De man die een woord uitvond

Verschenen in: Het lied & De wetten
Auteur: Kamiel Vanhole


Kamiel Vanhole

De man die een woord uitvond

 

 

Als kind schijn ik een koppigaard geweest te zijn.

       Ik kwam uit een gegoede Brusselse familie, studeerde stoïcijnse filosofie in Leuven, maar weigerde de graad van meester in ontvangst te nemen. Een titel was maar een bron van trots, vond ik. Mijn bezittingen schonk ik aan mijn zus.

       Om het lot van de mensen te verbeteren ging ik medicijnen studeren. Ik werd benoemd tot chirurg, maar kreeg de schurft. De galenisten behandelden me met laxeermiddelen, zodat ik een hekel kreeg aan de galenisten. Om de diverse vormen van geneeskunst te vergelijken, begon ik door Europa te zwerven. Van mijn schurft  werd ik verlost door een Italiaanse kwakzalver die zwavel gebruikte, en kwik.

       Ik trouwde met Margaretha van Ranst en begon een praktijk in Vilvoorde, maar in plaats van planten te gebruiken, sloot ik me op en prepareerde mijn medicijnen in een primitief laboratorium. De oven, de smeltkroes en de distilleerkolf waren mijn geliefkoosde instrumenten. Men noemde me vuurdokter. Ik weigerde geld van mijn patiënten, genas er vele, maar kon niet beletten dat mijn vier kinderen en mijn vrouw aan diverse kwalen bezweken.

       In de stad waar ik geboren was, bestonden nog geen riolen of vuilniswagens, en ook geen koelkasten. Het vuil stroomde in de goot langs de straat, de trottoirs waren hoog. ’s Morgens werden de pispotten leeg gekwakt, ’s avonds gooide men etensresten uit het raam. Men geloofde dat vuilnis ratten verwekte en dat eenvoudige levensvormen konden ontstaan door spontane generatie.

       Om bijen te maken bijvoorbeeld moest je een jonge stier doden en die rechtop begraven, zodat de horens boven de grond uitstaken. Na een maand zou er een zwerm bijen uit het kadaver opstijgen.

       Zelf stelde ik een recept samen om muizen te maken. Men neme een vuil hemd, donker van zweet. Men stoppe het samen met een paar tarwekorrels in een open kruik en men wachte tot de gist van het zweet door de vliesjes van het graan is gedrongen. Na eenentwintig dagen zullen uit de samensmelting van hemd en graan muizen zijn ontstaan. Eigenaardig was wel dat ze meteen volwassen waren. Er zaten mannetjes en vrouwtjes bij en ze waren perfect in staat zich voort te planten met hun reguliere soortgenootjes.

       Waar is de zetel van de ziel? Die vraag kwelde mijn tijdgenoten. Waar is de ziel gehuisvest?

De ziel woont in de maag, antwoordde ik. Op z’n Belgisch? Wie slecht nieuws kreeg, verloor zijn eetlust. Omgekeerd ging iemand die uitgehongerd was van schranspartijen dromen, omdat de maag over zijn eigen gemis mediteerde.

       Steeds meer raakte ik ervan overtuigd dat de materie onverwoestbaar was. Metalen konden worden ontbonden en ogenschijnlijk verdwijnen, maar dat was omdat ze zich verstopten. De kunst bestond erin ze door andere reacties weer tevoorschijn te roepen.

       En ik woog. Alles woog ik. Ik plantte een jonge wilg in een bak, woog de aarde en gaf gedurende vijf jaar gedistilleerd water aan de boom. Daarna stelde ik vast dat de wilg merkelijk zwaarder was geworden, terwijl het gewicht van de aarde amper was afgenomen. Dit bewees dat een boom geen aarde at, maar wel water in hout kon veranderen. Net als de Turkse Griek Thales geloofde ik dat alles uit water was opgebouwd.

       En dan was er nog iets, een onzichtbare materie die alsnog geen naam had en die toch anders was dan de ons omringende lucht. Ze kon het resultaat zijn van gistende wijn, van maagoprispingen en van het verbranden van houtskool. Koolzuur zouden we nu zeggen, CO2, maar die termen bestonden nog niet. Om het fenomeen te kunnen duiden moest ik een ander woord verzinnen, een term die nog dagelijks door miljoenen mensen in de mond wordt genomen.

       Want dat is het godswonder: de werkelijkheid ontstaat uit de taal.

       Niets bestaat wat niet in woorden is gegoten en wie een nieuwe naam geeft, gooit de deuren van de waarneming open.

       Volgens het wnt werd het woord ‘geheel willekeurig, door [mij] uitgedacht, waarbij [mij] echter het Grieksche cáoV voor den geest zweefde, dat [ik] naar het Nederlandsche klankstelsel wijzigde: chaos, chas, gas.’ Ik getuigde het zelf: ‘Hunc spiritum, incognitum hactenus, novo nomine Gas voco.’ – ‘Deze tot nu toe onbekende geest duid ik met de nieuwe naam Gas aan.

       Dit gas bleek een luchtvormige, veerkrachtige vloeistof te zijn, welker deeltjes de eigenschap hadden zich zoveel mogelijk van elkaar te verwijderen en zich aldus in de ruimte te verspreiden. Het is ’samengesteld uit onzichtbare atomen die bij intense kou samenkomen en zich dan verdichten tot minuscule druppels’.

       Van dit gas ben ik de ontdekker: Jan Baptist van Helmont.