Plooierijen of geschik? Verwildering en verrukking na de lectuur van een krachttoer

Verschenen in: De ontwikkeling
Auteur: Sven Vitse
Lucas Hüsgen, Plooierijen van geschik, Querido, Amsterdam, 2007.
Download deze tekst in pdf:

Ik weet niet meer precies welke vraag het eerste door mijn hoofd schoot, nadat ik op een dag in augustus eindelijk de laatste bladzijde had omgeslagen van Plooierijen van geschik, het doorwrochte, indrukwekkende, tot het uiterste toe vermoeiende magnum opus van Lucas Hüsgen. Misschien was het ‘Bestaat België nog?’, ‘Ben ik grijs op het hoofd?’, of gewoon ‘Welke dag is het vandaag?’ Vast staat dat ik me kort daarna de vraag stelde ‘En nu?’ Me gaan bezatten in het dichtstbijzijnde café? Tot het einde van de zomer slapen? Kijken of mijn lief nog in huis is? Dat laatste heb ik zeker gedaan (ze was er nog – oef!), van die eerste twee weet ik het niet meer zo goed.
       Wat ik maar wil zeggen is dat dit boek tot die soort behoort die me na afloop het gevoel geeft dat ik ouder ben geworden – wijzer misschien ook, maar zeker ouder. Wat is er nu precies zo vermoeiend aan Plooierijen van geschik? De leesarbeid zelf is uitdagend: nogal wat van de 673 pagina’s van dit boek zijn moedwillig in een erg kunstmatige, soms cryptische, soms gemaakt archaïsche, soms poëtisch verdichte stijl geschreven, en zelfs de schijnbaar meest conventioneel geschreven stukken lezen zelden vlot, omdat Hüsgen nu eenmaal geen verteller is of wil zijn. Dat laatste valt niet goed uit te maken, want een van de gevolgen van ‘het hanteren van diverse stijlen’ (463), zoals het personage Lucas Hüsgen zich voorneemt te doen, is dat het taalgebruik sterk gedemystificeerd wordt en dat elke vertelstijl, ook het schijnbaar ‘gewone’ vertellen, als constructie getoond wordt.

Leesvergetelheid
Plooierijen van geschik is een boek dat de lezer van pagina tot pagina, van zin tot zin, bewust houdt van het feit dat hij of zij aan het lezen is. De lezer wordt geen leesvergetelheid gegund. De meeste leesvergetelheid wordt de lezer misschien nog wel gegund in de expliciet poëticale passages, die in principe de leesillusie verstoren. Wanneer in hoofdstuk tweeëndertig bijvoorbeeld de Schoonheid aan het woord komt, hoor je een herkenbaar vertoog. Die Schoonheid wil de lezer ergeren en ‘er vooral voor zorgen dat de literaire critici die als eerste maar moeten zien hoe ze zich erdoor worstelen zich zeker bij deze pagina’s, de mijne, afvragen of het wel zin heeft zoiets onbetamelijks te lezen, laat staan om het aan te prijzen’ (307).
       Dit discours kennen we, het is het pseudo-ironische discours van de zichzelf immuniserende auteur, die er de criticus al bij voorbaat op wijst dat een eventuele afwijzing van dit boek hem diskwalificeert als lezer ervan. Dat is dan weer wel vermoeiend aan dergelijke passages: het gevoel dat de auteur een robbertje wil vechten met de lezer, dat hij zich als uitdager en als krachtpatser opstelt, en daar dan lacherig over doet. De Schoonheid streeft naar eigen zeggen ook ‘(z)elfdestructie, zelfdetonatie’ na, en hoopt het boek ‘totaal met de grond gelijkgemaakt te krijgen’ (idem). Zelfdestructie, maar dan als een soort subliem schouwspel, waarin de Schoonheid uit de ketens van zijn minderwaardige incarnaties breekt, en een soort artistieke jouissance genereert die het ordinaire leesplezier overstijgt? Dit alles confronteert de lezer met de vraag hoe veel belang hij of zij mag of moet hechten aan gewoon leesplezier, en wat hij of zij ervoor in de plaats wil als het ontbreekt.
       Een andere reden dat dit boek zo vermoeiend is, is dat het opgevat is als een immense legpuzzel, die bovendien niet cumulatief is opgebouwd. In het begin weet je niets, maar word je wel al gebombardeerd met allerhande namen die in het vervolg zullen terugkomen. In elk hoofdstuk komt een andere verteller aan het woord, en die vertellingen zijn op complexe wijze met elkaar verbonden, zodat de lezer zich constant afvraagt wie aan het woord is, hoe dit stuk past in het geheel, welke elementen mogelijk van belang zijn om het vervolg te begrijpen enzovoort. Daarnaast heb je als lezer maar beter een goede encyclopedie bij de hand om op te zoeken wie Frederik van Pruisen en Sophie-Charlotte van Hannover ook al weer waren, en wat de Vrede van Nijmegen eind zeventiende eeuw precies te betekenen had. Het boek steunt zwaar op de geschiedenis van Nijmegen en op de vervlechting van die geschiedenis met de geschiedenis van Nederland, Duitsland en Frankrijk, maar die achtergrondinformatie biedt Hüsgen zelf nauwelijks aan.
       Ondertussen is dat puzzelwerk niettemin de dynamiek die de lectuur aan de gang houdt. Opmerkelijk aan dat spoorzoeken is dat het niet culmineert in een orgelpunt waarin alle eindjes samenkomen. Hoewel je steeds meer verbanden, lijnen en beperkte temporele ontwikkelingen ziet in de roman, lijkt er geen overkoepelende teleologie aan het werk: de verhaallijnen lijken niet echt ergens heen te gaan of uit te monden, en evenmin wordt de historische plot – de geschiedenis van de Nijmeegse Plooierijen – volgens de klassieke wetten van de spanningsopbouw ontrafeld. Veeleer wordt er eindeloos gerafeld, en speelt Hüsgen met samenhang, spiegeling en metamorfose in een naar tijdloosheid neigend universum.
       Samenhang als organiserend principe wordt in de roman nadrukkelijk gethematiseerd. Zo zoekt het personage Lucas Hüsgen, ook wel aangeduid als de schrijver, naar de manier waarop politieke strubbelingen in Nijmegen aan het begin van de achttiende eeuw samenhangen met andere Europese politieke ontwikkelingen in die periode. Hij raakt bezeten door ‘de woekering van de samenhang’ (130). Waar hij het ultieme bewijs had moeten vinden voor zijn stelling – dat er een geheime overeenkomst zou zijn geweest tussen Pruisen en Frankrijk om Nijmegen in Pruisisch bezit te brengen – loopt zijn spoor dood: ‘het Heeresarchiv werd platgebombardeerd’ (130).
       Alles lijkt te kloppen maar het geheel sluit niet. Het boek zelf wordt op analoge wijze gekarakteriseerd. In hoofdstuk veertien luidt het nog: ‘Alles zal kloppen. Alles zal accorderen’ (127). In hoofdstuk zesenveertig klinkt dat al een beetje anders: ‘Zelfs de fouten moeten kloppen’ (460). Twee hoofdstukken later wordt de lezer op een inconsistentie gewezen: ‘de verteller van hoofdstuk 46 [noemt] de plastic kuipstoeltjes in het Centraal Station van Seoul donkerblauw’, terwijl ‘de jongedame van een paar hoofdstukjes eerder’ (482) ze oranje had genoemd. Dat blijkt inderdaad zo te zijn (zie 437 en 469). Irrelevant als deze inconsistentie lijkt, het wantrouwen van de lezer, die zoekt naar samenhang, is er door gewekt. Ongetwijfeld zal bij elke herlezing duidelijker worden waar de samenhang sluitend is en waar niet.

I Tjing
Plooierijen van geschik bestaat uit vierenzestig hoofdstukken, verdeeld in vier boeken van elk zestien hoofdstukken. De structuur van de roman is losjes gebaseerd op de I Tjing of Het boek der verandering, een klassieke Chinese tekst uit de confucianistische canon. Net als de I Tjing bestaat de roman van Hüsgen uit vierenzestig hoofdstukken. Elk van de vierenzestig delen van de I Tjing wordt aangeduid met een naam en een zogeheten hexagram. Een hexagram is een combinatie van zes lijnen. Er bestaan twee soorten lijnen: een ononderbroken lijn staat voor yin, een onderbroken lijn staat voor yang. Een combinatie van drie lijnen (bijvoorbeeld yin/yin/yang, yin/yang/yin, yin/yang/yang enzovoort) wordt een trigram genoemd.
       Aangezien er acht (2³) dergelijke combinaties mogelijk zijn, bestaan er acht trigrammen, die elk een naam krijgen als ‘hemel’, ‘aarde’ of ‘donder’. De hexagrammen ontstaan door de combinatie van twee trigrammen (bijvoorbeeld hemel/aarde, aarde/hemel, hemel/donder enzovoort). Daaruit volgt dat er 64 (8² of 2³x2³) hexagrammen bestaan, die namen krijgen zoals ‘het wachten’ of ‘de jeugddwaasheid’. Bij elk van deze vierenzestig hexagrammen hoort dan een bepaalde wijsheid. Of elk van de vierenzestig hoofdstukken uit Plooierijen van geschik inhoudelijk correspondeert met de overeenkomstige wijsheid uit de I Tjing heb ik niet kunnen achterhalen.
       In Hüsgens roman wordt occasioneel gerefereerd aan de I Tjing en haar hexagrammen. De verteller van hoofdstuk vierendertig, een belezen Koreaanse ‘dame van het hof’ (335), wil zich bij haar ontsnapping uit het paleis laten leiden door het orakel van de I Tjing: ze gooit takjes op en vormt zo ‘de lijnen van nummer 34, de Macht van het Grote’ (329). Terwijl ze ligt bij te komen van haar doodssprong van de paleismuur herinnert ze zich de inhoud van ‘het vierendertigste hexagram (…) je moet niet naarstig naar beweging streven zonder geduld om het juiste moment’ (336). De ironie is treffend: het geloof in het boek geeft haar het zelfvertrouwen om een vluchtpoging te wagen die haar uiteindelijk het leven zal kosten.
       Klaus Petersen, de verteller van hoofdstuk acht, brengt het ‘Boek der Veranderingen’ (67) dan weer in verband met de wijsheden van de alchemist/chemicus Van Helmont, gebaseerd op ‘de nullen en de enen uit de vierenzestig hexagrammen’ (66). Wie yin door 1 vervangt en yang door 0 kan de vierenzestig hexagrammen eenvoudig herformuleren als combinaties van nullen en enen. In enkele hoofdstukken vliegen dan weer ganzen rond met dergelijke binaire hexagrammen in hun naam: ‘Robusta 111011 en Beneficio 101110’ (384).
       De pretentie van de roman is nu dat alle vertellers en personages uit dit vierenzestigdelige combinatorium op een of andere manier met elkaar verbonden zijn. Zoals de verteller van hoofdstuk zevenenvijftig, niemand minder dan ‘meneer Hüsgen’ (580) zelf, het stelt: ‘Alle personages in dit triviale boekwerk weten zich maar door een ding bij elkaar gehouden: het orgel van het Boek der Veranderingen. Maar voldoet zo’n kunstje?’ (587) Het beeld van het orgel verwijst naar de meerstemmigheid van het boek, en naar de veelvormigheid en veranderlijkheid van de menselijke geest. Dezelfde ‘meneer Hüsgen’ vergelijkt het mensenverstand met het orgel: ‘zo’n orgel speelt ook voor fluitbas of baarpijp, en als het meezit voor woudfluit of trompet. De gemshoorn, de flageolet, de vox humana, hij kan ze allemaal aan’ (579). Deze roman is dan ook opgevat als een orgel met evenveel registers als er vertelstemmen in aan het woord komen.
       De lezer die enig geduld kan opbrengen, ziet na verloop van tijd steeds meer elementen en namen terugkeren, en ziet vanaf boek twee ook verhaallijnen ontstaan. Elke verhaaldraad wordt immers zestien hoofdstukken verder opnieuw opgenomen. Zo correspondeert hoofdstuk drie met de hoofdstukken negentien (het derde hoofdstuk uit boek twee), vijfendertig (het derde uit boek drie) en eenenvijftig (het derde uit boek vier) – deze keten duid ik gemakshalve aan als ‘lijn drie’. In hoofdstuk drie komt het zestienjarige Ierse meisje Kristeen MacCawley aan het woord. Haar vertelling alludeert op de seksuele aantrekkingskracht tussen het meisje en haar oom Eamonn én op de gewelddadige afloop: Kristeen vreest ‘dat [ze] weggebeten worden zou door de tanden van oom Eamonn’ (24). Hoofdstuk negentien wordt verteld door Kristeens vader, die als voortvluchtige pelgrim onderweg is naar de heilige berg Croagh Patrick. Hij heeft onlangs zijn broer Eamonn vermoord, die hij verdenkt van de moord op zijn dochter. Hij vond zijn dochter in de stal, doodgebeten: ‘Bloed vloeide vers uit de nek. De halsslagader was getroffen’ (176-7).
       Zestien hoofdstukken verder is het de beurt aan de dorpspastoor van het Ierse Ballyvaughn. Zowel Kristeen als haar vader en haar oom bezochten hem in de biechtstoel, maar hij besloot om de hele geschiedenis te verzwijgen en de zondige broers ‘de een na de ander op een boetvaardige bedevaart naar de Berg’ (347) te sturen. De enige aan wie hij in een dronken bui dit verhaal vertelt, is zijn vriend C.K. Watt, die hij in Dublin ontmoette ‘bij een opvoering van Corelli’s vioolsonates’ (344). Die Watt is dan weer de verteller van hoofdstuk eenenvijftig. Dat wordt pas aan het einde van het hoofdstuk helemaal duidelijk, wanneer de verteller nogal opzichtig verwijst naar ‘de dorpspastoor’ die hij ‘ontmoette bij zo’n uitvoering van Corelli’s vioolsonates’ en bovendien zichzelf aanspreekt als ‘C.K. Watt’ (530). Voorts heeft het verhaal van Watt weinig te zien met de historie van Kristeen. Watt is op geheime missie in Berlijn, waar hij zijn oog laat vallen op een verliefd stel, een ‘zangeres’ en ‘serveerster’ (528).

Vertakken en uitzwermen
Het woord ‘verhaallijn’ is dus eigenlijk niet geschikt om deze keten van hoofdstukken aan te duiden: het verhaal van de dorpspastoor is immers al een aftakking van het verhaal over Kristeen, en dat van Watt is nog eens een aftakking van die aftakking. Bovendien is de verhaallijn permeabel, aangezien ze zijsporen en uitwegen bevat naar andere verhaallijnen. Zo werkt idealiter deze roman: vanuit elk hoofdstuk zou de lezer moeten kunnen uitzwermen, en een traject volgen dat via een aantal tussenschakels naar elk ander hoofdstuk voert.
       Het verhaal van Watt biedt bijvoorbeeld een opstapje naar lijn twaalf, een verhaallijn die de personages Gertrude von Steyn, Klaus Petersen en Volckmar Laponder verbindt. Het lijkt erop dat Getrude, de verteller van hoofdstuk zestig (het twaalfde hoofdstuk van boek vier), de zangeres is die Watt ontmoet in Berlijn, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Na een concert ontmoet Gertrude een ‘Ierse heer’ die zich voorstelt als ‘Utter MacKinley, kunsthandelaar in Parijs’ en die meent te hebben gezien ‘hoe [haar] steelse blikken dwaalden over die fragiele schouders’ van het ‘dienstertje’ (619). Gertrudes echtgenoot, Volckmar Laponder, heeft zich aangesloten bij de nazi’s; hij laat haar oppakken wanneer hij haar lesbische geaardheid ontdekt. Klaus Petersen, violist en bewonderaar van Gertrude, is degene die haar verraadt.
       Lijn twaalf bestaat voorts uit hoofdstuk vierenveertig (het twaalfde uit boek drie), waarin een jonge ‘meneer Ringelnatz’ (446), naar eigen zeggen een ‘tuinderszoon’ (440), de ‘jongedame Von Steyn’ (447) vergezelt naar haar kamer in hotel Adlon te Berlijn. De zangeres vertelt hem het verhaal over ‘twee vrienden’ (449), Laponder en Petersen, die allebei van haar houden. De twee andere schakels uit deze keten, de hoofdstukken twaalf en achtentwintig, zijn wat moeilijker te plaatsen. In hoofdstuk twaalf is Renate, een geadopteerd Koreaans meisje, aan het woord1. Renate ontmoet na een bezoek aan Schenkenschanz een oude Duitse man die zich voorstelt als Wilhelm Ringelnatz. Deze Ringelnatz was destijds lid van de NSDAP en heeft in Schenkenschanz ‘vannacht de beenderen opgegraven van [z]ijn achterkleinzoon’ (106). Hij vertelt bovendien dat zijn dochter Wilhelmine nog voor de oorlog met zijn kleinzoon Wilhelm in Venlo is gaan wonen.
       Hoofdstuk achtentwintig wordt verteld door de grootmoeder van Olivier, die ‘begraven wilde worden in onooglijk Schenkenschanz’ (260). Ze was getrouwd met een zekere Van Dam, want ze werd na de oorlog ‘die Pruusin van Van Dam’ (264) genoemd. In hoofdstuk zeventien (wellicht verteld door Oliviers grootmoeder aan moederszijds) is sprake van een ‘mevrouw Wilhelmine van Dam-Ringelnatz’ (159) – waarschijnlijk is zij de verteller van hoofdstuk achtentwintig, de dochter van Wilhelm Ringelnatz.

Behalve met lijn twaalf is lijn drie ook verbonden met lijn elf: in hoofdstuk drieënveertig (het elfde van boek drie), verteld door Susan Stigter, zit een hondenluikje naar het verhaal van de dorpspastoor. Op reis in Frankrijk ontmoet Susan de Ierse jongen Andy Kelly, die haar iets opdist ‘(o)ver een plattelandspastoor die zijn oudoom, iets dergelijks, het grote geheim van zijn leven had verteld’ (433). Susan denkt dat haar Nederlandse adoptievader een verre nazaat is van de Rotterdamse uitgever Johannes Stichter (117). Die publiceerde aan het einde van de zeventiende eeuw de tweede druk van het reisjournaal van Hendrik Hamel, die met een Nederlandse handelsmissie in het toen nog onbekende Korea was beland. Nadat Susan hierover heeft gesproken op de Koreaanse televisie, melden ‘(h)onderden Koreaanse vrouwen’ (438) zich aan als haar biologische moeder.
       De verteller van hoofdstuk elf is een Koreaanse vrouw die het optreden van Susan op de televisie volgt. ‘Een meisje op tv. Ze spreekt onze taal met moeite, maar is er een van ons. Lang hier ver vandaan geweest, niet de mijne, maar op zoek’ (94). De vrouw vertelt een nogal verward verhaal over haar verleden in de rijstvelden, verkrachtingen door ‘de militaire patrouille’ en het moderne leven in de metropool, waar de natuur door beton is vervangen. ‘Nieuwe bergen bewaken met twintig verdiepingen de stad’ (94). In Korea loopt Susan ‘een kluizenaar’ tegen het lijf, die aan het woord komt in hoofdstuk zevenentwintig (het elfde uit boek twee). Deze monnik suggereert dat hij haar vader is: Susan ‘was gekomen zonder te weten dat ik het was bij wie ze was gekomen’ (256).

Via de laatste schakel uit lijn elf – hoofdstuk negenenvijftig, verteld door Andy Kelly – komt de lezer terecht in een van de centrale lagen van de roman, de historie van Olivier van Dam. Het merkwaardige aan deze historie is dat ze niet (grotendeels) vervat zit in één verhaallijn, zoals die van Kristeen of van Susan, maar uitgezaaid ligt over de volledige ruimte van de roman. Van zijn grootmoeder vernemen we dat Olivier met een ‘(d)oldriest onderzoek’ (260) bezig was en ‘in Ierland’ (263) is overleden. Deze informatie kan de lezer combineren met de uitspraken van Renate over ‘de zelfbenoemde historicus’ en ‘onbegrijpelijke dichter’ (100) die tijdens een reis in Ierland met een vriend om het leven kwam. Andy was een van de laatsten die Olivier en zijn vriend Fred Rüttges levend zag: hij werkte in een pub op het Ierse platteland waar op een dag ‘twee jongens (…) uit Nijmegen’ binnen kwamen (604). Een week later werd het lijk van een van hen gevonden, en werd Andy als verdachte opgepakt.
       Olivier van Dam hield zich kort voor zijn dood intensief bezig met een historisch onderzoek, naar de geschiedenis van Nijmegen en meer bepaald naar de zogeheten Nijmeegse Plooierijen. Dat conflict uit het begin van de achttiende eeuw had als inzet het bestuur van Nijmegen: enkele opstandige burgers verzetten zich tegen de door Willem III van Oranje aangestelde Nijmeegse regenten. Deze Plooierijen hadden een complexe voorgeschiedenis. Willem III, getrouwd met de Engelse Mary Stuart, legde een claim op de Engelse troon, maar werd daarin tegengewerkt door de Franse koning Louis XIV. Een en ander leidde rond 1672 tot een oorlog tussen Frankrijk en de Republiek der Nederlanden: in 1672 steekt Louis XIV de Waal over en tot 1674 houden de Fransen Nijmegen bezet. In 1678 wordt uiteindelijk de vrede van Nijmegen gesloten. Tijdens het Franse beleg van Nijmegen zouden enkele Nijmeegse notabelen de verdediging van de stad hebben gesaboteerd en zo Willem III hebben verraden.
       Van dit stukje Europese geschiedenis schemert hier en daar in de roman een fragmentje door, hetzij in opmerkingen van contemporaine vertellers over Olivier, hetzij in vertellingen van de figuren die er destijds bij betrokken waren. Opmerkelijk is dat enkele nazaten van deze betrokkenen in het heden van Olivier nog leven. Een van hen is Willem Roukens, de verteller van hoofdstuk achtendertig en een vermeende nakomeling van Willem Roukens, de door de Nijmeegse opstandelingen ‘onthoofde burgemeester’ (377). Van deze Roukens verneemt de lezer dat Olivier voor zijn verdwijning ‘werkte aan een filmscenario of een toneelstuk of een hoorspel of een roman over de Plooierijen’ (375).
       Tot de Nijmeegse opstandelingen behoorden onder meer de families De Beijer, Romswinckel en Van Heukelom. In lijn dertien komen enkele telgen uit de familie De Beijer aan het woord: Justinus de Beijer, ‘heer van Hulsen’ (109) in hoofdstuk dertien, zijn broer Johan de Beijer de Oudere – ‘van Cleve’ (111, 268) – in hoofdstuk negenentwintig, en zijn zoon Johan de Beijer in hoofdstuk vijfenveertig – ‘(m)ijn eigen vader, de eerbiedwaardige Justinus’ (455). De familie De Beijer is via huwelijken verbonden met de familie Van Heukelom: Johan jr. was ‘gehuwd met een der dochters Heukelom’ (452); Justinus, aldus de verteller van hoofdstuk veertien, was getrouwd met ‘Elizabeth van Heukelom’ (126), dochter van Willem van Heukelom sr., die op zijn beurt door Justinus ‘oud-burgemeester’ (113) van Nijmegen wordt genoemd.
       De familie Romswinckel komt aan bod in de lijnen vier en zes. Via het Duitse meisje Dorothee, verteller van hoofdstuk vier, komt de lezer terecht bij de zeventiende-eeuwse kwakzalver Meester Nicolaas, de verteller van hoofdstuk twintig. Hij behandelde François Romswinckel voor een geslachtelijke ziekte. De vader van François, Matthias Romswinckel was de gezant van de Pruisische keurvorst Frederik in de Republiek der Nederlanden: hij ‘vertegenwoordigde als zijn gezant te ’s-Gravenshage de Grote Keurvorst’ (189). De neef van François, aan het woord in hoofdstuk zesendertig, maakte in Rusland fortuin als pelsjager en schopte het tot ‘burgervader van het licht ontvlambare Moskou’ (354). De echtgenote van François, ten slotte, vertelt hoofdstuk tweeëntwintig.

Grens en grensoverschrijding
Een belangrijk motief in Plooierijen van geschik is de grens. In een gesprek met de schrijver Hüsgen constateert de mysterieuze Oervorm van de Hond – wie of wat die ook moge wezen – dat veel verhalen ‘zich afspelen in notoir opgesplitste landen als Ierland, Duitsland en Korea’ (584). De Ierse dorpspastoor refereert bijvoorbeeld nadrukkelijk aan de Ierse onafhankelijkheidsstrijd, die ervoor zorgde dat de Ieren, ‘min of meer bevrijd, Noord-Ierland nooit meer terug kregen’ (345). In hoofdstuk vijfentwintig wordt de grens tussen Noord-Korea en Zuid-Korea expliciet gethematiseerd: de verteller hekelt zowel de buitenlandse inmenging in het schiereiland – ‘mensen [die] sleuven trekken door de geschiedenis van anderen’ (240) – als het geloof in de betekenis van grenzen in het algemeen. Volgens hem kun je slechts gelukkig worden ‘als je ophield grenzen uit te tekenen en te bewaken’ (240).
       Het gescheiden, naoorlogse Duitsland vormt ten dele het decor van verhaallijn vijf. In hoofdstuk zevenendertig (het vijfde van boek drie) horen we de stem van Simone Tietgen, een Oost-Duitse juriste die na de Wende in de vastgoedsector werkt. ‘(T)egen een uurloon van honderden marken’ pluist ze ‘oude en nieuwe wetteksten’ (367) uit om zoveel mogelijk oude DDR-eigendommen opnieuw in handen van bedrijven te krijgen. Haar verhaal biedt bovendien een ingang in lijn twaalf, want ooit woonde ze ‘in hetzelfde trappenhuis’ als ‘de violist, de oude heer Petersen’ (361). Simones zus Dorothea, aan het woord in hoofdstuk eenentwintig (het vijfde van boek twee), volgde een kunstopleiding in Berlijn, waar ze Fred ontmoet, die voor opzoekingen in ‘het Pruisische geheime staatsarchief’ (193) in de stad is.
       Grenzen staan ook in de historische laag van de roman centraal: het Nijmeegse conflict was immers in zekere mate een grensconflict. De roman suggereert dat François Romswinckel, de voornaamste aanstoker van de Plooierijen, aanstuurde op een conflict tussen Willem III en de Pruisische keurvorst, met de heerschappij over Nijmegen als inzet. Aan Nicolaas, kwakzalver aan het Pruisische hof, zegt hij: ‘zal uw vorst ons vragen namens hem op te treden, staan wij paraat en leiden hem binnen de muren onzer stad’ (190). Romswinckel beweert zelf vooral op een hereniging van de gebieden rond het Nederlandse Nijmegen en het Duitse Kleef uit te zijn. In het verhaal van Oliviers grootmoeder hekelt een anonieme stem het artificiële karakter en de historische contingentie van staatsgrenzen en taalgrenzen. Mensen die het gevoel hebben bij elkaar te horen, worden door de politieke ‘douaniers’ (264) van elkaar gescheiden: ‘maar wij van hier en die ginds van Venlo, of die van Kleef en die van Nijmegen aan de overkant, we horen bij elkaar’ (265).
       Bij wijze van literaire protest tegen het principe van de grens speelt deze roman dan ook lustig met grensoverschrijdingen. Zo problematiseert Hüsgen de grenzen tussen mens en dier en tussen levende wezens en levenloze objecten door behalve menselijke personages ook dieren en gebouwen een stem te geven. Hoofdstuk zeven wordt verteld door een hond, meer bepaald door de Oervorm van de Hond die de gedaante aanneemt van Fergie, de hond van Kristeen MacCawley2. Veel respect voor de mens heeft deze verteller niet: ‘zieltogende prutsers met geen beter vermogen dan slaapverwekkende wederzijdse vernedering’ (56), zo luidt het oordeel. In de hoofdstukken vijftien en zevenenveertig krijgen respectievelijk het Pruisische paleis Charlottenburg en het paleis van Versailles een stem.
       Die keuze voor niet-menselijke vertellers hangt samen met een vaag filosofietje over zielsverhuizing, over het circulaire karakter van de werkelijkheid en de tijd en over de samenhang van alles. De verteller van hoofdstuk negenentwintig heet weliswaar Johan de Beier, maar is eigenlijk het lindeblad waarin De Beier is gereïncarneerd. Hij hangt aan een boom bij het slotkasteel Moyland nabij het Duitse Kleef, waar hij tot zijn grote ergernis geregeld ‘een zootje Nijmegenaren uit een touringcar’ (269) ziet stappen. In verhaal negen formuleert een gans het wereldbeeld der ganzen: ‘Eens is alles geweest. Voor zover niet, zal het weeromkomen. Wij dragen zorg op iedere terugkeer voorbereid te blijven’ (71). De priester die in hoofdstuk twee het woord krijgt, tracht zich te spiegelen aan de paradoxale levenswijsheid van de ganzen: de dieren vliegen altijd rechtdoor, maar tezelfdertijd vliegen ze steeds in cirkels. ‘Ganzen vliegen vooruit. Elke vlucht brengt ganzen terug naar waar ze hun eerdere vlucht begonnen’ (14). Deze paradox laat zich als volgt parafraseren: niets is ooit hetzelfde, maar tegelijk keert alles terug. Volgens deze logica lijkt ook de roman te zijn opgebouwd: het systeem van lijnen creëert een zekere mate van wederkeer en circulariteit, maar tegelijk is zelfs binnen een lijn veranderlijkheid meer regel dan uitzondering.
       Op een ander niveau overschrijdt de roman de grens tussen werkelijkheid en fictie: in de romanwereld gaan werkelijkheid en fictie vloeiend in elkaar over. In de derde schakel van lijn vijf, hoofdstuk zevenendertig, vat Simone de inhoud samen van haar favoriete roman, Reihers Unglück van een zekere Martz. Zestien hoofdstukken later is het de beurt aan een verteller die zijn naam deelt met het hoofdpersonage uit die roman, Hartwig Schwann. Dwalend in zijn geboortestad, die hij niet lijkt te herkennen, ontmoet Schwann nog een ander personage uit de roman, Klaus Finke, maar tegelijk lijkt het hem alsof hij in een andere dan zijn vertrouwde werkelijkheid is terechtgekomen. Misschien is deze Finke niet de man die hij kent, en is hij zelf evenmin wie hij is, ‘maar een heel andere Hartwig Schwann met een heel andere levensgeschiedenis’ (544).
       In Schwanns verhaal treden in elk geval verdubbelingen op: Volcmar Laponder verschijnt hier plots als ‘nachtbrakende leraar van de Latijnse school’ (546) die zijn leerlingen wegwijs tracht te maken in Vergilius’ Bucolica. Het volgende hoofdstuk, vierenvijftig, is om verscheidene redenen interessant. De verteller pikt namelijk, hoogst uitzonderlijk, de verhaaldraad uit het vorige hoofdstuk op. Bovendien is deze verteller opnieuw een verdubbeling: François Romswinckel treedt hier op als een organist die deelneemt aan occulte bijeenkomsten onder leiding van ‘de hoofdbewoner van de waterburcht’ (556). Toch overtreedt de opeenvolging van de hoofdstukken vierenvijftig en vijfenvijftig de structuur van de roman niet: het hoofdstuk van Romswinckel past in de logica van lijn zes (waarvan ook het hoofdstuk van Geertruydt Romswinckel deel uitmaakt), en het hoofdstuk van Schwann past logisch in lijn vijf. De continuïteit verschijnt hier als een toevallig gegeven in een systeem waarin zij niet primair is, zoals lineariteit in een netwerk altijd kan voorkomen zonder ooit regel te zijn.

Het stemmenorgel
In deze wervelstorm van stemmen lijkt één stem een paar keer terug te komen, als een gedecentreerde spin in een netwerk. Lijn veertien wordt bemand door een verteller die zich ‘de schrijver van dit boek’ of gewoon ‘Lucas Hüsgen’ noemt. In hoofdstuk zesenveertig (het veertiende van boek drie) geeft ‘de schrijver’ commentaar op zijn eigen stijlexperiment in deze roman, en hij gaat daarin zo ver dat hij ‘een akelige inconsequentie’ (463) opmerkt.

       De schrijver voert diverse personages in diverse stijlen op. Elk personage blijft binnen de grenzen
       van zijn hoofdstuk zoveel mogelijk stijlvast. Maar als ik in staat ben tot het hanteren van diverse
       stijlen, dan moet in principe ieder mens en dus ieder personage in staat moeten getoond tot
       het hanteren van een diversiteit aan stijlen. (463)

Jammer dat in een cruciale poëticale passage de zinsbouw niet deugt, maar dat is niet het punt. De opgebiechte inconsequentie hoeft evenmin een principieel probleem te zijn: het zijn precies de duidelijke grenzen tussen de stijlen die de stilistische veranderlijkheid zichtbaar maken.
       Problematisch is veeleer het feit dat de verhoopte stilistische diversiteit al te vaak aanleiding is tot formuleringen die een lezer de indruk geven aan acute dyslexie te lijden. In hoofdstuk twintig toont de zeventiende-eeuwse kwakzalver Nicolaas zich een liefhebber van tangconstructies, archaïsche genitieven en weglating van persoonsvormen. Deze zin, voor alle duidelijkheid, betreft de tweede vrouw van de Pruisische keurvorst Frederik I, Sophie-Charlotte van Hannover: ‘Met scherpe tong verhoopte zij die de Venus van Oranje-Nassau na haar verscheiden aan de zijde van zijn vader afgelost, voor het eigen gebroed Brandenburgs troonsbestijging’ (184). De zin die hierop volgt heeft zowat hetzelfde stramien (hier gaat het over Louise Henriette van Oranje-Nassau, dochter van Frederik Hendrik van Oranje-Nassau, en moeder van Frederik I van Pruisen): ‘Aan de overdaad van jonge deernen wier naaktheid mij bekend, herinnerde mij zijn moeder, des stedendwingers dochter’ (184).
       Sommige zinnen ontsporen volledig, bijvoorbeeld in hoofdstuk vierendertig waar dat helemaal geen stijltruc lijkt te zijn:

       Ik voelde mijn enkel en wenste mezelf toe dat ik als een jong, bijna onzichtbaar meisje tussen
       de veren van een witte reiger of van een kraanvogel die me zou wegleiden van alle muren, toonde
       de eilanden langs de kust, de weidsheid van de zee, naar vreemde landen, verleiden tot andere
       tijden. (329)

In andere gevallen wordt de syntactische ontsporing wel degelijk als stijltruc aangewend. Het paleis van Versailles verslikt zich in een zin die helemaal uit de hand loopt, en maakt zichzelf vervolgens dit ironische verwijt: ‘Wat ben ik toch een kutpaleis als ik niets eens een volzin tot zijn einde kan brengen’ (472). Johan de Beijer verliest in de gedaante van een lindeblad (hoofdstuk negenentwintig) zijn meesterschap over de taal:

       […] nee mijn nerven en de taal niet altijd even goed zich verdragen, wat?, gespetter van gedachten
       tast eerder mijn cellen aan dan het geval is wanneer je mens bent, moet wel opletten, niet ook
       punten zetten, ik bedoel, helder onderscheiden zinnen maken […] (274-5)

Een andere zeer opvallende en vaak terugkerend stijlmiddel is het gebruik van aan het Frans ontleende werkwoorden. De ‘historische’ personages, zoals Geertruydt Romswinckel of de neef van François Romswinckel, gebruiken wel eens woorden als ‘raconteren’ (201), ‘persevereren’ (201), ‘geëduceerd’ (202), ‘geëtonneerd’ (355) of ‘insistentie’ (355).
       Het moet gezegd: Hüsgen realiseert geregeld een opmerkelijke stijlbreuk. Zo volgt na de kromme, cryptische zinnen van Nicolaas de cynische, stoere en associatieve woordenstroom van Dorothea Tietgen (die trouwens vertelt na haar overlijden). Dorothea heeft het over ‘oversekste kapitalistische bokken’ (191), noemt zichzelf een ‘klotegriet’ en een ‘kuttakkewijf’ (192), en vertelt hoe ze Freds ‘Hollandse pik in [haar] strot geramd [kreeg]’ (195). De harde en onverbloemde stijl past bij het totale gebrek aan illusies van een bepaalde bevolkingsgroep en de ontnuchterende werkelijkheid van het moderne stadsleven. Haar dood lijkt als het ware logisch te volgen uit haar vertelstijl. 
       De stijl van Kristeen MacCawley in hoofdstuk drie is dan weer erg dromerig en bezwerend. De herhaling van de woorden ‘zestien’, ‘avond’ en ‘de kevers van MacLaverty’ creëert een tegelijk zweverige en beklemmende sfeer, hoewel niet helemaal duidelijk wordt over welke avond het precies gaat – de avond waarop ze zich door Eamonn laat verleiden, of de avond dat ze door hem vermoord wordt? ‘Zestien was ik op die ene avond […] en ik was zestien op die lenteavond […] en het was de avond dat ik voor het eerst […] op die avond dat ik […] op die avond dat ik voor het eerst […] en ik was zestien jaar […]’ (24) Aan die sfeer draagt ook de natuurbeleving van Kristeen bij, die ze op een nevenschikkende manier uitdrukt: ‘je te bedekken met windvlagen vol regen en met dekens van mist die geheimpjes verwarmen en met geur uitnodigend gras […]’ (23).
       Nog een laatste voorbeeld, dat ik iets uitgebreider wil behandelen om de leeservaring van de meer uitdagende hoofdstukken uit dit boek te schetsen – hoofdstuk drieëndertig, het eerste van boek drie. Aan het woord is Ginkel, een Nederlandse legeraanvoerder die in de zeventiende eeuw in dienst van Willem III slachtingen aanrichtte in Ierland. Kristeen vermeldt bijvoorbeeld de ‘geslaagde greep naar Limerick door Ginkel de Hollander’ (25). Op een weinig transparante manier vertelt Ginkel een en ander over de ‘maandenlange troebelen’ in Nijmegen en over de ‘onderwerping van de opstandige stad’ (322). We komen ook iets te weten over een aanslag op Willem – ‘des stadhouders val van het paard’ (323) – en over de poging van de opstandelingen om de Fransen te stad te laten innemen: een ‘fransoos’ wordt opgepakt voor verraad, maar volgens Ginkel kon ‘onmogelijk een hugenoot de burgers de toegang (…) hebben belemmerd tot het arsenaal’ (326).
       Zo puzzelt de lezer zich een weg door de roman. Informatie wordt versnipperd aangeboden en ondergeschikt gemaakt aan stijl. Deze roman is geen whodunit – daarvoor is de historische laag ook te mager – en toch ontstaat een spannend puzzeleffect, wellicht doordat de relatief beperkte historische informatie nooit helder wordt gepresenteerd. De stijl van Ginkel valt op door verscheidene tics. Een daarvan is de opeenvolging van zinnetjes met eenvoudige ‘ik + persoonsvorm’ structuur:  ‘Ik koos het rechterpad. Ik struikelde de modder in, lachte met de vogels rondom. Ik struikelde andermaal en lachte met de vogels. Ik moest vooruit door modder en donker’ (325). Een andere tic is het spel met ‘onnatuurlijk’ aandoende woordvolgorde: ‘Intrede doen de mombers in voitures. (…) Zware weerstand plegen de daders (…) Ik vroeg haar die ik aan hem liet andermaal om haar naam, doch vergeten was zij die daar zij vaak rollebolde in een ganse campagne’ (322).
       Derde tic: korte frasen, discontinu gepresenteerd, waarin onderwerp en/of persoonsvorm ontbreken: ‘Hand in roet. Schone ogen strak. Bij de linde, na het krijsen. (…) Veldmaarschalk, eindelijk. (…) Kamp opslaan bij Clarenbeek’ (323-4). Tenslotte een algemeen gebrek aan heldere verhaalopbouw, die al aan het begin van het hoofdstuk culmineert in incoherent geraas van een wellicht aan waanzin grenzende verteller:

       Hoeveel takken kent het vuur als het pijnigt mens en dier? De stoffen waren ruw, doch het meest
       verruwen de geest zijde en satijn. Ik hoor een vreemde kreet. De benen zullen breken. Groteske
       waar van mijn cynisme! Oneigenlijk bevrijd in Stoa! Pathétique funéraire! (321)

Een groot deel van dit hoofdstuk is gewijd aan een eenvoudige herinnering. Wie zich een weg door de dichte taalwoekering weet te banen, kan die als volgt reconstrueren. Ginkel herinnert zich ‘een herberg uit de jeugd’, in de periode van zijn ‘ontdiening’, dus wellicht na zijn militaire dienst (324). Hij gaat die herberg binnen en zakt er neer tegen de lemen muur: ‘Helder en klaar hoorde ik vedels. Ik opende de deur. (…) Ik zakte tegen de muur’ (325). Iemand (een vrouw) buigt zich over hem: ‘Ik boog het hoofd en voelde warmte aan mijn benen’ (326). Vervolgens wordt hij ‘buiten gegooid, in regen en gras’, waarna zij hem naar buiten volgt: ‘zij boog zich over mij’ (327).
       Ginkels staat van dronkenschap en posttraumatische stress weerspiegelt zich echter in de stijl. Zo wordt dit eenvoudige tafereel onderbroken door herinneringen aan ‘verschrikte maagden van Limerick’ en ‘lompige Ieren’ die hij ‘hoog te paard’ voor zich uit dreef (325). Daarnaast wordt Ginkel herhaaldelijk opgeschrikt door verwarde bespiegelingen over de Nijmeegse troebelen: ‘en ik kwam die ene keer te laat, en hadden de burger dezer stad het heft in handen, niet op mij gewacht, ik brieste, mijn hand greep naar de borst’ (326). Deze verhaalopbouw, gecombineerd met de genoemde stijltrucs, creëren een uiterst discontinue leeservaring, die van de lezer uiterste concentratie vereist.

Plooierijen of geschik?

Ondertussen weet ik al weer dat België nog bestaat en dat het met de grijze haren nogal meevalt, maar wat ik van dit boek moet denken? Een leesboek is dit volgens mij niet – de lectuur zal een analyse zijn of niet zijn. Dat is niet noodzakelijk een probleem: de verrukking die ik tijdens het lezen af en toe voelde opborrelen (vanwege een opflakkering van stilistische virtuositeit of een moment van inzicht in de briljante compositie), voel ik tijdens het analyseren vaker en sterker (ik spreek hier bewust enkel voor mezelf). Bestudering heeft voor mij pakweg het hoofdstuk van Ginkel lezenswaardig gemaakt.
       Misschien heeft die verrukking een verzadigingspunt, maar vooralsnog blijf ik geprikkeld door (bijvoorbeeld) de onduidelijkheid over de drie Koreaanse meisjes, en vooral de verhouding tussen Renate en Susan Stigter. Volgens een brief van Fred is Stigter de ‘familienaam van de geadopteerde nicht van Olivier’ (660), terwijl de grootmoeder van Olivier suggereert dat Renate de nicht van Olivier is: ‘dat geadopteerde kleinkind van mij, dat heet Renate’ (267). En zo blijf je bezig. Leuk? Best wel.
       Grote filosofische inzichten brengt Plooierijen van geschik niet: een nogal vaag amalgaam van metamorfose, de complexe samenhang van alles, de veelstemmigheid van de werkelijkheid, spiegeling en zielverhuizing, en een beetje monadologie van Leibniz. Misschien vertegenwoordigt elke verteller een monade, een (deel)perspectief op de volledige samenhang der dingen. De leer van de monade houdt volgens hoofdstuk achtenveertig verband met ‘het openliggend veld der embryonaliteiten dezer (…) wereld achter de menselijke verschijningsvormen’ (490). Achter de verschijningsvormen gaat een virtuele wereld schuil waarin alles krioelt, permanent onvolgroeid blijft en van gedaante verandert?
       Of om het met de titel te zeggen: een veld van plooien waarin niets definitief geschikt is? Hüsgen speelt zelf op die manier met zijn titel: ‘Hoe kun je je ooit schikken in het lot als je niet alle plooien wilt overzien?’ (633) Of nog: ‘ik kan mij voortdurend onttrekken aan het schikken, mij verplooien tot de vele overige mogelijkheden in mijn zin’ (387). Wellicht wil Hüsgen dat we zijn roman zo lezen: als een complex stelsel van plooien dat ertoe neigt zich te onttrekken aan een definitieve schikking. Hoewel dit plooienstelsel zich enkel manifesteert dankzij het maniakale schikwerk dat de compositie van deze roman is. Ik heb bij momenten zeker en vast een glimp van de plooien opgevangen, maar daarvoor heb ik me door soms dikke lagen schikwerk moeten wurmen.

Noten
1. Wellicht is dit het personage Renate. Ze vertelt namelijk dat haar vriendje ‘als Donald Duckie uitgedost’ (102) in het water viel. Een ander Koreaans meisje, Susan Stigter, vertelt in hoofdstuk drieënveertig over ‘Renate’ (433) en ‘het vriendje dat verkleed (…) als Donald Duck in een Disney-gracht’ (434) valt. Maar deze Koreaanse meisjes zijn in de roman niet altijd gemakkelijk van elkaar te onderscheiden.
2. Misschien zit Fred ook wel een verscholen in de hond Fergie. In een brief vertelt hij namelijk dat hij na een stukgelopen relatie met ‘zo’n Koreaanse geadopteerde (…) voor maanden in een inrichting [belandde]’ en ‘er voor de hond Fergie [speelde]’ (660). Die Koreaanse vriendin van Fred ‘[sneed] zich de polsen open’ terwijl Fred onderzoek deed in het ‘Geheime Staatsarchief van Pruisen’ (413). Deze vriendin zou dan Park Dae-Re zijn, oftewel Agnes van den Berg (213), die zich ‘in de polsen’ (217) sneed.