De ruis van robots: Interview met Luc Steels

Verschenen in: Het lied & De wetten

 

 

De ruis van robots

Interview met Luc Steels

 

 

Op een zachte maar druilerige herfstmiddag lopen twee schrijvers over de campus van de Vrije Universiteit Brussel, door een onbegrijpelijk lelijke en futloze betonnen architectuur waarvan we ons niet kunnen voorstellen dat iemand haar ooit op zijn naam heeft willen zetten.

       We stappen op het hoogste gebouw af, waar we op de tiende verdieping een afspraak hebben met professor Luc Steels, oprichter en directeur van het Laboratorium voor Artificiële Intelligentie van de VUB en directeur van het Computer Science Laboratory van Sony in Parijs. Hij geldt internationaal als pionier en innovator in het onderzoek naar de mogelijkheden van kunstmatige intelligentie. Vorige zomer heeft hij voor het theaterfestival van Avignon samen met de Franse toneelregisseur Jean-François Peyret het stuk Le cas de Sophie K. geschreven, dat gebaseerd is op het leven en werk van de Russische wiskundige Sofia Kowalewskaja. Pers en publiek waren zo enthousiast dat het stuk deze lente zal worden hernomen in het Théâtre National in Parijs.

       We melden ons aan bij het laboratorium. Geen cyborg of robot, maar een doodnormale jonge medewerker van vlees en bloed doet de deur open. Alleen in zijn ietwat schuchtere, onhandige begroeting kunnen we met wat goede wil iets nerdachtigs ontwaren dat aan onze verwachtingen beantwoordt. Ook het laboratorium zelf oogt weinig spectaculair. We treffen er een pingpongtafel aan, enkele volgestouwde boekenrekken waarop hier en daar een klein mobiel robotje van legoblokjes immobiel staat te wezen, een rode comfortabele sofa en de Talking Heads, het AI-experiment dat momenteel stil ligt en waarvan Luc Steels na ons te hebben begroet, meteen de bedoeling uitlegt. Twee camera’s staan gericht op een magneetbord waarop diverse geometrische vormen in verschillende kleuren zijn aangebracht. Elke camera is verbonden met een computer die deze vormen moet identificeren en benoemen met zelfgekozen namen. De bedoeling is om na te gaan op welke manier deze computers in staat zijn om aan elkaar duidelijk te maken welk voorwerp ze met welke naam bedoelen. Vanuit hun verschillende cameraperspectieven moeten ze via een vraag-en-antwoordspel met elkaar leren communiceren over dezelfde wereld.

       De schrijvers hebben weliswaar nog geen honger, maar voor de professor is het lunchtijd, en daarom begeven we ons naar het nabijgelegen studentenrestaurant waar ons onderlinge vraag-en-antwoordspel een aanvang neemt, tegen de rumoerige achtergrond van de vele aanwezige talking en drinking en eating heads.

 

‘De grote vraag’, zegt Luc Steels, ‘is of taal het resultaat is van een culturele dan wel biologische evolutie. Steven Pinker, de auteur van The language instinct, legt er heel sterk de nadruk op dat er een taalorgaan is ontstaan, een beetje zoals de longen zouden kunnen zijn ontstaan, of er plotseling een vinger bij komt. Zelf denk ik dat het veeleer een cultureel fenomeen is. Biologisch gezien zou de homo sapiens honderdvijftigduizend jaar geleden zijn ontstaan, misschien vroeger al. Daarna heeft het nog eens honderdduizend jaar geduurd voor we rotsschilderingen begonnen te zien, kunstvoorwerpen enzovoort. Mij lijkt het evident dat als mensen zulke tekeningen maken, er ook taal moet zijn geweest. Maar ik denk niet dat taal een aparte biologische ontwikkeling was. Ik denk eerder dat taal voortkomt uit een meer algemene flexibiliteit. Wij mensen kunnen allerlei dingen samenbrengen en ons brein herconfigureren. We kunnen van alles linken dat voor een dier min of meer vastligt. Dat is de theorie die ik probeer te ontwikkelen, ik noem dat in het Engels de Recruitment Theory.

       Heel veel zaken brengen we samen in taal. Op de een of andere manier kunnen we over alles spreken. Over wat we zien, sociale relaties, onze gevoelens. Dus op de een of andere manier hangt in onze hersenen alles zo’n beetje samen met alles. Dat moet in ons hoofd met elkaar verbonden zijn, anders kan het niet werken.

       Ik denk dus dat er een zekere flexibiliteit bestaat in onze hersenen en in de manier waarop onze hersenen zich structureren, vooral bij kinderen. En door die flexibiliteit is er van alles mogelijk wat voordien niet mogelijk was, onder andere taal. Want ook dieren communiceren met elkaar, ze hebben ook gevoelens in zekere zin. Dieren kunnen ontzettend veel.

       Die flexibiliteit staat eerst nog los van taal. Die zie je ons ook gebruiken voor de organisatie van een dorp of samenwerking tijdens de jacht.  In die capaciteit van de mens, die extra flexibiliteit, zit het verschil met bijvoorbeeld apen. En dus niet in een bepaalde component in onze hersenen of in een bepaalde manier van kijken. Er zijn dieren die een veel scherpere perceptie hebben dan wij, die sneller kunnen lopen of beter kunnen horen, er zijn dieren die meer brein hebben dan wij... Ik bedoel, het is heel moeilijk om te zeggen wat er nu uniek is aan de mens. Die flexibiliteit is langzaamaan gebruikt om cultureel een taal te maken. Het is geen instinct, maar een uitvinding.’

 

Gaat er dan een soort denken aan taal vooraf?

 

‘Ja. Apen hebben geen taal in de menselijke zin van het woord en toch onderhouden ze heel sterke sociale relaties, dominantierelaties en al die facetten waar Frans de Waal over schrijft. En die spelen natuurlijk ook een rol in hun handelen. Ze hebben ook een geheugen, ze kunnen zeggen: ha, die heeft mij graag, die heeft mij niet graag, die is sterker dan ik, dat vrouwtje zou ik wel willen. Maar wij kunnen daar allemaal over praten, wij kunnen daarover tobben... Eigenlijk heb je twee soorten van denken. Je hebt een soort intuïtieve informatieverwerking, terwijl je aan de andere kant ook echt denken hebt, waarbij je bijna een stem hoort, in jezelf, ook als je aan het schrijven bent. Dat is je taalsysteem dat bezig is. Het creëert geen taal naar buiten toe, maar maakt taal binnenin, zonder dat het extern wordt.’

 

Een van onze fundamentele vragen zou zijn: is de computer wel het aangewezen instrument om taal te onderzoeken? Computers werken digitaal en taal is naar ons oordeel in wezen analoog. Slechts een heel beperkte taal werkt zuiver logisch. In de meeste talen is A niet A: een woord kan een massa dingen voorstellen. En daarom is een machine misschien geen handig onderzoeksinstrument. Tenzij er analoge computers zouden bestaan natuurlijk.

 

‘We kunnen  perfect in een computer analoge stappen implementeren. Mensen denken soms dat computers alleen logisch kunnen denken, maar dat is helemaal niet waar. Je kan in een computer om het even welk proces implementeren. Je kunt de wolken simuleren, het gedrag van een cel... De computer staat daar neutraal tegenover. Het is ook niet zo dat een computer telkens hetzelfde doet. Zeker een robot handelt nooit twee keer op dezelfde manier. Die robot is onderhevig aan de werkelijkheid, de toevalligheid, randomness. Je kan immers in een computer een random getal genereren. Het is dus niet zo dat we, als we een computer programmeren, weten wat er gaat gebeuren, het is niet te voorspellen wat hij gaat doen.

       Dat toeval, die randomness is trouwens nodig om robuust te zijn ten opzichte van de wereld.’

 

Als elk mentaal proces kan worden gesimuleerd in een robot, acht u het dan mogelijk dat robots de menselijke geest zouden gaan overvleugelen? Of dat ze ooit literatuur zouden kunnen produceren die wij relevant vinden?

 

‘Twee jaar geleden werd daar een symposium aan gewijd. Kunnen computers poëzie schrijven? Ik was de enige die zei dat computers dat niet konden. Al die dichters vonden dat het toch zou moeten kunnen.’

 

Ray Kurzweiler, een wereldberoemd computerspecialist, geeft voorbeelden van computergedichten die amper te onderscheiden zijn van de originelen waarop ze gebaseerd waren.

 

‘Er zal altijd een enorme kloof blijven tussen de mens en zo’n machine, al was het maar omdat het lichaam van de mens allerlei eigenschappen en manieren heeft om te interageren met de wereld, die zo’n robot nooit zal hebben. Het zijn gewoon twee verschillende soorten intelligentie.

        De bedoeling van artificiële intelligentie is niet het simuleren van menselijke intelligentie. Dat is een heel groot misverstand dat onder meer door Turing in de wereld is geholpen. Daar zijn we gewoon niet mee bezig, dat is niet de bedoeling. De bedoeling is te onderzoeken hoe intelligentie werkt en ideeën door te geven aan neurowetenschappers.  Daar is een hele sterke interactie tussen. Maar voor ons gaat het niet om de Turing-test of om de mens na te bouwen.’

 

Maar in principe is het dus wel mogelijk; u beweert tenminste dat alle mentale processen gesimuleerd kunnen worden.

 

‘Nee, de embodiment, het menselijk lichaam is erg belangrijk. Ook de menselijke sociale interacties zijn belangrijk. Ons brein moet qua complexiteit te vergelijken zijn met zoiets als het regenwoud. Wat niet wil zeggen dat je niet van alles te weten kunt komen over dat regenwoud: over voortplanting en diversiteit van soorten. Ontzettend veel. Je kan laboratoriumplanten laten groeien en meer zon geven of minder water om te zien wat er gebeurt. Het onderzoek naar AI moet je dus zien als een wetenschap, zoals biologie. De computer is een instrument om diverse aspecten van de menselijke intelligentie te onderzoeken. Maar ik ben daarin heel bescheiden. Voor mij is de mens ongelooflijk gecompliceerd. Het brein kunnen we ons amper voorstellen, dat zijn miljarden cellen die allemaal nog links met elkaar hebben. Er zijn cellen die honderdduizend links hebben met andere cellen. Je hebt te maken met een systeem dat alleen al qua hardware ongelooflijk is. En al kon je die hardware nabouwen, dan zit je nog met heel het groeiproces dat daar plaatsvindt en dat voor constante verandering zorgt. Onderzoek daarnaar is absoluut niet denigrerend voor de mens, integendeel. Door dat onderzoek te verrichten besef je pas hoe ongelooflijk we wel zijn.’

 

Ons lijkt de grote moeilijkheid de stap die een machine zou moeten kunnen zetten tussen iets en zijn symboolwaarde. Dat een woord eigenlijk op zich niets te betekenen heeft behalve een paar klankgolfjes in dit geval, maar ook verwijst naar iets buiten de taal. Is een machine echt in staat om die stap te zetten?

 

‘Ik vind van wel, ja. Als je een robot hebt die hier met ons aan tafel zit en je vraagt de melk, dan kan die robot zeggen: ah, de melk, hier is de melk. Zo simpel is het. Dus hij slaat de woorden niet alleen op, maar begrijpt ook waarnaar ze verwijzen in de werkelijkheid waarin we ons bevinden. Al onze experimenten gaan daarover: hoe is zoiets mogelijk? Het kan natuurlijk niet zo zijn dat het een kwestie is van dat allemaal te programmeren. Het zijn de agents zelf die moeten leren wat de betekenis is van een woord. Of ze moeten nieuwe woorden kunnen uitvinden, nieuwe betekenissen maken, dat is de clou van de zaak. Ik denk dat onze experimenten bewijzen dat zoiets kan.’

 

Maar, nogmaals, zouden ze dan ook niet in staat kunnen zijn om literatuur te produceren? Wat sluit deze mogelijkheid uit?

 

‘Literatuur of theater, kunst zal ik maar zeggen, gaat over het maken van representaties. Daarmee bedoel ik dat er in de eerste plaats betekenissen gekozen worden en daar begint het al, in dat kiezen: welke betekenissen wil ik uitdrukken? En dan heb je de manier van het uitdrukken van die betekenis die absoluut niet rechtlijnig is, die niet voor de hand ligt, maar deels moet worden uitgevonden. En ten slotte heb je nog het interpreteren van de dingen, want het is niet alleen het maken dat telt, maar ook het hele beeld kunnen zien en er ervaringen mee hebben, er je eigen betekenissen in leggen. Heel dat proces van het maken van representaties, daar gaat het om. Het begint eigenlijk met de vraag hoe betekenissen tot stand komen. Betekenis is iets wat wij belangrijk vinden in onze interactie met anderen en met de wereld. Ik weet wel dat er mensen zijn die een grammatica hebben gemaakt van poëzie of van muziek, en daarna met een random generator zinnetjes gaan produceren. Je leest dat en je denkt: tiens. Maar ik vind niet dat de computer op dat moment literatuur maakt. De computer doet alsof, hij bootst de grammatica die de mens erin heeft gestoken, zo’n beetje na. Dat is geen literatuur maken.

       Het kan zijn dat een interpretator, iemand die iets leest of ziet, dezelfde reactie heeft op iets wat geschreven is door een machine als op iets wat van een mens komt. Dat is best mogelijk. Maar voor mij is dat niet de definitie van AI, want het mirakel zit nog altijd volledig bij de mens.’

 

U vindt dus de intentie van degene die kunst produceert belangrijk.

 

‘Ik vind van wel, ja. Ik vind dat kunst een dialoog is tussen twee mensen. Meestal toch. Wat er juist zo bijzonder is aan een goed werk – een roman of een theaterstuk – is dat er oneindig veel betekenissen in zitten en dat er heel veel interpretaties mogelijk zijn. Dat je in elke periode opnieuw kunt gaan interpreteren en nieuwe betekenissen toekennen, dat is de kracht van het werk.’

 

Zou het verschil tussen mens en machine als volgt mogen worden gespecificeerd? Stel, wij zijn als schrijver aan het broeden op iets, zonder dat onze aandacht naar iets speciaals uitgaat: een vage toestand waarbij van alles kan komen aanwaaien, ideeën, beelden, wat dan ook. Maar het cruciale lijkt mij niet het komen aanwaaien daarvan, maar de kleine stap die we achteruitzetten om een idee op zijn vruchtbaarheid te beoordelen. En dat is net dat zelfreflecterende, waarvan het me heel moeilijk lijkt om in een computer te programmeren. Hij zou achteruit moeten gaan staan, afstand nemen van zichzelf en kijken: wat heb ik hier nu in godsnaam bedacht en wat ben ik ermee?

 

‘Dat vind ik ook heel belangrijk. Bij het maken van literatuur of andere vormen van kunst is degene die bezig is iets te maken, ook gevoelig voor zijn eigen ding. Ik bedoel: je schrijft een tekst en dan lees je die opnieuw alsof het de tekst is van een ander. Op dat moment zet je al die processen in gang die een lezer ook ondergaat. Je merkt: dat werkt hier niet, schrappen maar, of hier moet een ander woord. Het is dus niet alleen het produceren, maar ook het constant interpreteren. Die twee hangen nauw samen. Echt geweldige kunstwerken laten altijd opnieuw heel veel betekenissen naar buiten komen. Dat vind ik persoonlijk het interessantste.’

 

Vervolgens willen we het hebben over het toneelstuk dat Luc Steels heeft geschreven voor het theaterfestival van Avignon. Maar het valt ons op hoe lawaaierig het intussen geworden is in het studentenrestaurant. Het complexe onderwerp van ons gesprek vraagt misschien toch wel om een wat rustiger omgeving. We begeven ons dan ook naar het kantoor van de professor, tien hoog met een kamerbreed en uitermate genietbaar panoramisch uitzicht over de Brusselse binnenstad. Zo verstandig is de architect destijds dan toch geweest.

 

‘Wat ik gedaan heb,’ zegt Luc Steels, ‘is een paar wetenschappers bijeenbrengen, die specifieke dingen wisten over die periode of over de toestand van de wiskunde en de fysica op dat moment. Gewoon om het personage Sofia Kowalewskaja te doorgronden eigenlijk. Dat was een ongelooflijk fascinerende ervaring, moet ik zeggen. Een van de scènes bijvoorbeeld gaat over de schoonheid van de wiskunde. Ik had een tekst genomen van Poincaré, waarin hij over la beauté de la mathématique spreekt. Tegelijkertijd waren er drie actrices van wie enkel de gezichten  gefilmd werden en op een scherm geprojecteerd. Je zag eigenlijk alleen hun lippen. Dat werd iets heel ontroerends. De schoonheid van vrouwen die een verhaal over de schoonheid van de wiskunde brachten. Op die manier ging het bijna constant: heel abstracte begrippen als chaos werden vertaald of gerepresenteerd in de muziek, in de activiteiten van de acteurs, of in de teksten. Het werd dus nooit een didactisch ding over chaos.

       Er zitten ook een aantal politieke lijnen in, omdat Kowalewskaja zeer begaan was met het feminisme en met de vrouwenstrijd in wetenschappelijke kringen. Verder is er nog de nihilistische beweging uit de negentiende eeuw in Rusland, waar de wortels van het terrorisme liggen. Zelf voelde ze zich voor een keuze geplaatst: ga ik in het terrorisme, zoals sommige van mijn vrienden en vriendinnen, of vlucht ik weg in de wiskunde als op een soort vluchtheuvel. Voor iemand die haar enkel als wetenschapper kende – we hadden ook een aantal wiskundigen uitgenodigd – was dat een openbaring, die persoonlijkheid. Voor mij trouwens ook.’

 

Omdat ze enkel het werk kenden en niet de persoon?

 

‘Ja, zij kenden die naam, zoals ze de naam van Poincaré kenden. Iedereen heeft daar wel eens van gehoord, maar niemand weet welke persoon daar achter steekt. Dat is een groot verschil met schrijvers, die als persoon veel sterker op de voorgrond treden.’

 

Waarom hebt u de stap naar het theater gezet? Uit onvrede met de wetenschap of gewoon uit nieuwsgierigheid?

 

‘Neenee, ik heb eigenlijk die stap niet gezet. Jean-François Peyret kende mij al van vroeger. Hij heeft een paar stukken gemaakt over Alan Turing en over Darwin en hij had vrij regelmatig gesprekken met mij over hun inhoud. En dus hebben we op een gegeven moment besloten om iets samen te gaan doen, waarna we op dit personage zijn uitgekomen. Het is dus niet zo dat ik absoluut theater wou doen of naar iets op zoek was. Het is misschien ook het enige stuk dat ik ooit zal schrijven. Maar ik vond het wel ongelooflijk interessant uit verschillende standpunten. In de eerste plaats zit je als wetenschapper in een strak stramien. Je moet ongelooflijk veel tijd spenderen aan formele berekeningen, ook bij computerprogrammering en bij experimenten. Dat is enorm opslorpend. Je verliest een beetje je menselijkheid. Zelfs Darwin zei op een bepaald moment: vroeger was ik dol op Shakespeare en luisterde ik naar muziek, en nu is mijn kop een machine geworden om feiten te bekijken, te generaliseren en daarover teksten te schrijven. Dat was ook de reden waarom Kowalewskaja zelf romans schreef: om de ontmenselijking tegen te gaan.

       Voor zo’n theaterstuk werk je met een ploeg. Dan gaat het ineens over mensen en emoties en levensbeslissingen en over analogie en metaforen, al die dingen. Alsof je water in je kop giet op de plekken die een beetje verdord zijn. Dat is de reden. Ik heb trouwens nog met andere kunstenaars gewerkt, zoals Anne-Mie van Kerckhoven. Een bijkomende reden is dat representaties me interesseren: het maken ervan en hun werking. Dus kon ik geprivilegieerd meedoen aan zo’n heel proces van acteurs, regisseur, belichting, muziek. Ik heb enorm veel ontzag voor de menselijke capaciteit tot artistieke expressie.’

 

Je zou er ook minder eerbiedig tegenaan kunnen kijken.

 

‘Op dat symposium over poëzie waren het tot mijn verrassing de dichters die vonden dat computers misschien wel iets zouden kunnen gaan betekenen.’

 

Misschien zit daar vrees achter. Een voorgevoel van overbodigheid.

 

‘Ik weet het niet. Maar voor mij is Peyret in elk geval een genie op het vlak van theater. Ik ben geen expert natuurlijk, maar ik heb gezien hoe hij dat allemaal heeft gedaan. Ongelooflijk.’

 

Acht u taal zoals wij mensen die gebruiken, absoluut onontbeerlijk om tot intelligentie te komen.

 

‘Volgens iemand als Chomsky heb je een intern representatiesysteem en is de taal een vertaling daarvan, het extern maken van iets wat intern al aanwezig is. Door te spreken maken we onze gedachten. Of door te spreken met elkaar gaan we elkaar gidsen hoe we de wereld zien. Daarnaast heb je een soort inwendige stem. Je spreekt, maar met jezelf. Het is je taalsysteem dat de dingen maakt. En daarbij maak je betekenissen of haal je de betekenissen boven die je nodig hebt. Voor mij hangt dat heel nauw samen. Ik denk echt dat taal eerst als communicatiesysteem is ontstaan en vervolgens pas intern is geworden, als denkproces waarbij je tegen jezelf praat. Dat is cruciaal geweest in de ontwikkeling van de menselijke intelligentie.’

 

Je zou kunnen denken dat een computer misschien wel intelligentie maar geen menselijke taal nodig heeft om informatie te verwerken. En dat hij minder last heeft van beperkingen die inherent zijn aan de menselijke intelligentie. Juist omdat er geen natuurlijke taal mee gemoeid is.

 

‘De taal van die artificiële agents hoeft daarom niet de menselijke, natuurlijke taal te zijn. Maar ik denk wel dat ze dezelfde eigenschappen moet hebben.’

 

Moet ze niet eenduidiger zijn en minder ruis bevatten?

 

‘Ik denk dat dat inderdaad onvermijdelijk is.’

 

En ook minder ik-gericht zijn, minder subjectief, minder gestoeld op voor ons noodzakelijke illusies als zelfbewustzijn.

 

‘Dat zijn toch allemaal prima dingen.’

 

Ja, maar zou een machinale intelligentie niet zonder kunnen? Ook individueel zelfbehoud hoeft voor een machine geen punt te zijn. Het gaat om het behoud van het systeem of het behoud van informatie. En ze zou het trouwens ook zonder aardse omgeving kunnen stellen. Zou haar taal dan niet iets kunnen zijn wat volstrekt onvergelijkbaar is met onze natuurlijke talen?

 

‘Goed, we sturen een kolonie robots naar Mars. Hoe gaan die met elkaar communiceren?’

 

Die gaan zeker geen gedichten of romans schrijven.

 

‘In het begin misschien niet, nee. Maar op Mars zijn allerlei dingen die niemand ooit heeft gezien en waar geen woorden voor bestaan. En die robots kijken naar Mars door sensoren die wij niet hebben. Zij hebben een beeld van de werkelijkheid dat ons niet gegund is. Zoals een aardworm, die heeft ook een ander sensorisch beeld van de werkelijkheid. Of een spin. Maar dan nog zullen ze moeten categoriseren. En als ze willen communiceren met elkaar, zullen ze op een bepaald moment moeten zeggen: er ligt een grote rots links van u. Perspectief zal onvermijdelijk zijn. Zeker als er een lichaam in de werkelijkheid aan te pas komt, hebben ze dezelfde problemen als wij. En ik geef toe, het zelfbewustzijn is een goede vraag. Waar is het goed voor, zit het ik ons eigenlijk niet in de weg?’

 

Het kost erg veel energie.

 

‘Dat kost heel wat energie, maar in de biologie is niets toevallig. Zelfs zo’n grote, in de weg zittende pauwenstaart dient tot iets, al was het maar om de vrouwtjes te lokken. Ik denk dat er goede redenen zijn waarom we een bewustzijn en een zelfbewustzijn hebben, en taal. Je ziet mensen in de psychiatrie belanden, als het ik in elkaar zakt.’

 

Er zijn ook wijsheidsleren of mystieke leren, die stellen dat het ik een illusie is die we moeten laten varen.

 

‘Ja, dat is trouwens ook heel interessant, die meditatietechnieken. Die doen eigenlijk iets met een soort van re-entrance. Ze maken een soort lus zodat je perceptie en je denken teruggebracht worden naar het brein, waardoor je brein in een soort loop terechtkomt. Wat je kunt meten trouwens.  Het systeem wordt op de een of andere manier gemanipuleerd om iets te doen, maar niet wat je verwacht dat het doet. Door meditatietechnieken breng je je brein in een bepaalde toestand, zodat er eigenaardige neveneffecten optreden. Dat is ook wat die boeddhistische monniken nastreven: het moment van verlichting is een soort ervaring van het brein dat in een buitengewone toestand komt. Met apparaten kunnen er eveneens neveneffecten optreden die niet voorzien en ook niet nuttig zijn.’

 

Maar deze onvoorziene en zelfs onnutte neveneffecten worden door sommigen nu juist gezien als de meest waarachtige en na te streven toestand.

 

‘Het zal wel een kick geven, neem ik aan.’

 

En daarmee is het onderhoud afgelopen.

Vreemd, denken we wanneer we terug buiten staan. De mystieke ervaring is maar een bizar neveneffect van onze hersenwerking, maar kunst laat Luc Steels dan weer wel in zijn waarde. Volgens hem bezit het schoonheid en betekenis die alleen door mensen kan worden voortgebracht en alleen door mensen kan worden begrepen. Schrijvers en kunstenaars die er hun vruchtbare uren aan wijden hebben dan ook niets van computers te vrezen. Machinale intelligentie zal hen niet dwingen zichzelf heruit te vinden. Ze kunnen blijven doen wat ze al eeuwen doen. Vreemd. Het voelt aan alsof we ons inwendig hadden schrap gezet tegen een veel radicalere en vernietigender boodschap dan we uiteindelijk te horen hebben gekregen. De mentale spankracht die we niet hebben hoeven gebruiken, sijpelt tot onze bevreemding langzaam uit onze geesten weg. Lang geleden dat we nog iemand hebben gesproken die kunst zo belangrijk vond.