In memoriam

Hubert van Herreweghen

Hubert van Herreweghen is overleden. Hij heeft jarenlang een prominente rol gespeeld in de redactie van Dietsche Warande & Belfort. Ik heb voor het eerst zijn jonge, open geest leren kennen bij mijn aanstelling in 1993 als hoofdredacteur van het tijdschrift. We hebben in het domein van Dworp een uur samen gewandeld, in zijn bekende hoge tempo, en hij heeft me overladen met goeie raad en vriendelijke adviezen.

We hebben elkaar nadien vaak ontmoet, maar om hem te eren heb ik toch een tekst nodig, mijn laudatio als jurylid van de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse provincies 2006 voor het gezamenlijk oeuvre van een auteur. Ik heb het verslag van jurylid Patrick Lateur in mijn tekst verwerkt, en voorts niks veranderd noch geüpdatet.

‘Hubert van Herreweghen, geboren op 16 februari 1920 in Pamel-Roosdaal, publiceerde zowat twintig dichtbundels in de loop van zes decennia tussen 1943, het jaar van zijn debuut Het jaar der gedachtenis, en 2005, waarin zijn voorlopig laatste bundel verscheen, Een lamentatie van de melaatse koning. Afgezien van zijn eigen poëtische productie, is het leven van Van Herreweghen volledig gewijd aan de literatuur. Beroepsmatig is de dichter steeds betrokken geweest bij de letterkunde als medewerker aan en als verantwoordelijke voor dramatische en literaire programma’s van de openbare omroep, zowel radio als televisie.  Daarnaast was hij redacteur van tijdschriften als Podium en De Spiegel en vanaf 1947 redacteur van Dietsche Warande & Belfort, wat hij bleef tot op de dag van vandaag. Hubert van Herreweghen is steeds een scherpzinnig bloemlezer van poëzie geweest. Van 1965 tot 2000 verzorgde hij voor het Davidsfonds een selectie van vijftig gedichten uit de poëtische jaarproductie in tijdschriften, negen nummers met Jos de Haes, en vanaf 1975 zevenentwintig deeltjes met Willy Spillebeen.  

Het werk van Hubert van Herreweghen werd meermaals bekroond, onder meer met de Prijs van de Provincie Brabant in 1945 voor Liedjes van de liefde en van de dood, met de Driejaarlijkse Staatsprijs voor Poëzie in 1961 voor de bundel Gedichten III, met de Sabamprijs voor zijn hele oeuvre in 1980, de Emiel Bernheimprijs voor zijn bundel Karakol uit 1995 en in 2004 de Dirk Martensprijs voor de bundel Een kortwoonst in de heuvels.  Sinds 1983 is hij ook lid van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal– en Letterkunde. Hij ontving in 2003 de ‘Orde van de Vlaamse Leeuw’ voor zijn bijdrage aan de Vlaamse cultuur.

              .

Ondanks zijn betrokkenheid bij literaire tijdschriften is de dichter altijd zijn eigen weg gegaan, eigenzinnig en authentiek. In zijn bekende en inmiddels meer dan een halve eeuw oude bijdrage Getuigenis 1950: De Poëzie stelde hij: ‘De dichters schrijven niet in bende, denken of voelen niet in groep, […] hyperindividualisten.’  Dat is wellicht de reden waarom hij nooit school heeft gevormd met generatiegenoten als Jos de Haes, Christine D’haen en Anton van Wilderode, met wie hij een klassieke schriftuur deelt.

De weg die hij gegaan is, ontwierp de dichter in Getuigenis 1950 door de nadruk te leggen op ‘een gestileerde wanorde, een spel van tonen en tegentonen, moderne onrust in klassieke maat’.  Een balanceren tussen wat de grote literaire traditie hem heeft aangereikt en wat de moderniteit aan mogelijkheden inhoudt, klassiek en hedendaags: dat is het waarmerk van Van Herreweghens poëzie.  En het is merkwaardig te zien hoe de dichter dat doorheen zijn hele oeuvre voor ogen blijft houden.

Het werk van Hubert van Herreweghen wordt te vaak wat haastig gerangschikt bij autobiografisch-belijdende en romantisch-classicistische verzen, wat die termen ook mogen betekenen. Van Herreweghen heeft in zijn schaarse interviews steeds beklemtoond dat poëzie niet te warm of te week mag zijn, en dat het donkere en giftige hem méér interesseert. In een absurde, levensvreemde wereld van oorlog, technologie en ideologie is het onmogelijk een bevredigend antwoord te vinden op de vraag naar de zin van het bestaan. De dichter vergelijkt zich met een brak, een drijfhond: “Het is een geur die ik moet vinden/ het is een spoor, geen onderdak.”

Het is ook niet zo evident om hem een katholiek dichter te noemen, want in de religie wordt hij aangezogen door de zwarte zijde, die van schuld, met oudtestamentische figuren zoals Job, Jonas, Noach en Abraham. Als verwoed wandelaar in het Brabantse landschap staat hij wél dicht bij een kosmisch aanvoelen van de aarde, waarnaar hij terug wil keren, als een korrel in een groter geheel. Dat verlangen wordt verwoord door de frappante muzikaliteit van zijn verzen. Zijn soepele, inventieve poëzie suggereert zeldzame momenten van epifanie in een duister en zwaar bestaan. “Zuivere rust en niets begeren/ dan dat er niets gebeuren mag.”

Dat bijna oosters aandoende verlangen om te verdwijnen blijkt prachtig uit het gedicht “Japanse anemonen” uit Een kortwoonst in de heuvels.


Japanse anemonen

Tuinen verouderen in  ‘t avondlicht,

                              doven hun pracht.

Bloemen vergrauwen,

                              bang voor dieren,

                              de donkere,

                              met schaduwen omvacht,

die in de struiken vriendschap vieren

en samenklitten tot een nacht

                              van pad, slak, vleugels,

                              tand en klauwen,

vouwen zich,

                              zoals jij, gekrulde,

                              krolse,

vouwen zich op hun teerste delen dicht.


Veel geluk, Hubert!’


Hugo Bousset