning bevestigt dat hij op een keerpunt zit. ‘Wellicht dat ook het schrijven hierbij wel zou varen.’

Freddy Blondeel, een stevige kerel met heel wat dierlijke kenmerken, doorzoekt de gsm – ‘een vrouw beoordeel je op haar uiterlijk en een mobiel op zijn innerlijk’. De inhoud van een toestel en de mate waarin de eigenaar daarmee gechanteerd kan worden, bepaalt de waarde van het toestel. In Freddy’s handen is de Nokia niet veel waard: er zitten geen nummers in, geen sms-berichten, geen namen en geen voicemailboodschappen – Nokia is net als Maurice’ toestel, haar mannelijke tegenhanger Nokius, leeg. Gsm’s spelen in Koetsier Herfst dan ook geen rol door de technologische snufjes, maar door de veranderde sociale gedragscodes die de nieuwe technologie met zich meebrengt. De groene cupido-Nokia is een verouderd model met een straatwaarde, aldus Freddy, van slechts twintig euro maar ze is wel letterlijk Maurice’ lijn met de buitenwereld en Nokius heeft hij ‘niet voor de bekende kletspraatjes aangeschaft maar uit voorzorg, met het oog op bedreigende situaties’.

Het nieuwe technologische tijdperk verdient ook een nieuwe god. De Bijbelse god wordt afgedaan als niet meer dan een woordkunstenaar, maar ‘in tegenstelling tot geloof heeft bijgeloof het maar al te vaak bij het rechte eind’. Maurice richt zich tot Jorma Ollila, chairman van Nokia. De zakenman heeft de dingen een stem gegeven, verbindt mensen met elkaar en verhoort Maurice’ smeekbedes. Wat kan je meer wensen van een moderne god?

Eén bede wordt al snel verhoord: een simpel sms’je zet alles in gang. Hij, of beter de eigenares van de Nokia wordt uitgenodigd voor een kop koffie in het Amsterdamse hotel Krasnapolsky. Zenuwachtig verschijnt hij op de afspraak en ontmoet zo Adolphe Klein. Hoewel hij denkt te maken te hebben met een vriendin van zijn aanstaande, blijkt al snel dat het om dezelfde persoon gaat. Zijn vrouw gebruikt verschillende namen – Do, Dora en Adolphe –, waarschijnlijk om haar ware identiteit te maskeren ten gevolge van haar beroep [zie: Kreeft – LLF].

Nu Maurice zijn vrouw in levenden lijve ontmoet heeft, is de rol van Nokia uitgespeeld. Jorma Ollila grijpt dan ook niet in als Maurice tijdens een avondwandeling overvallen wordt en als Nokia in het modderige water van de bloemengracht belandt. Omdat hij het dierbare toestel wilde beschermen tegen de regen, had hij er een condoom overgetrokken waardoor het weliswaar verdwijnt op de bodem van de gracht, maar niet onbereikbaar is. Als hij het nummer intoetst kan hij nog steeds met haar communiceren [zie: Garnalen en oesters – engelentelefoon]. ‘Ook al klinkt het onwaarschijnlijk, ook al ging het tegen elke natuurwet in, ik was verbonden met de bodem van de bloemengracht.’

Stoere Freddy vangt Maurice op na dit dramatische incident en helpt hem om alles helder te zien. De rollen worden verdeeld: Freddy is Maurice’ muze, Do is zijn artistieke geweten. De pen kan weer worden opgenomen.

 

Poedel

Voor hij weer toe is aan een band met een mens, bouwt Maurice nog een band met een dier op. Opnieuw is dit een dier dat toevallig op zijn pad belandt [zie: Kat, Zebra].

Om zijn nieuwe toekomst te vieren trekt Maurice weer naar het Vondelpark. Hij brengt een offerande aan Jorma Ollila op de plek waar Nokia in zijn leven kwam. Maar hij wordt gestoord door collega-schrijver Dolf van Beesd. ‘Ondanks zijn naam had hij de pest aan dieren.’ Dolf past op Slava, de poedel van zijn nicht, maar behandelt het dier neerbuigend en is ‘het scharminkel’ liever kwijt dan rijk. Als hij bovendien Grappa beledigt [zie: Kat – tennisracket] is de maat vol. Maurice slaat de irritante woordkunstenaar neer met zijn gsm (nóg een voordeel van de moderne technologie [zie: Zebra – bedreigende situaties]) en gaat ervandoor met de hond.

Hij houdt alvast een generale repetitie door Slava over de drempel te dragen en ook de fysieke affectie bewaart hij niet voor Do. Als hij knuffelt met de poedel gaat haar naam vanzelf over in die van Do.

De schrijver herstelt zienderogen. ‘Beetje bij beetje herwon mijn leven aan inhoud en ontlook ik weer. [...] Ik begon me weer in het leven thuis te voelen. Ook begon ik weer zin in formuleren te krijgen. Heel, heel voorzichtig kwam er wat op gang en vormden zich zinnetjes.’ Maar aan geregisseerde verzinsels verspilt hij zijn tijd niet meer. Hij wil vanaf nu enkel nog vertellen over de werkelijkheid.

 

Kreeft

En de werkelijkheid helpt een handje, want zijn dagen worden weer heel wat avontuurlijker. Een week na hun vorige afspraak ontmoet Maurice Do opnieuw in de bar van Krasnapolsky. Ze neemt hem in vertrouwen over haar bezigheden bij het Lobster Liberation Front (LLF), een organisatie die ijvert voor de bevrijding van kreeften.

 

Of ik een dreun in mijn maag kreeg. Het kreeftenleven was ook een leven. Daar had ik als kreefteneter nooit bij stilgestaan. Nooit wíllen stilstaan. Zoals ik bij alle levens van dieren die ik lekker vond niet had willen stilstaan [...].

 

Maurice was wel overtuigd van de boodschap van dierenrechtenactivisten [zie: Nijlpaard – paplepel] maar hij gedroeg er zich niet naar. De kreeften zetten zijn woorden om in daden. Maurice bekeert zich tot het vegetarisme. Al doet vis nog steeds zijn smaakpapillen tintelen en staat vlees, meer bepaald biefstuk van Buffalo Grill, symbool voor zijn mannelijkheid, voor de liefde heeft hij veel over.

Ook een trip naar Oostende. Do moet binnen zes maanden voor een actie van het LLF naar de koningin der Vlaamse badsteden die gedegradeerd is tot draaischijf van de internationale kreeftenhandel. Maurice gaat mee en doopt de tocht meteen om tot huwelijksreis. Klein detail: voor de bruidskoets vertrekt zal hij zijn vrouw niet meer zien. Zes maanden die hij vult met een strak schrijfschema. Enkele weken voor het vertrek is hij ‘bijgeschreven’. Alle gebeurtenissen sinds de vondst van Nokia zijn genoteerd. Nu wacht hij nog slechts op het einde om het boek te schrijven, want ‘pas door het einde krijgt alles geur en kleur’.

 

In Oostende neemt het koppel met hond zijn intrek in Hotel Polaris. Ze beleven wittebroodsweken van ontspanning en sightseeing afgewisseld met werk.

Het gelijkheidsbeginsel dat doorheen de roman zorgvuldig werd opgebouwd begint te wankelen. Als je dieren boven mensen plaatst is het evenwicht immers ook verstoord.

Do kan zich in elk onrecht opwinden: oorlogen en bombardementen zijn peanuts in vergelijking met wat er elke dag uit de zee wordt opgevist, mensen zijn in tegenstelling tot dieren nooit onschuldig, Afrikanen zouden de melkgebitjes van hun kindsoldaten moeten plunderen in plaats van de kaken van nijlpaarden enzovoort. Maurice’ principes zijn ook niet altijd even zuiver – hij wenst de dierenarts die Grappa vermoordde dood, slaat een collega neer omdat hij geen dierenvriend is en schat het welzijn van Nokia hoger in dan dat van een baby die hij omverloopt –, maar Do zal kapotgaan aan de combinatie van haar rechtvaardigheidsgevoel en haar temperament.

Dat is maar een van vele voorafschaduwingen van Do’s dood.

 

Garnalen en oesters

Maurice’ vegetarische dieet staat symbool voor zijn trouw aan Do’s overtuiging. Op nieuwjaarsdag gaat hij in de fout. Traditiegetrouw duiken op de eerste dag van het nieuwe jaar duizenden zwemmers van het Oostendse strand het ijskoude water in. Ook Do waagt zich aan deze ijsberenduik.

Maurice wacht vol spanning op het strand. Hij slikt vijftien verse garnaaltjes door en ook een gebakken haring verdwijnt in zijn keelgat. Dat had hij niet mogen doen. Do’s kleren, die ze hem voor de duik nog snel in zijn handen duwt, verliezen haar lichaamswarmte en Do keert niet terug uit het water. Ze ligt op de bodem van de zee [zie: Zebra – bodem bloemengracht], zwemt tussen de kreeften en wordt opgegeten door kabeljauw.

Nu er dieren peuzelen aan zijn vrouw, peuzelt Maurice opnieuw zonder schuldgevoel aan dieren. Hij vervangt de vegetarische hap bij McDonald’s, die elke dag van de wittebroodsweken op het menu stond, door oesters, ribstuk en ganzenlever.

 

Uiteindelijk spoelt Do’s lichaam aan. Het Lobster Liberation Front zorgt voor een uitvaart in stijl met een fanfare, lunch in het casino en een bronzen grafmonument met een kleine naakte Do op een enorme kreeft [zie: Nijlpaard – graf ouders]. Ook hier zorgt de communicatietechnologie ervoor dat het geen definitief afscheid is: Maurice heeft een engelentelefoon in Do’s graf gelegd. Dit is een set met een luidspreker en een mobiele telefoon. De luidspreker wordt in het graf gelegd, via de mobiele telefoon blijf je in contact met de overledene. Net zoals Nokia hem verbindt met Grappa en net zoals hij Nokia niet moet loslaten, al ligt ze op de bodem van een Amsterdamse gracht, zo blijft hij dankzij een telefoontoestel in contact met zijn vrouw, ook al ligt ze onder de zoden, kilometers bij hem vandaan.

 

Het einde van het verhaal lijkt op het begin: Maurice staat bij het graf van een dierbare die zijn leven offerde voor dierenwelzijn, maar er is een verschil met de situatie aan het begin van het boek. Net zoals het fysieke afscheid van Nokia hem niet doet ontsporen, brengt Do’s dood hem niet aan het wankelen. Ze ligt niet meer naast hem, maar heeft zich als zijn artistieke geweten meester gemaakt van zijn hoofd. Haar stem galmt door zijn gedachten, legt hem de juiste woorden in de mond. En dat de queeste naar sociale groei geslaagd is blijkt uit het boek met het paard op de cover: Maurice Maillot schreef de roman en zit weer in het schrijverszadel, in het reine met zijn verleden en op weg naar een nieuwe toekomst.