Over de struktuur van vermijdingsangst en dubbele dystemie

Verschenen in: Het lied & De wetten


Over de struktuur van vermijdingsangst en dubbele dystemie

 

 

 

Marokkaanse specialiteiten ook om mee te nemen

(Negen apodictische berichten)

 

Het is zondag 4/01/04 en uitkijken is dus de boodschap, amateursigaren dienen heden niet gerookt, en als ik dood ben steek dan mijn kleren in brand op de Troonplaats bij de Pizzaphone.

Spugelugen = spogelogen, participe passé!

En van verloedering (kom allemaal mijn mesthoop eens bezien) en vervuiling (kom allemaal eens de zwaarte en de zwaartekracht, de zwaarmoedigheid en de zwaarwichtigheid van de stront in mijn onderbroek eens betasten) ben ik gevaren tot aan de verschrompeling, schroot of schrot of iet, vertrappeld en vertrapt, verveegd door oranje tornado’s en verbrand door gele scheten van Plas.

(Dichter ben ik evenwel gekomen bij het vinden van de vondst.)

Klein incident, geen groot accident.

Veroordeel mij niet want ik heb nooit mijn broeder of mijn moeder vermoord.

Hier zie, een cadeautje v/d voorzienigheid, zes kilo stront, tegen dat ge weer eens schijterij krijgt.

(En ’t is niks als ge valt, als ge maar niet blijft botsen.)

Lange distantie informatie geef mij onmiddellijk te Kessel-Lo Kamiel, wij moeten spreken over een automobiel!!!

Het botert weer niet erg tussen mij en m’n bestaan, wat lult die vent de hele tijd en wat staat heel Europa hier te kijken terwijl ik hier alleen maar zit te zeiken.

Ik zou de lotto of de joker moeten winnen, dan had ik een beetje terneis en nog wat ternizi, dan was ik efkens binnen en misschien mocht ik dan van ma en pa in de Kaspische, vuile Turk.

Nu alweer zware koppijn.

Uw enige probleem is uw ANOREXIA zei dokter De Raedemaeker en die komt voort uit de schizo-affectieve stoornis die in uw vader zijn zaad zat, stuur uw vader eens langs.

Ik zeg pa is vijf jaar dood en moeder bijna.

 

*

 

En koopt gijlie allemaal eens bij BAFIN een AKA 47 zo lang als uw arm en steekt gijlie die eens allemaal in de kut van Manuela Rickers dan hoort gijlie, wellicht in ullie stervensuur, een gitaarsolootje waar Jimi Hendrix flauw zou van vallen en appelblauwzeegroen uitslaan.

Ik zei tegen C diepe innigheid wordt nooit gesproken maar altijd gezongen in een lied, we waren het hierover eens en zaten samen neder en weenden.

Ozzen bella, dat was de beste, dat was tenminste een echte Bartók, algehele vertwijfeling op Imelda i.v.m. ozzen bella, daar kondt ge tenminste nog ergens mee komen.

In deze cel is geen liefde, soms komt er iemand met het beest, gaat dan weer voor eeuwig zijns weegs, wie weet waar nu nog naartoe.

Het is een vreemde tijd, aan het begin ziet ge er het einde niet van en aan het einde ziet ge het begin er niet meer van.

In de stilte van de nacht wandel ik met het beest en in de hitte van de nacht slaap ik met het beest.

En nu is ’t weer halftwee, 1/2 2, bezie dat en krijg van minder het stiet of iet.

 

*

 

Er moet meer liefde zijn en ik wil sterven in mijn slaap, dat is mijn mening en mijn wens, maar mijn leven is nog zo lang, misschien zelfs dagen of godbetert weken en hierover nadenken of hierbij stilstaan is mij nu niet meer gegeven.

En misschien uit ik vlak voor mijn verscheiden nog een laatste wens, al zal het eerder de ultieme vervloeking zijn van mens en medemens.

Nu nee straks slappe, waterachtige drasj voor slappe lullen, onmiddellijk inktzwarte koffie voor stokken, levenslang voor rottende karkassen.

En zonder een enkele, eenzame uitzondering draagt ieder mens tot aan het eind van zijn dagen zijn stempel met zich mee, een appelblauwzeegroen gespikkeld brandmerk van een swastika in z’n bungelende scrotum.

En aan de gezichten van de jonge meisjes in de fleur van hun leven merkt ge spoorslags hoe hun harten en hun zielen verstenigen en verbenigen en als het exuberante licht dat tot ons komt uit een ons vooralsnog onbekend zonnestelsel schijnt mijn pijn, zwart als kool, steenkool, antraciet, pek.

Einde van dit apodictisch bericht, haak gewoon in of druk op hekje voor verdere opties en voor inlichtingen over de afschaffing v/d mantelzorg.

 

*

 

Zopas vertraagde het verkeer, maar wij, koningen v/d aardgeesten, wij strompelen al eeuwen en eeuwen verder en verder op stompen, vraag het de hakker en geef hem een tongzoen.

(Johnny ge zijt geen engel, Ronny ge zijt een echte bengel, maar alles wordt u vergiftigd nee vergeven.)

Het is nog maar 1/2 acht, ik weet niet ’s morgens of ’s avonds want dezer dagen is duisternis immer en alom, alleszins wordt het een lange dag of een lange nacht.

0486/53 87 69? Dat is nog maar de vraag als plots uw zaad u te binnen schiet, tot in de moleculen van uw pancreas.

Ik ben niet alleen want buiten rijden drie camions voorbij, Jozef, Maria en Jezus.

De maker was een handgekapte bouwvakker en wanhoop is geen waanhoop maar een diep in het strottenhoofd verankerde verkankerde kreet om tederheid.

God temmen is moeilijk, maar Satan ketenen als ge zonder kluisters zit is als zaaien in dorre, droge grond, zoals ikzelf vruchteloos zaaide in het murwste holst van het Kieken Kokodee.

In mijn hevigste stormen bergt de haven van C mijn zwartste gedachten die huilen en schreeuwen van diep onder de baren.

Ik herinner mij een lied maar ik ben de woorden en de melodie vergeten.

 

*

 

Uitsluitsel. Ik eis uitsluitsel, in dit hok wil ik niet blijven, ik wil terug naar waar ik eertijds vandaan gekomen ben, de catatone sector, het is tenslotte een vrij land en ik wil toch alleen maar dood, niet gelijk gijlie die met ullie varkenssnuiten in de modder en de mest en de stront wilt liggen ploeteren en snoeteren.

En ook ik heb bloed aan m’n handen, evenwel slechts het bloed van opengescheurde puisten, een weinig stigmata.

Vanavond is er een film van Lars von Trier, vanavond staat mijn hoofd naar hang u ergens aan op, Kameraad Kandelaar.

Mijn bewustzijn is gekerkerd in een harnas waarvan de scharnieren beginnen te piepen en dus, garage Van Gastel, maakt dat ge hier zijt met uw smeerolie, ik zeg smeer, niet bakken of braden, geen vloeibare Bertolli of iet, onnozelaar dat ge zijt.

Iemand voorspelde me erg lang geleden dat dit alles me zou overkomen, ik kan me niet herinneren wie het was maar het was niet Nostradamus.

En ik wil stante pede met ons ma klappen maar ons ma is al vijf jaar dood en hoe kan ik nu stante pede met ons ma klappen als ons ma al vijf jaar dood is.

Onze pa heb ik niks te vertellen dan snottebellen.

Banbericht. Verdwijnt allemaal eindelijk eens uit mijn geburen en dat ik ullie nooit meer zie, behalve als ik blind zal zijn.

Ik reutel als ik adem, maar mijn graf is diep, wel twintig vadem.

En de monotonie van deze eenzame dagen en deze eenzame nachten is alleen vergelijkbaar met onophoudelijke voortdurende constante chronische incontinentie, de stront die vloeit en sproeit uit reten en kieren, verpulverde endeldarmen en rotte sluitspieren.

En het bijkomend getal is nul, bros.

 

*

 

Nu ik blind ben en niet meer zing, nu ik doof ben en niet meer spreek, nu ik stom ben en niet meer hoor, nu ik transparant geworden ben, hebben ze mij hierheen gekeild, hier waar existeren de enige mogelijkheid is, in zot geweld en zonder geld. Maar ik kan schrijven en dus schrijf ik. Ik schrijf de mottigheid en de walg van zonder tand, wat nu gezongen, misschien een nieuw lied, nu ja, het lied van een oude tandeloze tovenaar is rap gezongen en zoals ieders wens is het ook mijn eigen wens om bemind en geliefkoosd te worden, waarom dan word ik verstoten, ik ben tenslotte slechts een tandeloze Zardoz en geen pruimeloze kol, want tenslotte ben ik een man, maar ben ik een man of ben ik gruis, est-ce que je suis un gruselement, un gruzleman, un musulman?

Et puis, et alors, psycho killer, qu’est-ce que c’est, loop toch weg, loop toch ver ver hiervandaan, loop toch naar Niger, waar ze uw kop afkappen en savoureren als hoofdgerecht, hun duimen likken bij uw tenen als nagerecht en uw piet in de grond steken omdat er bonsaiboompjes uit bloeien, bloeden, fistels, zweren in uw gat, besmoddering en besmeurnis, en bonsaiboompjes zijn geld waard in populaire spelprogramma’s, iedereen wil ze hebben, wie weet nu nog, in deze eerste donkere dagen van alweer een donker jaar, wie weet heden ten dage nog waarom Kamiel en ik poedelnaakt staan tentoongesteld in de vele, vele bonsaicentra, net nu het regent en hagelt en sneeuwt en vriest dat het kraakt, als kabouters dan nog, terwijl wij van hitte zinderende Kolossen van Rhodos zouden moeten zijn en gvd Arctica en Antarctica overschaduwen en in onze schaduwen doen smelten als roomijs in de hitte v/d Sahara.

 

*

 

Onderweg naar het orfanotrofium ben ik mank vanbuiten en vanbinnen kreupel.

De weg is lang en rotsig en mijn geleidehond is blind en heeft maar drie poten, leg het maar uit aan uw stoet vazallen, een slappe dood is wat mij wacht.

En het is weer eens tijd dat we schaterlachen om wat is geweest en huilen om wat komen zal.

Er is een tijd om te janken en er is een tijd om te kajieten, wat zullen we eerst doen, nu ieder eerst doodt wie hij het meest liefheeft.

Roken is dodelijk, maar dat wisten we gisteren ook al.

Het zijn lange eenzame dagen, maar goed, zo zitten de dagen nu eenmaal in elkaar, zo zijn de dagen nu eenmaal en eenmalig en in het dubbel en het drievoud.

(Bovenstaande grappen zijn niet om mee te lachen.)

We sterven eerst een stille dood, daarna drukken we op hekje voor andere opties, die uitgesloten zijn.

Toch moet ik zeggen dat de heilige armoede mij niet zo bevalt.

En kust mijn kont in de boezem van Abraham en mag ik eens aan uw kut likken, oh Madama Johanna in Lissabobonna, please please please.

 

*


Lekker + Voedzaam = Fortimel, maar het breekt uw hart, vooral op ongelijkliggende trottoirs, gelijk ter hoogte van Lange Batterij Nr. 3 Sociale Straat, waar ge uw nek breekt over de drollen van Emmy van Puyvelde die, als het dringend is, op mijn stoep komt schijten of is het scheiten.

En zou ik hier blijven als ik naar de gevangenis kon, maar ik ben onschuldig en iedereen pleit mij vrij, nu ook al van necrofilie en zwarte magie.

Ge zegt dat de Jef dood is van ’t zuipken maar dat kunt ge niet menen.

Ondertussen begint het om halfnegen toch al te dauwen, wie zal ons kindeke douwen, misschien tante Josée en ge moet niet komen zagen want ik heb uw kindeken nooit gezegend, al ben ik kanunnik en tsjoektsjoek, en nozem, ach ja, opgesloten dwaal ik rond op negen meter kwadraat, samen met mijn celmaat, een afschuwelijke seriemoordenaar, terwijl ikzelf alleen maar een sinaasappel heb gestolen uit de AALVO, een appelsien, waarom willen ze dan mijn linkerhand afhakken terwijl ik rechtshandig ben.

Ergens in een buitenwijk van mijn brein vallen, gelijk in oktober de blaren van de bomen, de naakte besmeurde besmodderde soldaten, korporaals en sergeanten en tot nog toe klopt alles behalve de onderadjudanten.

 

*

 

Webstek. Wat is dat nu weer voor iets nieuws.

Ik weet niet of het een rekenkundige of een meetkundige rij is volgens dewelke de chaos uitdijt, maar hij lijkt mij zijn eigen totaliteit te benaderen.

Altijd bij bewustzijn, altijd denken dus, maar wat nog te denken, er is niets meer, behalve hoe geraak ik uit deze situatie, en vooral ja vooral hoe kom ik weg uit dit vieze vuile vunzige stinkende naakte hok en waarheen kan ik vluchten van die pijn, altijd die vervloekte bodemloze pijn.

Elke minuut kijk ik op mijn uurwerk en is er alweer een minuut voorbij, ook zo passeer ik de tijd, die eindeloos is en geen grenzen kent, ook niet aan zichzelf.

En welja, ik ben een wrak, so what, ullie eigen al eens bezien misschien.

Ik zou eens naar buiten kunnen, maar evenzogoed kan ik in aeternum binnenblijven en alles wat ik nodig heb laten thuisbestellen, het is toch alleen maar bier. Soms tabak, soms koffie, geen voedsel, geen eten, eten is mij al vijf jaar vreemd, sinds eerst vader en vervolgens moeder.

Op onderzoek uitgegaan in dit vreemde, vreemde gebouw.

Boven mij woont een heks, naast mij woont een gebochelde kobold, de rest weet ik nog niet.

En dag en nacht is er radio, levende transmissie, om kotsmisselijk van te worden, of zo vrolijk als een zelfmoordbrigade, van God en Pierken vergeten en verlaten en ontbladerd.

Ik moet gaan zitten om te pissen en overeind staan om te kakken, wat een wereld, maar misschien is het wel die van Candide, de beste aller werelden, deze hier, dus dan, en in ’t vervolg.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Half mens half pannenkoek is de hoer van het OCMW

(Zeven apostolische mededelingen)

 

 

Ik probeer, tot uitzinnige ergernis ja vaak paniek van mijn buren, te reconstrueren datgene wat niet meer te reconstrueren valt, mijn primal scream bij moeders laatste persing en eerste worp, moeder nu vijf jaar dood.

Voor mijn final scream is hier ter plekke een opnamestudio in gereedheid gebracht. Morgen ruimen ze alles weer netjes op.

Al is het evenzogoed mogelijk dat ik er het zwijgen toe doe en ertoe zal doen, nu mijn tong is afgehakt.

Mijn binnenkoer is aan ’t vermossen, achteraan groeit er gras en kan ik er een geit zetten en tuieren en kan ik geitenmelk drinken.

En dikke Vera v/h Sociaal Beheer draagt een pots, alhoewel het al veertien dagen niet geregend heeft, maar hoesten is nog steeds haar ding, ze is nochtans pas weer bevallen van een stinkdier.

Ik zat innig samen met C en sprak met haar, rauw, hees, teder, zoals ik van haar hou en zij van mij.

Tok tok tok. Bezet. Lazer op en ga op straat schijten in schijven ringworst keurmerk AALVO, koop daarna bij BAFIN het ook door Danny de wereld ingeprezen product Onze Drol, Beste Drol, zelf gescheet, beter gefreet.

Ola vogala, ja ja, dat zal wel, maar ondertussen wel geen kiekenbillen in curryroomsaus, nu de vogelpest, nu vader al bijna zes en moeder dik vijf jaar, iets met kees, toch hoor ik nog hun stemmen, de ene bars, de andere bits.

Ik dool en dwaal maar rond en wou dat ik eens kon gaan zitten, op zo’n houten bankje in de sneeuw, op zo’n houten bankje in de sneeuw.

 

*

 

Limburg spant natuurlijk de kroon maar ik span de spieren van mijn klieren om het bloed te kunnen lossen, i.v.m. Jozef van Arimathea en zijn pispot.

Als dit een lied is draag ik het op aan elke vrouw die kan worden gedacht als persoon, niet als persona, Carl Gustav, lange avonden.

Van Imodium krijg je prrrtt, zonder Imodium krijg je prot en meteen je broek vol, vandaar.

Toch vandaag maar lekker weer niet naar het hospitaal, hihi, haha, hehe, hoezee, vandaag eindelijk weer eens niet naar het hospitaal. Naar de zaal.

Vader zei vaak ik sla erop tot het wit van uw ogen in het holletje van uw gat zit en zo vertel ik Maria Berlusconi na de zoveelste huisvredebreuk te mijnen aanzien gepleegd en gepluugd en geplogen, sono loro, est colpa loro, verlatenis is hun schuld want niemand wil blijven tot de dag zelfs maar dauwt of deemstert.

Er wordt gebeld. Ik haak af de parlofoon. Het is Pierlala. Of hij me kan komen ophalen. Ik zeg zo meteen. Nog een paar onderbroeken inpakken. Maar Pierlala zegt die heb je niet nodig, je zit voor eeuwig en altijd in de stront, zodoende.

 

*

 

O.k. computer, geef mij van de karwats want alles is mijn eigen schuld en ik leef in een varkensstal, maar gesel ook mijn vader want het was zijn zaad, het was zijn haat, het waren zijn slijmbeursjes waardoor ik nu de zoon ben van een mijnwerker en niet de Europese zoon van Charlie Parker.

(Wat kan ik anders aanvangen dan vodden, het meisje van vijftien dat dood in mijn bed ligt heb ik niet vermoord, vraag het de dode jongen van dertien want hij was haar minnaar nee haar Lover Boy.)

Vergeef de jongeling, vergeef de jongeling, hij moordt maar hij scheurt en splintert en bloedt.

Ik droomde dat ik sliep en droomde dat alles okidoki was, welke erbarmelijke waanvoorstelling, zo bleek haast terstond, Rimsky-Korsakow, tu quoque fili mi, en breng van de Aalvo filterzakjes mee.

Ondertussen begint hier mijn vermijdingsangst subpsychotische zoal niet psychotische vormen aan te nemen, misschien toch maar een poosje naar het gagapansjoekhuus, waar niets te vermijden valt dan de totale krankzinnigheid in het donkere woud, halverwege het levenspad, o.k., Kid A.

 

*

 

Het bestaan is kil en amechtig en in ons aller harten leven nu nog slechts de klammigheid en de stilte.

Ook de diepste miserie schrijven wij nu met een kleine m.

Met z’n honderdduizenden komen wij onmiddellijk de straat op, wij eisen mantelzorg nu, schol.

Zopas liet ik een scheet en het leek wel een solo van Frankie Trumbauer, die Frankie toch.

Zonder mantelzorg kunnen wij namelijk niet verder, niet voort, niet vuts, wij dienen te worden gekleed door SKM, Boomsesteenweg, A12, Aartselaar, niet door het Leger des Heils.

Ik slaap niet, ik ben wakker.

Wij komen van nergens en gaan nergens heen maar zo meteen staan we wel met een uitgestoken poot voor uw deur, voor een habbekrats, de dingen die gij pleegt weg te smijten in de gft-zak, die kleine groene, de pitten van de mandarijnen vreten wij ook want wij vreten alles, ook stront, als hij goed gebakken is.

Ergens is er een party en iedereen mag komen en iedereen mag gaan.

Ik schrijf de mottigheid en als ik schrijf de mottigheid word ik derwisj, later pas word ik sjamaan.

Louis Louis, dikke Louis, ik zei het je al een week geleden, een minder straf gevecht, weg zijn we weer.

Baba Malade, peux-tu, veux-tu me recevoir, parce-que j’ai la folie, oui, c’est la folie.

Was de tijd maar altijd de goede oude tijd, dan hoefden we niet zo meteen zelfmoord te plegen met onze kop in de sjasbak en verzuipen.

Kwalen van de oude dag (pap ende brood) vallen mij nu reeds lastig, evenwel nog steeds geen prostaat en ik weet het niet maar als ik het wist zou ik dwars doorheen alle galerijen een boodschapper uitsturen nee zenden om het iedereen te melden: gij zijt bevrijd, vanaf nu gaat alles fout want er zit ruis op uw kloten.

 

*

 

Ex tenebris en uit het niets word ik om vijf over zes wakker uit een droom waarin ik droomde dat ik geboren werd en bedroeg mijn polsslag 38 maar om halfzeven roetsjte hij alweer richting 400 en was ik weer aan het feest van een nieuwe eeuwenoude pikzwarte dag in een rode woestijn en ik dacht even dat ik aan de verste einder Monica Vitti zag dolen maar bij nader inzien bleek het een appelblauw en zeegroen gespikkelde ezel voor een roestbruine dubbele deur gescheten, ach ja, tot capita tot sensus, zo is het altijd geweest en zo zal het altijd blijven.

Er zijn weer verkiezingen op til en dus brengen ze binnenkort weer gratis pateekes en tompoezen en sjoelen, freet.

Alweer gevallen, gelukkig zonder erg, alleen mijn fles Ballantines en 20 euro aan frennen en frut, Lieve Lut.

Vandaag kwam de deurwaarder alles opschrijven, maar ik bezit niets, dus ging de man spoedig weer zijns weegs, halleluja, allicht naar andere oorden waar gouden sieraden en tienduizenden unieke jazzplaten op te schrijven vielen, allicht bij Madame Johanna in Lissabon, ze zal lachen, Mademoiselle Tampax.

Misschien mis ik een doel in mijn leven, misschien moet ik flugelhorn leren spelen of achttien holes in achttien slagen slaan, ik weet het niet, zoals ik niets meer weet sinds pa, sinds ma.

Al goed dat Plas mij gesystematiseerd heeft, anders zat er niet veel systeem in, maar moest Plas mij daarom systematiseren in een hok nee een kot waar een hoer haar neus zou voor ophalen.

Heel vreemde brief (in geheimschrift naar ik vermoed nee aanneem nee zeker weet) gekregen van het sjoekhuus waar ik laatst was teneinde te worden verzorgd, ze schrijven mij hierbij het detail van nog openstaande facturen, van al deze woorden vertoont alleen het onzijdige lidwoord mij enige betekenis, misschien Kamiel eens bellen, die is goed ter taal.

En wat zou het leven heerlijk zijn als ik Max Roach was, ik sloeg alleen al met m’n borstels iedereen de kanis in, enkele zonderlinge uitzonderingen daargelaten en niet te na gesproken.

Ik kan nu gaan en staan waar ik wil want de nacht is nog jong en ook zo ik, al zal mijn autopsierapport een man van het Kaukasische type diagnosticeren van omstreeks de tijd waarin het plebs verstedelijkte.

 

*

 

1234567, waar zijt gij zo lang gebleven, neem achttien dozen Risperdal, dan weet ge ’t al, ook over de zevensprong, waar gij klaarblijkelijk nog steeds niet van hebt gehoord, en als het zo is dan is het maar zo.

Blijkens het laatste onderzoek (the investigation concerning what condition my condition was in) heb ik 38 punten, en ge hebt er maar 35 nodig om verzorgd te worden, dat is het goede ding, maar ik heb nog steeds wel niemand zien opdagen om mijn reet te vegen of mijn piet af te zuigen, om nog te zwijgen over mijn lul.

De loop zit in mijn rechterdikketeen, maar de trekker ligt op mijn lippen, klaar om te worden overgehaald.

Swat, binnenkort ga ik naar Kamiel en neem geen enkele taxi, ook niet Brekpot de Vetpot, desnoods ga ik te voet, maar dan ben ik dood, dus ja, ik bel 106, dat wijf zegt hang u op, dus ja, ik bel de zelfmoordpreventie in Brussel en word in het Frans toegesproken door een antwoordapparaat of hoe heten die dingen tegenwoordig, een voicemail, dus ja, wat dan weer gezongen nu de boodschap op mijn tabletten Valium luidt: vele groeten aan familie, vrienden en kennissen, want, vervloekte zwijnerij, toen pa en ma, onder de wijnrode beddensprei, mij maakten, was ik er zelf niet bij, oh gij Klabund, waarom zijt ook gij kapotgegaan.

 

*

 

Daarover nee overdaar is een groot rood huis waar ze je morfemen verkakkelen en je fonemen verzwisselen tot het zo’n brij geworden is als in de witte geëmailleerde pispot van m’n oudoom Jan, die hij onder z’n bed op hoge hakken had staan en ’s morgens in alle vroegte, door niemand gezien maar toch beschaamd, op de mesthoop onder de vlierboom ging uitkieperen, en ziet maar uit, want wildplassen is heden ten dage strafbaar, op straat zeiken dus.

Het is bijna nacht want het is al avond en nog steeds ben ik hier alleen, in dit hok.

Hier komt Maria Berlusconi, daar schuift Maria Berlusconi uit, hahaha, die Wagner toch. Minder leuk is dat ik morgen naar de AALVO moet, nu de BAFIN failliet is door wanbeheer van de eigenaar, de heer Berckmans, zoon van een koolputter en een poetsvrouw, ja ja, vroeger bestond dat, helaas genoeg, helaas was er genoeg van dat.

Ja Madame, en honderd wiet extra, het nummer is 4521, druk, maar druk niet te hard, wie weet wat er gebeurt.

(Habemus papam. Desnoods dat boek nog eens herlezen over Pico della Mirandola, Pic de la Mirandole, mort lui aussi maintenant, brûlé sur le bûcher, comme tant de tante Jeannekens, Oh Honegger Arthur, toi aussi mort maintenant.)

(Gelukkig nu lang geleden zijn de dagen waarop ik voor vriend en vriendin slechts een spiegel had en een sigaret.)

Slechts nog af & toe herinner ik mij de loodzware hangtieten van Anna Vandervloedt die dreigden mijn mager karkas te bedelven als in Cheops of Karnak of Luxor, mijn God, mijn farao, mijn Pharoah Sanders, gij toeterde er ook niet nevens.

Alles wat hier aan m’n altijd open raam voorbijloopt zijn mensen in diepe verdeling, de neus en het hoofd omlaag geslagen, ik zeg wel geslagen.

(Youssouf, ik ben het, Kathy.)

De wereld is op z’n mooist als hij in het westen oranjerood kleurt en op z’n lelijkst als hij in het oosten in het diepste zwart verzinkt, hoewel vele vreemdelingen onze stad bezoeken en zij van heinde en verre komen.

De prijs van het katoen is ingezakt en alle negers zien nu zwart van miserie, foei Koffie Annan.

Hollywood downtown bananas are the best bananas in the world, het is Kamiel Vanhole die het zegt en ze vreet bij z’n boterham met muizenstrontjes, en als iedereen naar Europa gaat zal ik ook maar naar Europa gaan, vraag Lars von Trier en vraag Björk.

(This is what Brewster said, the blind philosopher of Alabama.)