BLOG ATTE JONGSTRA

Wachtgevels (4)

 

 

 

 

Wachten: schots en scheel 

 

Blind als Homerus omgewerkt, of liever gelijk 

Walter Scott het uit te drukken, in rode Schotse ruit

gestoken. Klassiek scheefhoekig, schuins, op 

geen der kanten staande. Zo scheel als wat, 

maar immer met de middellijn loodrecht: 

 

Niemand ademt aan de overkant, Niemand keerde 

heen naar Ulyssingen, altijd onderweg van hier 

naar hier. Wie is er achter, wie belichaamt 

onze woning? Zie je onbestorven weduwvrouw, heer 

Niemand, en kom naar mij terug, je eigen schots en 

schele, ik wacht op jou. Heb geen schrik voor het 

ene glazen oog in mijn baksteenrode aanzijn. 

 

Zie: ik heb mijn Schotse jurk weer aangetrokken, 

de aanmerkelijk geruite – weet je nog hoe vurig ik 

die dragen kan? Met haar kleine vierkante perkjes op 

hun kant, en eentje die ontbreekt en zo graag

gestopt wil worden. 

 

Soms hoor ik zware boerenkarren over de steenweg 

rollen, en mijn gevel daveren doen en rammelen. 

Mijn ruiten kan men niet te paard bespringen, niet mijn 

Niemand die dat ook verlangt – jij zult zachtjes komen 

aangevaren over braakgelegen weiden tussen ons. 

 

's Nachts leef ik een groter, sterker leven en 

gloeit mijn ruit gelijk een heet en brandend oog,

uitkijk in een muur die stijf van wachten staat.