40e editie van Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs

09/05/2017

Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs begon veertig jaar geleden als een ludieke en studentikoze wedstrijd met een uitreiking in de Fakbar van de Leuvense Letterenfaculteit. Intussen heeft de wedstrijd zich ontwikkeld tot een belangrijke opstap voor jonge schrijvers. DW B is al jarenlang een partner van de wedstrijd, hoofdredacteur Hugo Bousset is een vast jurylid. DW B biedt de drie laureaten proza en poëzie een publicatie aan op deze website. Het werk van de winnaars verschijnt ook in de papieren DW B.

Jens Meijen, tweede laureaat proza en poëzie 2016 over de wedstrijd:

'Door mijn tweede plek in de Literaire Prijs vorig jaar verscheen ik al een eerste keer op de radar van Hugo Bousset en het literaire circuit. Ook gaf die tweede plek me de motivatie om het schrijven serieus te nemen - voor mijn deelname schreef ik nauwelijks - en tegelijk het vertrouwen om mijn eigen ding te doen. (...) Inmiddels heb ik als writer-in-residence al vier teksten gepubliceerd in DW B, en ook andere literaire tijdschriften hebben al werk gepubliceerd. Daarnaast ben ik opgemerkt door een acquirerend redacteur van uitgeverij Atlas-Contact en heb ik nog heel wat andere projecten in de pijplijn. Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs geeft je enerzijds een voet tussen de deur van het literaire circuit, en anderzijds de motivatie om die deur helemaal open te duwen.'

Op 9 mei 2017 werden de laureaten van de 40e editie bekendgemaakt. Hun teksten kun je hieronder lezen.


Laureaten Poëzie

Eerste prijs: Gilles Michiels

Tweede prijs: Elianne van Elderen

Derde prijs: Emmanuelle Gernay


Laureaten Proza

Eerste prijs: Marlies Smeenge

Tweede prijs: Simon Vermeulen

Derde prijs: Manon Struys


Luchtlenigheid

Gilles Michiels

Eerste laureaat poëzie van Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2017

 

De verdichting


Over een brug met maar een kant, terwijl ik spreek 

loop ik gaten in de lucht


daaronder te schuilen, zeg ik je, of woorden als watten 

op elke opening, fluister ik en ze dan leeglikken tot 

alles erin past: een brug bevestigt breuken aan dit vel, 

en jij

 

en ik, hoe we de wiskunde ontsnappen

de diepe wonden van de optelsom: een cel van een

en een is twee


en we verdichten: als we spreken, vallen we niet samen 

met toeval, als we de grond onder onze voeten dempen, 

worden onze stappen luchtlenig

 


Twijfelaar

 

De helft in het ouder bed bleek gebleven, de twijfelaar 

aan de sloop gehecht, dan met de sluitertijd in de ogen 

het kussen beschenen, met het licht de avond 

aangestoken, voltooid en bondig gesproken:


komma in een lucht, zin aan een haak hangen, huid 

ontbindt door een kraan, tweemaal tot stof en ten slotte 

meer licht, meer licht aan welke kant, of een bed voor 

het eindigt, een antwoord wakker wiegt.

  

De schilder en zijn model

 

Alles blijft hetzelfde maar hier is een naam als een 

drenkeling gestrand. Voor een raam van een schilder 

ligt een rivier als een bed, het slaapt. Hij herhaalt: het 

slaapt en dekt hem toe, een bed voor twee.


(Brugge: zwanenhalzen in uitstalramen van lucht.

Dan toeristen, vreemde tekens en een selfiestick.)


Het is hetzelfde, maar essentieel: de schilder dicht zich 

de zwanengang toe, zijn S boven de bedding, de 

vermomde godheid. Het is bedoeld, met zijn vlerken de 

heupen omklemd, het is bedoeld en alles is hem eigen, 

Leda en niet langer onbekend.


(Een signatuur: de zwaan die naar een ander tuurt en in 

elke streek laat de schilder de lucht lakenwit.)

 


Gedichten

Elianne van Elderen 

Tweede laureaat poëzie van Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2017

 

traplopen

 

de jongens uit mijn klas hebben ruwe baarden

en vingers gekregen. we vielen

over drempels en voor elkaar. onze natte t-shirts

schijnen door, onze gedachten

niet. ik weet niet waarom

alle meisjes verliefd werden

op de gymleraar. de scheikundeassistent

stak graag dingen in brand en ik hoopte dat

ik de volgende was.


we zijn op- en uit elkaar gegroeid. onze dromen 

rijmen niet langer. wij voelen niet of het eelt op 

onze schouders dik genoeg is om de wereld 

te dragen.

 

ik twijfel of we moeten reanimeren of de dode 

vogel laten sterven. wreed is hoe we hielden van 

elkaar of eigenlijk juist niet.


onze kiezen breken door, onze keuzes worden niet 

meer voorgekauwd door mensen die zonder ons 

zullen sterven.

 


De snelweg naar Magadan

 

Er ligt een plastic zakje om het hoofd

van een bebloede duif op een bevroren rivier

ergens in Rusland, zingt iemand

een lied over de eerste zonnestralen

die niet meer hebben veroorzaakt

dan de tevergeefse hoop, op het einde

van een donkere winter.


De jonge aardbeienstekjes groeien pas net

boven de landbouwgrond en vrezen zachtjes

de dood. Vijfendertig procent van Rusland is permanent

bevroren, de aarde in onze handen

is onvruchtbaar net als de bodem

van ons hart. In de magnetron

liggen klamme pannenkoeken uit de diepvrieslade

boven die met doodgevroren duivenlevertjes.


De blauwe plekken op zijn dunne arm zijn een schaduw 

van zijn dromen, hij zegt dat de manier waarop je slaapt 

veel over je zegt. Ik slaap al tijden onrustig. Wolkenvelden 

trekken over maar nooit voorbij.

 

Files achter ongelukken op de snelweg zijn de enige 

situaties waar we stil staan bij andere mensen.

 


Het begin van januari

 

Onze gecondenseerde woorden drijven 

omhoog, de kou laat ons doen alsof we roken 

en er nog iets in ons brandt.

Het uitspreken van xestobium rufovillosum

duurt driekwart seconde

langer dan de tijd die het kost

voordat de geur van blauwe plakkaatverf

mijn neus en ik een ander

aantast.


Onze machtsverhoudingen worden gemeten

in de hoeveelheid klei

die onze vingers krijgt toebedeeld.

De vier vlakke handen zijn nog te jong om te 

leren buigen voor een ander.


We tekenen vaak lachende gezichtjes in 

stopcontacten, soms met mondhoeken naar 

beneden. Je telt hoe lang de bijtafdruk in je

handpalm blijft staan. Niet lang genoeg, 

opnieuw.


Het gaatje in mijn sok is nog te klein om weg

te gooien, zoals wij nog te jong om van te 

leren houden.

 

Vertrouw mij maar niet.


 

Gedichten

Emmanuelle Gernay

Derde laureaat poëzie van Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2017

 

Daar zat je rustig in wagon 2 te 

wachten op onze ontmoeting.

Perron geluk.


Ik hield een ogenblik mijn 

ogenblik recht op jou gericht


terwijl ik hunkerde

naar iemand anders dan mezelf

om mee in de knoop te liggen


verstrengeld, als armen en 

vlinderkusjes de eerste nachten.


Je keek en je zweeg dat was het 

eerste wat we samen deden.

 

We zaten neer zoals we gemaakt 

zijn: voor elkaar.

 

*

 

Ze heeft lang geleden lang geleden.

Nu nog, na jaren van halve slaap rilt ze soms,

het kan zo koud zijn aan de andere kant van het 

bed.


's Ochtends vecht ze tegen vermoeidheid met 

haar hoofd in haar kussen en zijn kussen in haar 

hoofd.


Tot ze 's middags roerloos naar haar koffie 

staart, dan hoor ik haar soms zuchten dat hij wel 

genoeg was maar dat het niet genoeg was en het 

dus genoeg was.


Er is niets wat ik ooit beter begreep.

Als ik haar na even zwijgen dan wil troosten, 

neemt ze me de woorden uit de mond door zacht

aan me te vragen hoe het anders met mij gaat.

 

*

 

Je vroeg me wat ik onder geluk verstond 

wat het is dat ik nu wil en hoewel het 

raasde in mijn hoofd bleef mijn mond 

bijzonder stil


(Ik wil je weinige tevelen en mijn vele tekorten

jouw pogingen tot houden van

mijn pogingen tot eenvoudig houden

 

Ik wil al onze herinneringen neerpennen 

tot er een bundel Ons staat daar dan een 

briefje met 'nooit te koop' op leggen

en zorgen dat niemand ooit een blad overslaat


'k Wil al je pijn kunnen ont-leden en ook 

de krassen van je verdriet zou ik willen 

wissen uit het verleden maar helaas, dat 

kan ik niet)


Je leunde met je slaap op mijn schouder

jij en al je gevolgen van dien en terwijl je 

me afwachtend aankeek dacht ik: of 

gewoon dit misschien.


 

Op Jezus

Marlies Smeenge 

Eerste laureaat proza van Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2017

 

 

Mannen met benen vol spataderen zitten op de rotsen te vissen. Tussen de huisjes aan de weg waar ik sta en de zee is lang geleden beton gestort. Obese meeuwen pikken schelpjes en broodkruimels tussen de barsten uit. In mijn herinnering zag het er hier heel anders uit. Ik vraag me af of dat ook daadwerkelijk zo is, of dat ik toen zoveel gedronken had dat ik de gaten achteraf heb ingevuld met mooie herinneringen en fantastische mensen die hier helemaal nooit geweest zijn.

Tijdens mijn zesendertig uur durende treinreis zat ik naast drie godsdienstwaanzinnige dames die me zelfs in mijn slaap nog probeerden te bekeren met de Jezusafbeeldingen op hun bladwijzers, boekenkaften en portemonnees. Dus nu zal ik verdomme van de Kroatische kust genieten ook.

De vorige keer dat ik hier was, stond er op mijn dag van aankomst om tien uur 's ochtends een boomlange Rus voor mijn neus die me een sapje aanbood. Vier sapjes later was ik mijn eigen naam vergeten en herkende ik de willekeurige jongen met wie ik mijn zonnebril had geruild alleen aan de illuminati-tatoeage op zijn borstkas.

Nu is de deur van het hostel op slot. Er kleeft een briefje aan de ruit. Ring at upstairs. Hun Engels is er niet veel beter op geworden.

Het meisje dat de deur opent heeft een grote wrat naast haar neus. Ze vertelt me dat ik de enige gast ben vannacht. Dat het seizoen nog niet echt begonnen is.

Ik wil vragen of ze die al lang heeft, die wrat, maar ik zeg: 'Komen er nog andere mensen?' Ze haalt haar schouders op. 'Je weet nooit wat het getij meebrengt.' Ik wil met mijn ogen rollen maar dat onderdruk ik. Als je eruitziet als zij moet je wel geloven in een hogere macht, anders geef je het leven op. 'Dan zal ik maar op ze gaan zitten wachten’, zeg ik.

Ik zit een uur op de rotsen als de buurman voorbij zwemt. Ik weet dat hij de buurman is omdat ik hem naar me heb zien loeren vanachter de bamboeschutting.

Als hij drie keer voorbij is gezwommen, komt hij op mijn rots af. 'Van de zon aan het genieten?' vraagt hij. 'Jep’, zeg ik, en hef mijn gezicht op naar de lucht.

Hij begint de rotsen op te klimmen. Zeewater druipt uit de donkere vacht die zijn hele lichaam bedekt. Ik zie hem naar mijn borsten kijken. Het is zo'n cliché dat ik het niet eens erg vind, maar gewoon irritant.

'Wil je stoppen met naar mijn tieten te kijken?' zeg ik. 'Ze zijn van mij.'

Hij grinnikt vunzig. Kruipt nog verder de rots op. Hongeriger nu. 'Is dat zo?' zegt hij.

'Kom één stap dichterbij en ik gooi een zee-egel in je gezicht’, zegt een stem achter me.

Ik draai me om. Het is een smalle jongen, met haar en een baard tot aan zijn ellebogen. Om zijn middel een buideltasje in fluokleuren waar hij bleek tegen afsteekt. Hij houdt een zee-egel in zijn hand, maar hij kijkt naar de grond. Opeens staat er een Aziatische jongen naast hem. 'Let niet op Jezus, hij bedoelt het goed!'

'Hij heet Jezus?' vraag ik.

'Nee, maar hij wil me na drie weken samen reizen nog steeds niet zeggen hoe hij wel heet. Ik heet Jason trouwens, voordat je me Chinese Motherfocker gaat noemen. Mag ook. Maar ik vind Jason mooier. Wat heeft hij je aangedaan?'

'Jezus kwam me alleen maar verdedigen. De buurman was naar mijn tieten aan het kijken.' Jasons blik schiet naar de buurman. 'Wat dacht je ervan? Zal ik mijn Japanse werpkunsten eens demonstreren?' Hij pakt de zee-egel uit de hand van Jezus en beweegt er dreigend mee heen en weer. De buurman duikt snel het water weer in.

'So long, motherfocker!' roept Jason. 'Lieverd, waar waren we gebleven? Ja, ik was je mijn entourage aan het voorstellen. Jezus helemaal speciaal voor jou vanuit de Verenigde Staten, en ... wacht.' Hij stopt zijn wijsvinger en middelvinger in zijn mond en fluit oorverdovend hard. We zijn allemaal stil en turen het betonnen pad af. Ik zie een blonde jongen met een rood vissershoedje dichterbij komen. 'Magnus is opgegroeid tussen de husky's’, zegt hij. 'Hij herinnert zich meestal pas dat hij kan praten als je hem alcohol geeft.'

'En jij?' zeg ik.

'Ik kom uit Washington. En ik spaar badeendjes.'

 

We spugen watermeloenpitten om het verst in het water. We rammelen met ons emmertje zee-egels als we een glimp van de buurman opvangen. We bestellen pizza's zo groot als een salontafel. Tussendoor probeert Jason de dorpspoes met de kale staart te vangen terwijl hij luidkeels ‘grab 'em by the pussy’ schreeuwt. Magnus blijkt na anderhalve liter bier alle dialogen van Lord of the Rings en Harry Potter uit zijn hoofd te kennen. Van Jezus vergeet ik soms dat hij er ook nog is. Ondanks zijn lengte heeft hij zich ontwikkeld tot een mens die zich volkomen onzichtbaar kan maken.

Op de vierde avond besluiten we om samen uit te gaan. Tegen de tijd dat we eindelijk in een bus zitten, hebben Magnus, Jezus en ik al vijf bussen zien passeren, heeft Jason al zijn kleren een keer aangehad en heeft Magnus zichzelf op de weg geworpen om deze laatste bus te doen stoppen. Maar we zitten.

Het is halftwaalf  's avonds en het voelt als de meest intense sauna die ik ooit heb bezocht. Een vieze ruimte vol zwetende lijven, maar dan zonder het vooruitzicht van een koud bad. De chauffeur rijdt met alle deuren open. Opeens staan we stil. De rij auto's voor ons ligt als een snoer ledverlichting door de bergen heen, zo ver als we kunnen zien. Blijkbaar is er een belangrijke voetbalwedstrijd vandaag en zijn we niet de enigen die graag het centrum in willen.

'In vergelijking met Peking stelt dit niks voor jongens’, zegt Jason. Hij maakt graag Aziëgrappen, hoewel ik vermoed dat hij er geen dag van zijn leven heeft gewoond of gereisd. We kijken hem alle drie aan, wachtend op het vervolg van het verhaal. Ik omdat ik benieuwd ben. Magnus en Jezus omdat ze zelf toch niks gaan zeggen. Maar er komt niks. Jason wordt er zichtbaar ongemakkelijk van.

'Of nou ja, dat zeggen ze dan hé’, zegt Jason. 'Het is niet alsof ik er ooit geweest ben. Zitten jullie me nou in gedachten een Aziaat te noemen? Ik hoor het jullie wel denken, stelletje rel-racisten!' Hij knipoogt en geeft de bierfles door aan Magnus. De fles is zo groot dat wij er hele kleine mensen naast lijken. In dit land drinkt men zo veel dat het bier in plastic flessen zo groot als baby's wordt verkocht.

'Cheers,' zegt Magnus grinnikend, en neemt een grote slok, 'gelukkig hebben we bier.' Het is de derde keer dat ik hem vandaag heb horen praten. Magnus geeft de fles door aan Jezus, die het ding dankbaar aan zijn mond zet. We kijken alle drie hoe zijn adamsappel op en neer blijft bewegen.

'Gast, moet je niet ademen of zo?' vraag ik.

Met de fles nog steeds aan zijn mond schudt Jezus nee. De man heeft bovennatuurlijke krachten. Hij slurpt net zo lang tot het laatste beetje drank in zijn keel verdwenen is.

'Ik hoop dat je je realiseert dat dit de laatste fles was?' zegt de Deen.

'Wat?!' zegt Jason.

‘You for real?’ zegt Jezus. 'Gast, het spijt me, dat wist ik niet.'

'Het lijkt me heel simpel’, zegt Jason. 'Jij zult bier moeten gaan bijhalen.'

'Hoe dan?' zeg ik. 'We zitten hier nog wel een uurtje of wat.'

Magnus en Jason kijken elkaar geschrokken aan.

'Hier ga jij voor boeten Jezus’, zegt Jason. 'Sowieso financieel. En ook in natura, als je niet heel snel een oplossing bedenkt.' Hij kijkt nadrukkelijk naar het kruis van Jezus. Jezus volgt Jasons blik. Slikt hoorbaar.

Ik tik op de beslagen ruit. 'Volgens mij is er een supermarktje aan de kant van de weg. Niet om te zeggen dat je er iets mee moet, maar dan weet je dat.'

'Deze Aziatische motherfocker zegt zeer zeker wel dat je daar iets mee moet.' Jason heft zijn hand hoog op in de lucht en knipt keihard met zijn vingers. Het klinkt alsof hij met een zweep slaat.

De stille Amerikaan springt op. Ik zie jaren van eenzaamheid in zijn ogen. Jaren van niet mee mogen doen met sporten, feestjes, roken, praten met meisjes, met alles wat overdag en buiten gebeurt en wat als een vorm van sociaal gedrag zou worden bestempeld. Van alleen op zijn kamer zitten met de gordijnen dicht en staren naar de vrouwenfiguren in metalen harnassen uit zijn games op posters aan de muur. Ik zie hoe hij zijn kans ziet om de cirkel te doorbreken door nu bier te gaan halen.

'Weet je het zeker?' zeg ik.

'Dat kan me geen ruk schelen’, roept Jason.

'Hou je bek Jason,' zeg ik, 'ik heb ontzettend invloedrijke vrienden die een onderdeel uitmaken van de Amerikaans-Chinese maffia. Eén telefoontje en jouw familie zit voor de rest van hun leven zonder rijst.'

Jasons mond valt open.

'Wat doe je als de bus weer begint te rijden?' zeg ik tegen Jezus.

Zijn ogen beginnen te glinsteren. 'Dan ren ik’, zegt hij. En ik hoor aan zijn stem hoe dat al jarenlang zijn levensstrategie is geweest bij alles wat hij niet aankon. En dat dit veel is geweest, maar dat zijn sterke pezige lijf hem uit al die situaties heeft gered. We knikken naar elkaar. Dan springt hij de bus uit en jogt naar de supermarkt.

Magnus staat op en kijkt door de voorruit van de bus. 'Kut. We bewegen.' Een paar meter voor ons verlaat auto na auto de file en draait een smalle zijweg in. Magnus drukt zijn voorhoofd tegen het zijraam en schermt het af met zijn handen.

'Hij staat in de rij voor de kassa!' roept hij.

De bus begint te rijden. Sneller dan het afgelopen halfuur. De supermarkt verdwijnt uit het zicht. We kachelen verder met een te voet onoverbrugbare vijftig kilometer per uur.

'Shit, we zijn hem kwijt’, zegt Magnus.

'Wat de fuck gaat hij doen? Hij is in the middle of fucking nowhere en dit is de laatste fucking bus’, gilt Jason. 'O mijn god dit is zo hard mijn schuld.' Verslagen laten we ons in onze stoelen vallen. 'We zijn Jezus kwijtgeraakt en het is mijn schuld’, zegt Jason met betraande ogen.

'Wel een beetje,’ zeg ik, 'sorry man.'

'Dit is Gods straf voor mijn racisme tegen mijn eigen ras.'

Op dat moment horen we een luide bonk achter in de bus. We draaien ons alle drie om. Dwars door het gangpad heen ligt Jezus plat op zijn buik. Hij hijgt alsof hij net een halve marathon gelopen heeft. Gezien de snelheid van de bus is dat ook ongeveer het geval.

'Dit kan niet’, zegt Jason ademloos.

'Je hebt je naam waargemaakt, Jezus’, zegt Magnus.

Steunend op drie tweeliterflessen bier duwt Jezus zichzelf overeind. Magnus en Jason rennen op hem af. De Deen pakt de flessen over. Jason begint hem met zijn beide handen lucht toe te zwaaien en blaast op Jezus' bezwete gezicht. 'Ik zou je dragen, maar ik durf je nooit meer aan te raken met deze minderwaardige handen.'

Jezus laat zich op de stoel tegenover me vallen. Jason gaat wapperend naast hem zitten. Magnus draait een fles bier open en geeft hem aan de stille Amerikaan.

'Hoe dan?' vraag ik Jezus.

Hij kijkt op me neer met stralende ogen. Haalt zijn schouders op. 'Ik heb gerend.'

Hij stopt zijn hand in zijn zak en haalt er een glazen flesje uit. 'Jij drinkt geen bier toch? Ik had zo het idee dat een merlot wel goed moest zijn.'

Ik pak de rode wijn aan. Hij knikt me intens gelukkig toe.

De Deen draait de andere twee flessen bier open.

'Cheers’, zegt Magnus en steekt zijn bierfles ter grootte van een baby in de lucht. 'Op wonderen.'

'Op Jezus’, zeg ik.


 

Ba

Simon Vermeulen  

Tweede laureaat proza van Babylons Interuniversitaire Literaire prijs 2017

 

 

Vanaf het ogenblik dat ik ’s morgens mijn ogen open

Roep ik tot jou

Tot in de hoogste hemelen. 

Hoor je mijn stem dan niet? 

Je mag niet niet ver van mij zijn. 

 

Fragment uit het Egyptische Dodenboek, tweede millennium voor Christus

 

 

Misschien ligt het aan de hitte in dit land, of aan de kruiden die de mensen hier verstoppen in hun eenpansgerechten. Misschien komt het omdat ik de laatste dagen bijna onafgebroken graven van farao’s en edellieden heb bezocht, stille getuigen van wat voorbij is.
In ieder geval: in Egypte droom ik van Ali. Hij ligt naast me, het is nog warm voor een oktobernacht, wij zijn voor altijd tweeëntwintig. Vlijmscherp dringt de muskusgeur van zijn onderlichaam binnen in mijn neus. Ik zie zijn lange wimpers, de plooien in zijn knieholtes, hoe de haartjes onder zijn navel omhoogkomen bij de gedachte aan mijn aanraking. Mijn lievelingsplek is waar de onderkant van zijn ruggengraat overgaat in donker vlees, dat nu ultramarijn is. Gutturalen vloeien als velours uit zijn keel, hij zingt het Arabische slaapliedje dat zijn grootmoeder hem leerde. Ik rol me naar hem toe, onze ledematen vlechten zich in visgraatpatroon. Dan gaat hij op in as.

Ik doe mijn ogen open. Zweet op mijn polsen, op mijn voorhoofd. Ik merk dat ik op een bank lig in de tuin van een verlaten hotel in Luxor. Het is late namiddag, hier klinken geen gutturalen van fluweel. Er is alleen zwembadwater dat zacht kabbelt en de bedwelmende geur van jasmijn. Ik sta op, doe de koningsblauwe pantoffeltjes aan die ik vorige week op de markt heb gekocht.

‘Schaam je’, mompel ik.

Er is niks in de wereld zo absurd als in een Egyptische stad op zoek gaan naar iemand die daar al jaren niet is geweest. Toch doe ik het. Ik moet de plek waar hij geboren is in kaart brengen, vastleggen op mijn netvlies, elke verborgen hoek memoriseren. Na een maand weet ik perfect hoe ik moet verdwalen zonder de weg kwijt te raken. Ik spring over muurtjes, sluip door rietstruiken, doe deuren open van half afgewerkte huizen, loop door gangen, kom weer naar buiten, verover de stad zonder dat iemand het in de gaten heeft. Onderweg inhaleer ik alles zoals hij het zou doen. De roze en gouden en blauwe gewaden die pas gewassen aan de balkons hangen, het claxonneren van roestige auto’s die me passeren, het gejengel van kinderstemmen vanuit de ramen, de rieten manden op de hoofden van de vrouwen, de zon op mijn enkels. In de verte de papyrusvelden, daarachter de woestijn, met koningsgraven vol wandschilderingen van een hiernamaals dat zo vrolijk en onbezorgd is afgebeeld dat het een steen in mijn borst legt.

‘Ik heb alle reden om mijn stad te haten, maar dat kan ik niet’, zegt Ali. ‘Daar is ze te teer voor. Te gelaagd ook. Oh, Simon.’ We zitten in zijn kleine keuken, het is een druilerige dag in maart. Zijn cursus Egyptologie ligt open op tafel. Zijn linkerhand rust op mijn dij, zijn rechter roert met een lepel in een kopje muntthee. Met een mechanische precisie voert zijn pols de beweging uit; hij is een chirurg die een oogoperatie uitvoert, het lepeltje zijn instrument, de doorweekte muntbladeren een patiënt met cataract.

‘Je verheerlijkt haar’, zeg ik. ‘Jouw stad, jouw land. Je weet wat ze daar doen met mensen zoals jij en ik.’

Ali’s hand, die druk bezig was zich een weg naar mijn onderbuik te zoeken, verstart. Zijn schouders gaan omhoog, hij buigt zijn hoofd. Ik had hem evengoed in het gezicht kunnen schoppen. Hoe hij mijn aankijkt, die ogen. Een maan zonder nacht. ‘Het is niet aan jou om een oordeel over ons te vellen’, zegt hij.

‘Dat jij nog altijd over “ons” spreekt, Ali. Ze zouden je stenigen. Je bent gevlucht. Naar Leuven. Weg van hen.’

Ali neemt een slok van de thee die nog te warm is. Zijn adamsappel vecht. ‘Luxor is zo warm, zo kleurrijk. Hier doen mijn botten pijn. Soms voel ik ze rammelen. ’s Nachts. Alsof ik hier uit elkaar rammel.’ Stilte. Ik leg mijn hand op zijn heup. Mijn vingers glijden onder de elastiek van zijn jogging, omklemmen zijn heupbot dat zo dicht onder zijn huid woont. Houden het vast.

‘Bij ons bestaat er een gezegde’, zegt Ali zacht. ‘Misschien missen we de maan alleen maar omdat ze ver is.’

Ik staar hem aan. Het is alsof hij recht in mijn gedachten heeft gekeken, heeft ontrafeld dat ik zijn ogen altijd met een nachtelijk weerfenomeen vergelijk, heeft ingezien hoezeer ik hem vergoddelijk. Plots haat ik hem omdat hij het zo schaamteloos doet, mijn hart en mijn metaforen uit mijn lijf trekken en verdraaien naar zijn willekeur. Ik heb me nog nooit zo naakt gevoeld in Ali’s bijzin, en tegelijk nog nooit zo ver.

‘Stik in je thee’, zeg ik en loop de keuken uit.

Oude Egyptenaren geloofden dat de ziel van een mens uit zes verschillende onderdelen bestaat. Een ervan is de ka, soms vertaald als levensvonk, dat wat een levende van een dode onderscheidt. Nauw verbonden met de ka is de ba, die in het hart woont.

‘De ba is geen eenvoudig begrip’, legt Ali me op achtentwintig april uit. ‘Een westerling als jij zou het kunnen vertalen als “ziel”.’

‘Een westerling als ik’, snuif ik.

Onverstoorbaar gaat Ali verder. ‘In het Dodenboek staat dat als iemand sterft, de ba zich van het hart van de overledene losmaakt door zijn vleugels te spreiden en weg te vliegen.’

‘Vleugels?’

‘Ja. Een ba ziet eruit als een klein vogeltje met het gezicht van de overledene. Het zijn bijzondere wezens. Ze kunnen vrij door de hemelen reizen, elke vorm aannemen die ze maar willen en zelfs voor een tijdje in een vreemd lichaam wonen. Hun echte gestalte is voor ons, levenden, onzichtbaar. Maar we kunnen ze wél voelen.’

‘Hoe bedoel je?’

‘Na het overlijden van zijn gastheer blijft een ba vaak nog een hele poos ronddwalen in deze wereld. Egyptenaren dachten dat als je droomt over iemand die er niet meer is, de ba van die persoon naast je bed zit. Daarom sloten ze hun deuren, deden de luiken toe. Herinneringen mochten niet naar binnen. Archeologen hebben heel wat briefjes in de woestijn teruggevonden met smeekbedes erop die gericht zijn aan ba’s van overleden geliefden. Laat ons met rust, staat er. Alstublieft. We willen vergeten.’ Buiten tokkelt de regen. Ik kijk naar de kringen onder Ali’s ogen, die even paars zijn als de magnoliabloesems op de ruiten.

‘Simon, ik …’ Zijn stem stokt.

‘Ali?’

‘Ik moet aan het werk’, mompelt hij.

‘Beloof me dat je jouw ba vaak op bezoek laat komen als je jezelf ooit dood studeert’, zeg ik. 

Ali buigt zich naar me toe. ‘Niet mee spotten, Simon. Niet doen. Kom.’  Zijn vingers achter mijn oren. Truien vallen als pellen van onze lichamen terwijl Ali zijn tanden zacht in mijn lip zet. Muskus is overal. Dit is op achtentwintig april.

Op de dertigste hangt Ali zich op.

 

Ik passeer een smal huis. De ingang wordt bedekt door een gordijn van kralen. Voor de kralen zit een man op een krukje. Om zijn hoofd draagt hij een blauwe sjaal die alles bedekt behalve zijn ogen.

Salaam’, zeg ik.

Met Egyptenaren weet je nooit. Ze kunnen heel vriendelijk zijn tegen vreemdelingen, maar evengoed kil, alsof je niet bestaat. Deze man heeft blijkbaar tijd nodig om zijn beslissing te nemen. Zijn ogen waaieren uit over mijn gezicht, mijn lijf. Donker goud schiet door zwart, weerkaatst het licht. Het is alsof hij met de zon zelf kijkt, niet met pupillen.

‘Aha’, zegt hij zacht. ‘Eindelijk ben je daar.’

‘Excuseer?’

De man wikkelt zijn sjaal naar beneden. Hij is jong, een decennium ouder dan ik misschien, maar glimlacht nu al met de droefheid van iemand die weet hoe diep het leven bijten kan.

‘Je loopt al een maand rond in de stad, helemaal alleen. Het is moeilijk om jou niet op te merken.’

‘Aha’, zeg ik.

‘Ben je verkouden?’

Ik haal mijn neus op. ‘Een beetje.’

‘Ik kan je helpen’, zegt de man. ‘Wacht.’ De blauwe sjaal fladdert achter ons aan als hij me door het kralengordijn duwt.

‘Welkom in de meest vermaarde parfumerie van Luxor.’

De ironie in de stem van de man is meedogenloos. Zijn winkel bestaat uit een slecht verlicht kamertje met een paar schappen aan de muren. Op de schappen staan flacons en kleine potjes, een stuk of dertig.

‘Geuren en oliën. Dat is m’n job. Ik moet wel gek zijn – maak ze allemaal zelf. Munt tegen een slechte adem. Aloë vera tegen zonnebrand, uitslag, wratten. Sandelhout tegen spierpijn. Muskus om je bloedsomloop in gang te krijgen. Hier, deze heb je nodig. Eucalyptus.’ Hij neemt een flacon van het schap, schroeft de dop eraf en giet wat van de inhoud in een flesje.

‘Ik heb geen geld’, zeg ik.

‘Maakt niet uit. Je krijgt het van me.’

‘Ik ...’

‘Zeg maar niks, houd dat ding onder je neus. Dat werkt helend. Hoe heet je?’

‘Simon.’

‘Ali. Mijn naam is Ali.’

Tien minuten hebben we nodig om vrienden te worden, deze Ali en ik. We zitten voor zijn winkel, de warmte van het land ligt over ons. Ik op het krukje, Ali in het zand, Luxor om ons heen, fluisterend. We drinken hete thee.

‘Wat brengt jou hier?’ vraagt Ali.

Even overweeg ik om het hem te vertellen. Alles. Hoe de liefde soms opduikt in een ontbijtbar, o jij van Luxor, ik van Leuven, aangenaam, loze praatjes terwijl je het allebei al lang gevoeld hebt, dat hij het zal zijn en niemand anders. Hoe een bleke en een donkere jongen in maanlicht allebei koningsblauw worden, hoe baarden en dijen versmelten tot één kloppend lichaam. Een echo nestelt zich vast in mijn oor, bijt de dag aan flarden. Even vult mijn hoofd zich.

Dan is het weg.

‘De tempels’, antwoord ik. ‘Ik ben hier voor de tempels.’

Ali zegt niets. Peilt me. ‘Hee Simon’, zegt hij na een poos. ‘Welke heb je nog niet gezien?’

‘Excuseer?’ In dit land excuseer ik me vaak.

Ali wijst naar een zwarte, glimmende motor die een beetje verderop staat.

‘Van mij’, zegt hij.  ‘En nu ook even van jou, als je dat wilt. Een ritje door de velden, naar de Vallei van de Apen. Geen enkele toerist kent die. Kom.’

Kom. 

Kom. 

Ik draai me om naar de Egyptenaar. Die zit al op zijn motor. Ver boven ons snelt iets weg. Terwijl ik naar de zon loop, begin ik te gloeien.

 


Ay arriba, por ti seré (Ach vooruit, voor jou zal het zijn)

Manon Struys

Derde laureaat proza van Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs 2017

 

 

‘Ik ga alleen naar de groepsgesprekken om de verhalen van anderen te overtreffen.’ Janna en ik liggen naakt op de keukenvloer, ons gewicht net niet evenredig verdeeld. We zaten vannacht met elkaars hoofd in onze handen en besloten dat het hare net wat zwaarder weegt. Het rust nu op mijn buik, bij elke gestamelde bekentenis gaat het zachtjes op en neer. Ik denk niet dat ze nog dronken is. ‘Mijn moeder haat me.’ Ze werkt zich langzaam omhoog op een elleboog, kijkt me zwijgend aan. Waar spijt en gemis elkaar raken, daar hebben we elkaar gisteren ontmoet. Ze gaat nu helemaal rechtop zitten, legt haar handen op mijn bovenbenen, gaat zachtjes over de stoppels van een week oud. Van mijn benen gaat ze verder naar mijn heupen, mijn ribben, mijn borsten. Haar smalle handen bedekken ze helemaal, van de koude worden mijn tepels stijf. Mijn lippen zoeken de hare terwijl ik zachtjes mijn handen in haar nek leg. Ze ruikt naar sigaretten en nat hout, ik bijt zachtjes op haar lip terwijl we ons op onze knieën omhoog werken, met onze handen op de zwarte tegels kijken we elkaar aan. Over haar schouder zie ik onze slipjes waar lang niet zo veel poëzie meer in zit nu ze op een hoopje in de hoek van de kleine keuken liggen. ‘Wist je dat zwart geen echte kleur is? Het is het ontbreken van alle licht.’

Ze staat op en wast haar gezicht onder de kleine kraan, droogt het af met een keukenhanddoek. Voor het raam blijft ze staan. De zon lijkt net als ik besloten te hebben dat er nog wel een ochtend bij kan nu hij haar gezien heeft, het is veel te vroeg om al wakker te zijn maar we hebben niet geslapen. We dronken vanochtend koffie op mijn terras en fronsten over een gedeelde krant, al waaide het zo hard dat na een paar minuten de helft in ons gezicht hing en de andere bij de buren. We gingen op onze sokken de tuin in. Ik was er twee seizoenen niet geweest, de hele tuin voelde als een verwaarloosde geliefde maar we zeiden niks, raakten elkaar alleen zacht aan, zijn takken zachte strepen achterlatend op onze naakte lichamen. We kwamen met diezelfde sokken terug binnen, want er was niemand om ons te zeggen dat dat niet mocht. Ze draait zich om. Haar zwarte krullen, bijeengehouden door een groen lint, dansen rond haar gezicht alsof er iets te vieren valt. ‘Je moet vertrekken.’ Achteloos stapt ze over me heen, er vallen druppels van haar handen op mijn gezicht. Ik veeg ze niet weg. ‘En bel je moeder.’

Er zijn erg veel mensen op straat op lentedagen als deze, die niet per se mooi zijn maar wel erg warm. Ik bedenk dat het misschien vooral het gevoel van het nakende onweer is dat mensen de straat op drijft, genietend van iets (een glas rosé bijvoorbeeld), beseffend dat het einde daarvan op datzelfde moment al in de lucht hangt. Geluk wordt meestal het meest intens beleefd met de eindmeet in zicht. Ik haal mijn handen door mijn nog natte krullen, laat ze over mijn gezicht naar beneden glijden. Een halfuurtje later zit ik op de bus, mijn hoofd tegen het vuile raam. We schreven er vroeger ‘WAS ME' in, elke week op de terugweg van de zwemles, onze natte haren ongekamd en stinkend naar chloor. De zwemmeester had een litteken op zijn bovenlichaam zo lang als onze arm. Ik heb hem nooit durven vragen wat ze eruit gehaald hebben. Ik schrijf mijn naam in het stof, steek mijn vinger in mijn mond en hoop dat de volgende die op deze plaats komt zitten niemand kent met mijn naam. Mijn moeders naam is heel wat minder zeldzaam en in de jaren na onze laatste ontmoeting werd het gezicht daarbij vervangen door minstens vijf andere maar nog steeds kan ik hem niet tegenkomen zonder haar rollende r en benauwde lachje te horen. Intussen is haar naam gezakt naar de zesentachtigste plaats op de lijst met populaire voornamen. Het stelt me gerust dat de kans dat ik binnen tien jaar ontroerd zal worden door jonge mensen die haar naam met trots meedragen bij al hun eerste stappen steeds kleiner wordt. Ik weet niet wat ik zou doen als ik zou weten hoe het nu met haar gaat, opgelucht zijn of een slechte gewoonte aannemen.

Mijn hart trekt steeds meer samen terwijl de bus vertraagt en aan de halte tot stilstand komt. Ik hoef niet te bellen, ik ben nooit de enige die hier afstapt. Ik weet niet of ik wel de enige ben die zich afvraagt wat ik hier kom doen. De ruwe lentewind haalt als een contradictio in terminis mijn natte haren overhoop terwijl ik mijn tas steviger op mijn schouder hijs en aan het lange pad tussen de hagen begin, die sinds deze week weer voorzichtig groen zijn. De grote boom iets verderop heeft veel te vroeg bloesems gekregen, ik denk niet dat ze het slechte weer van volgende week zullen overleven. Ik stap stevig door, neem de trappen met twee treden tegelijk tot ik aan de ingang van het ziekenhuis kom. Het duurt altijd een paar seconden voor de schuifdeuren hier opengaan, waardoor ik er nooit kan uitzien alsof ik weet wat ik doe. De gangen lijken op die van een middelbare school die erg begaan is met de gezondheid van haar studenten, de vlaggetjes aan de muur langs de trap naar de eerste verdieping doen ook hier hun best om het te doen lijken alsof we met plezier komen.

Ik ben de laatste, elf hoofden draaien zich naar me om terwijl ik voorzichtig de deur open. De poten van de zware stoel laten strepen na op de vloer terwijl ik hem naar achter trek, aarzelend eerst, dan vastberaden, om weer net iets te ver van de tafel te gaan zitten. De zon schijnt fel door de grote ramen, ik kan mijn ogen niet volledig opendoen. Een vrouw van middelbare leeftijd die me aan een lied van Gorki doet denken vertelt dat ze denkt dat haar dochter haar niet meer wil zien. Hoe ze van haar niet meer mag praten over de brokstukken in haar hoofd en hoe haar kinderen haar steeds meer vergeten. Als ik haar zeg dat ouders meer dromen stukmaken dan wie dan ook gaat ze huilend naar buiten. Het doet me weinig. Ik neem mijn gsm uit de zak van mijn jas, zoek haar naam in mijn contactenlijst terwijl ik weet dat ik haar zo niet zal vinden. Ze staat er nog altijd hetzelfde in. ‘Vanavond om 9 uur bij mij?’ Ik vraag me af of ze mijn nummer verwijderd heeft. Op de bus terug naar Leuven schrijf ik niks op de ramen, mijn handen spelen haar favoriete lied op mijn bovenbeen. Ze kon prachtig zingen, mijn papa speelde gitaar terwijl mijn broer en ik op de rand van de doorgezakte zetel zaten en ons beste Spaans bovenhaalden. Para bailar la bamba se necesita una poca de gracia. Misschien moet ik mijn excuses aanbieden volgende week.

 

Terwijl de zware groene voordeur achter me dichtvalt, zoek ik in het zachte licht naar een kleine vrouw met zwarte haren en een grote roze handtas. Ik heb haar mijn huisnummer niet gegeven. Ik vind haar op de hoek van de straat, haar hand om haar tas geklemd, een dunne roze bril op haar neus. We kijken elkaar zwijgend aan, als ze haar hand naar me uitsteekt zet ik een stap achteruit. We hebben allebei een oog dat kleiner is dan het andere, een uitgesproken kin, brede schouders voor een meisje. Voor een vrouw. We wandelen richting Ladeuzeplein, elke paar stappen schuurt mijn jas tegen de muur, maar ik doe alsof ik het niet merk. Hoe langer de stilte tussen ons duurt, hoe kleiner ze wordt. Ze leek heel wat groter toen ze in het publiek stond bij mijn dansoptredens en schoolfeesten jaren geleden, hevig zwaaiend en andere ouders wegduwend in haar enthousiasme. De enige zonder lampje boven haar hoofd (ze kon niet met een camera werken), de zwarte vlek in alle andere filmpjes. ‘Dan moeten ze maar niet zo in de weg gaan staan.’ Op alles had ze een antwoord, altijd de waarheid in pacht, stevig onder haar arm geklemd leek het wel, in haar grote roze handtas waar nooit iemand in mocht. Als haar telefoon overging, vergat ik altijd net lang genoeg waar hij stak om ook de rest van de inhoud gezien, doorzocht, aangeraakt te hebben. Nu ze hier zo naast me loopt, op zoek naar woorden net als iedereen, lijkt ze bijna in mijn hand te passen. Mensen groeien altijd met hun woorden mee.

Aangekomen in het café waar ik de afgelopen jaren meer avonden sleet dan ik haar gezien heb, ga ik haar voor, zet met opzet mijn vingers op de glazen deur. Ze zegt er niks van. We kruipen op te hoge stoelen, bestellen koffie bij de cafébaas en doen alsof we te veel afgeleid worden door het getik van zijn houten been om te beginnen praten. Ik heb al drie bierviltjes in stukjes gescheurd wanneer onze koffie komt. De tassen maken vochtige kringen op het tafelblad waar we intussen barsten in gezwegen hadden kunnen hebben. In het oranje licht van de goedkope lampen zie ik voor het eerst dat alle zachte lijnen uit haar gezicht verdwenen zijn. De angst om vergeten te worden en de vrijheid van verloren te hebben schijnen het niet met elkaar eens te raken. Ze maken haar oud. Ik wil naar huis. Er zit een gat in mijn sok maar ik ben inmiddels te groot om daar nog door te ontsnappen. Ze haalt haar handen door haar zwarte krullen, de eerste strepen grijs zijn intussen zichtbaar. Ze schraapt haar keel, schuifelt ongemakkelijk heen en weer, gaat op haar handen zitten. ‘Dus. Hoe gaat het nu met je?’ Het was vorige week Moederdag, het magazine van mijn vaste krant bracht een hele editie over moeders. Hoe die ook maar mensen zijn. Hoe die altijd hun eigen zorgen op hun kinderen uitwerken. Hoe elke dochter uiteindelijk in haar moeder verandert, en hoe dat haar ondergang is. Je moet je vooral losmaken van je moeder, zeiden ze. Dat het altijd gedoe is met moeders, denk ik, en dat ik daar geen grip op krijg. Ik sta op, veeg de gescheurde bierviltjes in mijn hand, schuif mijn stoel onder tafel, betaal onze koffies. Ik kijk niet meer om terwijl ik de deur van het café achter me dicht laat vallen. Ik weet dat ze naar me kijkt terwijl ik de hoek om sla en mijn straat weer in loop. Yo no soy marinero, soy capitan. Laat het los. We hebben beiden niets meer hoog te houden, alleen ons hoofd.