Jonge wolven XIII: Woekert het? Over Sander Kollaards Stadium IV en schrijven over kanker

Verschenen in: Literatuurdragers
Sander Kollaard, Stadium IV, Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam, 2015.

Beste wolven,

‘Je stapt naakt het podium op en staat daar in het volle licht te wachten – maar niemand zegt iets.’ Zo omschreef Sander Kollaard in een interview met Arjen Fortuin in het NRC Handelsblad van 27 maart 2015 de windstilte die aanvankelijk zijn verhalenbundel Onmiddellijke terugkeer van uw geliefde (2012) omringde. Het verschil met de opvolger Stadium IV (2015) kon niet groter zijn: al snel uitgeroepen tot ‘Boek van de maand’ door de populaire talkshow De Wereld Draait Door, beleefde Kollaards debuutroman verschillende herdrukken, om in de winter te eindigen in NRC’s nominatielijst voor het beste boek van het jaar.    
            Het is niet wat je op het eerste gezicht bij een ingetogen en publiek weinig zichtbare auteur als Kollaard verwacht. Mediageniek is hier dan ook niet de auteur, maar zijn onderwerp. Zoals de titel Stadium IV al doet vermoeden, handelt Kollaards roman namelijk grotendeels over omgaan met kanker. Centraal staan de zestigers Barend Vervoort en zijn echtgenote Sarie, die plannen maken om in een camper door Europa te reizen – tot Sarie tijdens een proefrit naar de Ardennen een toeval krijgt en de diagnose van uitgezaaide longkanker, stadium IV, wordt gesteld. De roman volgt de laatste maanden die het echtpaar samen doorbrengt en geeft daarmee een inkijkje in het leven van/met een terminale patiënt – inclusief het omstreden einde, dat de nodige ethische vragen oproept over waardig sterven en de rol van een partner daarin.
            Dat (al dan niet autobiografische) romans over kanker het publiek in de ban houden is niet moeilijk te verklaren. Afgezien van periodieke epidemische dreigingen is er geen ziekte die zo veel maatschappelijke angst oproept en die op zo’n grote schaal in de media komt, tot discussies over risicovolle plakken ham aan toe. Literatuur over kanker kan lezers helpen die angst op afstand te houden: het zieke personage belichaamt dan het verhaal van de eeuwige ander, vanuit de behoefte achter de gordijnen te kijken of vanuit het naïeve credo ‘zoiets overkomt mij niet’. Een ander mogelijk therapeutisch effect heeft juist identificatie als basis: zieke personages kunnen fungeren als spiegel voor de angst van de lezer, of als herkenningspunt in het verwerken van persoonlijke ervaringen met de ziekte.         
            Zelfs als vele lezers literatuur therapeutisch lezen, blijven literatuurcritici intussen therapeuten van de literatuur. De vraag blijft namelijk in hoeverre romans over kanker ook als roman de moeite waard zijn. Het staat voor mij alvast vast dat Kollaard met Stadium IV niet verzandt in sentimentaliteit of effectbejag. Daarvoor is zijn stijl te secuur, soms zelfs op het klinische af. Opvallend in dit verband zijn met name de passages die rechtstreeks aan een medische encyclopedie lijken te zijn ontleend: ‘Bij de celdeling worden de twee strengen van het DNA-molecuul losgekoppeld, gekopieerd en kruisgewijs samengevoegd, zodat twee identieke DNA-moleculen ontstaan, de incidentele mutatie daargelaten’. De concentratie van zulke zinnen is in Stadium IV zo groot, dat de roman soms haast een educatief leerboek wordt, in het verlengde van Kollaards meest prominente intertekst, Selma Lagerlöfs klassieker Nils Holgerssons wonderbare reis. In haar recensie van Stadium IV schreef Janet Luis (NRC Handelsblad) dat dit procedé de auteur helpt ‘om de emoties te dempen’. Ik vraag me intussen af: stelt Kollaard wel genoeg tegenover die klinische taal om niet ook de literaire waarde van zijn roman te dempen?

Jeroen

Het vervolg van deze brieven lees je in de papieren versie van DW B 2016 2 of in bijgevoegde pdf.