Babylons Interuniversitaire Literaire Prijs: de laureaten

Babylons Interuniversitaire Prijs: de laureaten

Proza

Eerste laureaat

Jan Buts

Lilith


Er is sprake van een inbraakgolf. Alsof de zwartgemutste koevoetjongens schuimkoppend op onze gevels aanspoelen. Er zijn tekens gevonden. Driehoeken, vierhoeken en rondjes. Als kustwachters spieden melancholieke politiemannen naar boosaardige indringers. ’s Avonds paraderen zij voor mij, en ’s ochtends ik voor hen. Ik leef bewust. Mindful heet dat nu, geloof ik.

        Sinds de politie er is, zijn de schatgravers niet meer welkom. Ze komen niet langer naar de glasbakken, met hun grijpstok en hun zaklamp, op zoek naar verborgen flessenpost door de gaten in het groen. Zij kopen nu hun flessen, elders met meer animo, en zijn even aandachtig bij het bodemonderzoek. De inbraakgolf wist zachtjesaan hun voetsporen uit, de boodschappen blijven ongelezen.

        Bij mij is er niets gestolen. Bij de buren evenmin. Je zou er haast ongeduldig van worden. Bij mijn moeder, die aan de overkant van de straat woont, is er dan weer van alles weg. De dokters weten ook niet juist wat. 

        Als ik in de spiegel kijk, zie ik een mooie, gezonde vrouw. Volgens de tijdschriften bij de dokters is dat al enkele jaren abnormaal, en ik maak me daar weleens zorgen over. Ik heb de hele dag ruimte om me zorgen te maken. Zorgen zijn privé, en ik werk thuis. Grafisch ontwerp, huisstijl. 

         Wanneer hij thuiskomt, krab ik de korstjes van mijn vriend. Ik krab met mondjesmaat de korstjes van de wondjes van mijn vriend. Hij vindt dat walgelijk, en ik ook, maar ik op de manier dat intimiteit altijd nogal walgelijk is, althans voor buitenstaanders. Hij zegt: ‘Ik weet niet of het wel juist voelt. Je hier elke dag achterlaten, in dit klimaat.’ 

        ‘En dit, voelt dit juist?’ 

         Zijn hand voelt verbaasd, maar dat kan niet, hij had de foto ontvangen.  

         Na afloop kijken we televisie, uit nostalgie. Dat zit zo: diep in het woud azen hoge bomen op karkassen van eskaders doodsdronken zalmvissen. Beren hebben hen eerder gebeten, en de bomen weten wel beter dan krakend hun kronen neer te storten om de schedels van beren te breken. Ze kennen hun plekje. Dat wil zeggen: het dunne meisje dat dagelijks kwam aangelopen, halthield, haar overspannen benen op mijn moeders vensterbank legde en me quasi halfnaakt probeerde te doorboren met haar hongerogen komt niet meer, nu achter die vensterbank mijn moeder haar kleren aflegt. Dat wil zeggen: er is altijd meer, en er is altijd iemand. Maar dat is televisie. 

         Na afloop zet hij de bril die hij niet nodig heeft op, neemt de bewijzen uit zijn zakken, en schrijft zorgvuldig in het groene boekje: dit, zoveel geld, dat, zoveel geld. Hij kijkt fronsend en bedachtzaam naar me. Bang, zou ik zeggen, maar ik respecteer iemands zelfbeeld. Alarm, zoveel geld, machete, zoveel geld. Een hond, die hebben we. 

        Ik krab aan de jeukende stoppels door de legging heen. Hij vindt dat walgelijk, maar op de manier dat hij een bedarende hand in zijn broekzak houdt. ‘Sst’, zegt hij. ‘Sst, dit vind je niets, geloof me.’ Als ik, ik persoonlijk, wil gruwelen, denk ik aan huiden als honingraten. Raten vol vingertopgrote gaten, waarin ik kan rusten voor ik ga krabben. Wat ik voel in mijn buik is dan net als liefde, hoewel ik beter weet ervan weg te blijven. Voor we slapengaan maak ik mijn broekzakken leeg, en vraag me af waar het allemaal vandaan komt. 

         Er is sprake van achterdocht. Een omheining is met een tang doorgeknipt. De symbolen op ons muurtje zeggen ‘vrouw alleen’ en ‘geld in huis’. Hij heeft ze nog niet gevonden. Het gaat goed met het grafisch ontwerpen. Het gaat goed met mij. 

         Vroeger was het voornamelijk mijn moeder die door een kier in het gordijn de voorbijgangers beloerde. Nu doen ze het allemaal, en zij steeds minder. Als een naakte rotspunt wacht ze op flessenpost, terwijl de kustwacht steeds maar aanzwelt. Een auto is beschadigd. Iemand die een seconde te lang achterom keek is ertegenaan gelopen. Alleen zij weet dat.  

         Er is sprake van een burgerwacht. De politie mag naar huis, maar voelt zich hier te ongemakkelijk. Zaklampen bestaan opnieuw. Hun gebroken vingers ritselen lichtjes over de zoldering. Ze zoeken naar de gaatjes waarachter ratten schijnen. 

         Er huizen ratten in de spouwmuur en in het vals plafond. Op een dag komt de zwarte rattenkoning met donderend geraas uit de zoldering gerot. 

  

Mijn moeder is op visite. Mijn vriend durft haar niet opnemen. Haar naaktheid is voor hem een feit, onveranderd door het aantal laagjes dat ze draagt, onveranderd door het aantal kousen dat haar bloedbaan in banen leidt. Ze vraagt naar wat we doen, bijna naar wie we zijn, maar ze weet duivels goed hoe de vork in de steel zit. Zij zit thuis, en thuis is privé. Over de boodschappen zegt ze: ‘Ja, dat is waar, je moet lijnen leren trekken.’ Ze bedoelt dat je geen net moet hangen. Dat je geen net moet hangen omdat de rattenkoning komt. Ik heb mijn handen gewassen, maar ze branden blaren in mijn bedaardheid. Hij zegt, zomaar, uit het niets: ‘Er zijn overal camera’s tegenwoordig. Elk telefoongesprek wordt met drie gevoerd. Geloof me, niets is nog geheim. En iedereen zegt och, ik heb toch niets te verbergen, maar dat is het punt niet. Ze nemen alles op. Alles.’ 

         Zij zegt: ‘Dat is schoon. Dat is schoon, dat ze dat doen. Ik kan dat allemaal zelf niet meer onthouden.’ Haar pusdoorlopen pupillen weten waarover ze spreken. 

         Als het oude meisje weg is wil hij voortbouwen aan paal en perk. ‘Alles wat ik vraag,’ zegt hij, ‘is waar je gisteren was, en wat je ermee gedaan hebt.’ 

         Ik heb een broodje tonijnsalade gegeten. 

         Ik kreeg het er niet bij. 

         Ik schaam me als ik een broodje tonijnsalade eet op een terras waar jonge gezinnen zitten. Zij eten wat anders, kijken misdeeld en verplaatsen de buggy een beetje. Toch niet waar kinderen bij zijn. Er is altijd al een burgerwacht geweest. Ik ga door de straten alsof het gangen zijn. Vogels ervaren kloven, geloof ik. Ik zou me schamen, en hij zou dat moeten weten. 

         Hij kijkt bedenkelijk. Hij zou het moeten weten, dus ik mag. Even later laat ik hem vastgeketend kijken, zodat ik klaar ben voor wat komt. 

         Toen ik hem voor het eerst zag, een jongen nog, vertelde ik die jongen mijn verhaal. Dat wil zeggen: Ik vertelde de jongen een verhaaltje. ‘Beeld je in: een nacht waarin enkel maan en sterren lichten. Geen straatlantaarns, geen televisies, geen kamerlampjes, geen schemervaatjes. Alle motten zouden, een massa minuscule wieken en vanen, vanuit de hoge bomen komen rijzen, furieus omhoog dwarrelend, hopend op benadering van de lichamen.’ Ik verwacht niets, maar wacht tot hij braakt, raad zijn arme gedachten, en draal dartel, als een kat, zijn kant-en-klare handen in. Dat wil zeggen: ik vertelde de jongen een verhaaltje voor het slapengaan. 

  

Niet veel later zonden we, in een plensbui van bereidwillige blindheid, een fles de zee in. Op het briefje stond een adres, een foto en degelijk grafisch vormgegeven: Lilith en G. Waar ook, wie ook, wij houden nog van elkaar. Hij had geweigerd, toen al, meer dan een initiaal vrij te geven. 

         Toen mijn moeder vorig jaar met luchtpost in haar papieren handen kwam aanlopen, hadden we verdriet. De schok kwam niet van het zien van de bedaagde blanke vrouw in de armen van de jongen in voetbalshirt, noch van het handschrift vol hanenpoten en herinneringen aan een schriftverschil: ‘Wij ook.’ De schok kwam van het feit dat wij ooit zulke dingen deden. Groetjes uit Myanmar, nu in Thailand de kustwacht naar boosaardige indringers spiedt. Dat laatste, dat is revisie.     

  

Het parochiefeest is afgelast. Niemand had zin om op een afgelegen locatie op onze benen te staan trillen, hopend niet naar een leeg huis te moeten terugkeren. Dat heet niet verhoogde waakzaamheid. Daarbij, niemand had de straat kunnen schoonmaken na afloop. Niemand heeft nog een grijpstok in dit klimaat. 

         G. (uit respect voor zijn keuze, dat initiaal) vindt het zonde, ook voor mij. Ik stond in voor het decoratieve aspect: vlaggetjes, tafelschikking, ballonnen. ‘Jij bent toch iemand creatief hé, Lilith?’ Onverschillig lijkt op verlegen, dat is niet nieuw. 

         Iedereen weet dat het parochiefeest nooit meer terugkomt. Er is niet eens een priester meer, en er groeit een boom op het dak van de kerk, maar vooral is er sprake van achterdocht, en daarvan sterven oude mensen. Sommigen van hen zullen niet weten dat het parochiefeest is afgelast, en zullen uit hun huizen rijzen, aangetrokken door iets dat al lang heel ver weg is, als motten door de maan. Sommigen van die sommigen staan er het jaar daarna weer, terwijl de bomen op de kerk azen op hun schedels. 

         Mijn moeder is te wijs daarvoor, te oud en wijs en naakt. 

         Soms zijn er ruzies op straat intussen, open en bloot, tussen mensen die elkaar amper kenden maar dagelijks zagen. Er gaan dreigementen mee gepaard, en nieuwe oude geschillen, en vuile was, gedeelde lakens. 

         Op het nieuws is er meer nieuws over de tekens. Iets met Bargoens, maar dat wist ik al, geloof ik. Het is vreemd hoe ze misdadigers vaak op de hoogte houden van de hete adem in hun hals. In films is dat een truc als een andere. De uitwisseling van informatie werkt overmoed in de hand en herinnert de indringer aan zijn eigen motieven. Hij wil worden bekeken. Bekeken, beschreven, gezien en gelezen. Bezocht. 

         Ik bel vandaag om een isolatiespecialist. De ratten worden baldadiger. Het is een kwestie van de overtuiging te vinden dat niet alle haat en minachting van de wereld zich ophoopt aan de andere kant van de lijn. Dat je niet wordt onthaald op hoongelach. Ik ben een mooie, gezonde vrouw, maar dat kan hij niet horen. Ik hoop dat hij mijn mond ziet spreken, vol goede bedoelingen. Ik hoop dat hij begrijpt dat ik gewoon wil dat hij langskomt. 

  

G. is al enkele nachten niet thuisgekomen. Normaal zou hij bellen. Naar mij en naar een afgevaardigde derde, dus. De ratten zijn intussen muisstil geworden. Hun wispelturigheid is storend. Ik veronderstel een inclusieve verklaring. Misschien heeft hij de dieren het woud ingeleid, grijpstok en toverfluit in de hand. Of hij is dood, en de ratten ook. 

          Op straat zegt de buurman, hooivork in de hand: ‘Verstaat ge het dan niet? Wie denkt ge dat er weg is met al die dingen? Lette gij wel op eigenlijk? En daarbij, ik wil het niet gezegd hebben, maar het zijn toch altijd die mannen hé. De grond te heet onder de vuile voeten, dat zeg ik. Het spijt me voor u, daar niet van.’ Al die spullen. Bij de buren is er niets weg. Bij hun buren evenmin. Nu hij weg is, trekt ook de politie herwaarts. Misschien op zoek naar hem. Misschien in Myanmar. 

         Hij verdient iets als een hulde. Tenslotte hadden wij weinig anders nodig dan elkaar. Thuisgekomen open ik het groene boekje, schrap ‘Tonijnsla?’ en noteer in grote, rode, eerlijke letters: krijt, zoveel geld, krijt, zoveel geld. Mijn moeder zit achter de vensterbank naar mij te glimlachen. Ze twijfelt of ze fier mag zijn, of dat ze me nog steeds moet opvoeden. De glasbakken worden stilaan weer benaderd door de eerste dappere vrienden. Als beren staan ze gebogen over hun prooi. 

         Die avond volgt er een bericht dat niemand waardeert: de tekens blijken broodjes aap. Ik zoek een spons, zoals mijn moeder deed nadat ik, op de wand waartegen de regen nooit slaat, iets lelijks had getekend. 

 Even later zegt de specialist: ‘Dat zijn geen ratten, dat zijn muizen.’ Ik stort door de zoldering. Ik draai me om terwijl hij dingen uitlegt en huil een beetje. Wanneer hij de trap afdaalt, fatsoeneer ik mezelf en grinnik wat, alsof ik me klaarmaak voor wat komen gaat. Wanneer hij weerkeert, huivert mijn hart. Op zijn stralende hoofd staat een donkere pet en een bril om de ogen te sparen. In de hand van de man ligt, glanzend en hard, een koevoet.


 

Tweede laureaat

Jens Meijen

Jericho

 

Er kruipt iets over m’n arm. Het is dat lavendelparfum van je, uit Amsterdam, en het bijt. Het sist op m’n vlees. Misschien rook je nooit naar lavendel, misschien ben ik gewoon gek geworden, maar af en toe proef ik het, wanneer ik over die gescheurde stukken huid wrijf. Dan bonst het in mijn slapen, zoals lang geleden (ik denk zelfs dat ik droomde), toen de zonnebloemen vol met ijzel hingen – witte baardharen, zei je – met de zon die je zo graag had willen zijn, het ochtendgeel dat grijnsde over het ijs en onze adem deed glinsteren. Toen bonsde die geur ook in mijn slapen, en kraakten mijn sinussen als een bevroren meer. De krijtstrepen op je gezicht zijn nat – ik veeg ze uit tot aan je nek en je oren. Korzelige, wakke kruimelkoek. Zwak. Wilde je de zon niet zijn? Hm? Je antwoordt niet, terwijl ik je gezicht vasthoud aan de kin en je bent de Dood, de vernietiger van werelden. Oppenheimer strijkt kleren in maatpak. Een auto toetert. Ik leg mijn hand weer op het stuur.

(Rechts afslaan) Good morning heartache, here we go again. Jamie Cullum op de radio, koperblazer en pianopingeling. Ik boor naar het hart van Andalusië, door haar aorta en haar glitterlichten. Daar is ze, en ze roept als een Spaanse furie. Haar schreeuw spat neonklodders op m’n 


Een sturmoffensief van         Cocktails  24/7

      Abierto / Open                          Casa del leon

Paris15

Restaurante Candamil

en El Pavone


hoornvlies; saffier en robijntjes van vlees en bloed – een tintentornado die de stad omarmt. 

Achteraf legt ze het weer bij, dat meisje, lief met lentelijke grillen. Ze kan het wel aan, de drukte, de bombast. Give me your tired, your poor, your huddled masses yearning to breathe free, Emma Lazarus, moeder aller bannelingen en dochter vàn. Dat hoop ik, althans. Johannes weet dat wel, van El’Azar – mijn schouders schokken; een rilling, een huivering, ergens ver weg. Diep begraven. En Jamie Cullum spit maar verder, onder het oog van de kolos.

Ik parkeer mijn wagen. Graffiti: EL AMOR HA MUERTO EN GOMORRA. Een panter kronkelt rond de stammen van het regenwoud; onder haar pootkussentjes duwt ze varens neer, vochtig en jong, slap nog. Ze sluipt over wortels en lianen, aan repen gereten vodden – de mantel van moeder oerwoud. Purper. Een prooi! Haar snuit gloeit. Ik maak me klaar om – iemand tikt op het raam. Señor, señor! Drogas? De man houdt een zakje met wit poeder omhoog, waarschijnlijk cocaïne en aangelengd met glasscherven. Medicamentos para la vida, señor, hij grijnst zijn scheve tanden bloot. Ik maak een wegwuivend gebaar, waarop hij zich terugtrekt uit het licht van de straatlamp en weer versmelt met de nacht.

Het dennetje aan de spiegel wiegt nog heen en weer. Ooit open ik ’s nachts het raam, vul mezelf met het gewicht van de naaldbomen, proef pollen op m’n lippen en de raspende cicaden. Naast m’n bed staat een laars. Aan de zool plakken God en modder. Ik moet, moet, moet veel en vooral vergeten – de laars schrob ik schoon in m’n kamertje, in het duister (vergeet dat trouwens elke week) en ik neem een stuk brood en kauw, zacht – achter mijn ogen, gesloten en bevroren, hangen de mensen als wolken, en het kraanwater rimpelt in het concert van de cicaden. Mijn hoofd ziet dubbel, die geur van het bos om nooit meer te vergeten. Oppenheimer klopt op de deur. Ik sluit mijn ogen, wachtend op Godot. Kom nu maar, hoog tijd. Als hij dat kent.

Eenmaal uit de auto hoor ik Club Gomorra gonzen – het podium is klaar, de dans in première position: het susurro van een hyblaïsche bijenkorf, hoort, vrienden, haar ouverture schettert door de hoorn van Jericho en de speakers van Gomorra.

Ooit al kopje ondergegaan in een Turks heetwaterbad? Dat zuivert, purgeert. Dat brandt in de ogen en de oren als bleekwater of peper. Gomorra is kokend water – schuurt tot in de fricatieven van de ziel. Ook nu weer, en mijn tanden klapperen van spanning. Two appletinis. De appelsmaak sist op mijn hersenvlies, kijk, waarop je zonnejurk krult – en de lichte blouses als je tenen; de flessenkurk van wijn en de glans op je benen – en toen ook; alles klappert, wanneer je onder verse lakens kruipt en je nog even rilt van de kou en we elkaar verwarmen. Jouw hand in de mijne.

Ach, here we go again, Jamie – uit onze ingestorte muren hak ik ivoor, kerf het in vorm tot een mombakkes uit ivoire-maché. Arrogantie is magnetisch, het enigma intrigeert – althans, dat zegt men. Nu komt er een meisje naar ons toe, glimlacht, wijst naar de appletini en zichzelf (‘voor mij?’ vormend met dunne lippen) – ik knik naar de krullen, de donkere ogen, naar het lachje en de onderlip. Twee ivoren tabletjes, geglazuurd in schuld. Bloed parelt.

In Cyprus, na uren schrapen over stenen tot de maan er al was om de aarde te besmetten, net achter de struiken – rot op met je paadjes – die open plek van waaruit we de rotsbergen zagen: bleekgeel overdag, ’s nachts het verlegen blauw van vergeet-me-nietjes. Naast ons, bloemen die roken naar perzik en vochtig hout, en de wind speelde met de blaadjes alsof ze naar niets roken. We stonden schouder aan schouder op het randje van de afgrond. Een hand glijdt in de mijne en je wijst omhoog, naar glinsterende naalden, prikkensklaar. De sterren rinkelen zoals de hoorn die onze harten vulde met puimsteen. We snijden zwaarden uit drijfhout, uit uurwerken van de Matterhorn, en je neuriet over sleeping children are still flying – je houdt me vast, je houdt je vast aan mij, in de bittere afwezigheid van Vishnoe. Je ademt, maar voelt niet, zoals je niet de stoep in je opneemt wanneer je erop loopt. En ja, je ruikt naar lavendel, naar alles, je lacht. Met je tanden op je onderlip.

Ze heet Marianela. Ze spreekt over moeders en pistachekleurige gordijnen, over Beatriz en de palmen in het Parque de Huelin. Intussen zit je aan mijn schrijftafel, bij een bureaulampje dat net genoeg licht geeft om te zien hoe wanhopig leeg het briefpapier blijft. Ik stond in de deuropening – je zag me niet – en ik dacht aan het Khoïsan, pittige klikklanken van je t-k-t. Zag hoe je de balpen aan- en uitklikte. Ritmisch. Net niet melodisch. De twijfel wegklikken en de stilte aan stukken tikken. Hoe je hoofd steunde op je linkerhand. Hoe je voor het eerst niet wist wat te doen en de minachting die ik toen voelde. Marianela zwijgt, kijkt me aan, en ik glimlach, zomaar.

En zo klikt een gasfornuis aan in haar ogen, samen met je pen. Een blauw alcoholvlammetje, maar niet de kleur van vergeet-me-nietjes en geen wildvuur zoals het onze, zonder einde of genade. Het verteerde ons, versmolt ons. Toen we Het hoorden waren we de Hindenburg, Nagasaki, Space Shuttle Columbia, de muren van Jericho. Mijn lippen willen over mijn verschroeid lavendelvlees lopen. Marianela vraagt wat er is – ik lieg, smeer haar juwelen aan uit jade en koraal, als een venter op de soek van Essaouira, met gekleurde rollen zijde, tapijten en de potpourri van schalen vol kruiden en theeblaadjes. Ik hoor de faryngale onderhandelingen van doekmannen met zand in de neuzen. Ze draagt mijn sieraden aan hals, oren en handen.

Toch weet niemand het beter dan dat meisje, daar in de hoek, met de vermiljoenen brief aan de tafel: ze speelt slangenfluit en sitar en haar vingers spelen met ravenhaar. Ik zie haar nog steeds, ruik haar bloemen, wie en wat jij ooit en nooit was. Boven de champagnebubbels heet ze Grosellina, naar de aalbes en de wispeltuur – op woensdagen Karmozijntje met ’t wijntje, het geheimpje en het blozen. Ze zwiept haar vulpen over het vijverwater, rimpelt mijn aangezicht met schaatsenrijdercapriolen. Vederlicht en waardeloos. Kribbelt met de klauw van een leugendetector. Doorziet. Wijst aan met speldenpuntprecisie. Spuwt op mijn masker tot het verkleurt naar ziekelijk olijf. Slaat het uit mijn handen. Het versplintert op de badkamertegels, flikkert nog in Van Gogh-turkoois en pauwenertskosmos – door haar, door jou, draag ik liters opalen als wratten op mijn karkas. Ze kribbelt wéér iets op het vermiljoenen briefpapier. Waarom jij niet? Ze kreukt de stilte en mijn gezicht opnieuw, omdat ze mijn uienlagen afpelt, een roos in mijn jachtgeweer stopt, mijn aangekoekte lagen omwoelt, mijn opalen wratten wegshampoot. De klok tikt. Beslis. Druk je wimpers op wie je had kunnen zijn. Wrijf het pillengruis in je ogen. De bittere vlinderkus.

Je prikt de vulpen in het briefpapier, vormt een poeltje inkt zonder sterren dat lijkt op de teerputten van Marianela. Ik leg mijn hand op een schouder. Je bevriest. Een Zwitsers dorpje waarvan de kerkklokken stokken. De edelweiss toont haar grimas aan de besneeuwde toppen en wordt gegeseld door de zonnestralen. Ze verschrompelt. Weet je nog? Hoe jouw rigor mortis over mijn hand scharrelde? Hoe ik verstarde alsof ik weer aan de stroomdraad rond de weide hing? Je spoot ijs in mijn aderen dat nooit ontdooit, met die naalden van je, in je bed.

Marianela is verdwenen. De dansvloer ebt en vloedt. Iemand danst niet – iemand kijkt recht in mijn ogen. De rook doet haar silhouet vervagen, maar die ogen – witblauwe spiegels van mijn leven. Je komt naar me toe en neemt me vast, je lavendel verdrinkt Gomorra en mijn vingers lopen door je haren, nee, trippelen, kuieren, sjokken, kruipen, zo traag mogelijk – je fluistert in m’n oor, met je zachte r: ‘wanneer je over ons praat, over onze rozen en enkele jaren (en dat zal gebeuren) of over de eeuwigheid onder wolkenrood en blauw van diepe avond, wees dan lief - lief voor ons, voor ons leven, lak je tong en blus, blus, bloos. Zachtjes.’ Ik ga nooit weg, zeg ik je, ik laat je hier niet achter. Nooit meer. Mijn ogen lekken ijs. Je lost op in sterrenstof, in droom.

In één teug klok ik de appletini naar binnen en ik vlucht uit het heetwaterbad, terwijl je opnieuw mijn schrijftafel belegert met briefpapier en twijfel, ditmaal in het daglicht. De klok slaat zes in de operatiezaal van Nicolaes Tulp. Ik wrijf slaap uit mijn ogen en tuur uit het raam om jouw ontleding te zien, verscholen achter roestbruine kastanje- en fluweelbomen met gelakte vingers, begraven in de moestuin van Gustavus, onder aardappelen en raven. Nicolaes snijdt ons in stukken met jouw speldenpunten. Plukt aan onze pezen en aders, bespeelt onze harp in mineur, giechelt om de fijnbesnaardheid en de ironie en om jouw klein teentje dat niet wist waar het groeien moest. Zoals jij.

Mijn horloge wijst vijfentwintig na drie onder de straatlamp. In de auto wentelt een slang zich rond mijn nek. Ze kust me, en sisselt over brieven en rozen, over gletsjers en dode edelweiss, panters en koraalringen en de gesel van ons leven. Over de hoorn, over Het. Genoeg – weg hier, zo snel mogelijk. Misselijk. M’n banden gillen. Ik stap uit de auto om wat frisse lucht en onbestemd dwalen. De twijgjes waaruit ons nest bestond liggen achter me, het anker van Klein Duimpje.

Ha, de kermis. Het feest loopt op zijn laatste benen. Voor neon of braderie is het al te laat; de lichten zijn al lang gedoofd. Iedereen is moe en de suikerspinnen zijn zuur. Ik ga zitten op het metalen opstapje van een kraam. Azijn echoot in mijn mondholte. De kramen zijn geverfd in pasteltinten, rose en pistache en pastiche van kindertijden. Zuur. Satire zonder bokkenpoten. Een hotdogventer klapt zijn etalage dicht; intussen hoor ik de sprinkhanen van Sodom en Gomorra nog steeds gonzen, ver van de briesende zeepaardjes en glazuurvliegtuigen hier, onder de rijen lampjes met de eenhoorns uit mijn dromen. Ze zijn nog steeds gesneden uit krullen van viooltjesharten, uit dageraad en klavertjesvier. Zoals je zei, zoals het hoort. Twee agenten komen de hoek om en jagen me weg. De laatste klonters van het feestgedruis pompen zich door de aders van de stad – ze weent mee met mij, dat voelen we, ze kust me met de hete bries en lokt me met haar licht. We waden door de mensenzee, botsen links en rechts tegen doofstomme lijven. Het Parque de Huelin verwelkomt ons met open poorten en lampjes aan de bomen.

Onder het najaarsgrijs brak je. De brief bleef een inktvlek, waarmee je de wereld een antwoord schuldig bleef. Mij ook. Je sprak maar zag me niet – ik was maar deel van de kamer, van de ruimte waarin we thee dronken en jij niet schreef, en achter je woorden gaapte een leegte die ook in ons wilde gapen. Je viel overboord, recht in Scylla’s muil. Geen spartelen, geen paniek. Vrede? Naast mij op de boot tokkelde iemand met glanzend ravenhaar op de sitar van wat had kunnen zijn.

Een bankje ontvangt me, de nieuwe kolos van Emma El’Azar, en ik droom – ik nachtmerrie. De koortsbeelden keren terug, zoals toen ik op het strand in Cyprus zocht naar de dingen die ik verloren was in de hoekjes van je hersenpan, en ik zei je: ‘Wat leuk zou zijn, wat zelfs geweldig zou zijn, is ‘’n klok die enkel jijt en ikt en nooit meer takt of tikt.’ Mijn aardse hel en snippertjes sundara op de sitar. Het bleekwater om mijn slokdarm te witten. Je mocht mijn schouder vasthouden tot die nat was van de tranen. Dat zei ik.

We staan opnieuw onderaan de trap, merkt Robert Oppenheimer op. Onze vriend Hindenburg zet de sterren al in lichterlaaie; het spektakel is begonnen, en het is prachtig. Komt u ook? Hij reikt me de hand, met zijn rechtervoet op de eerste trede. De trap is dezelfde als die in het ziekenhuis, toen je naar binnen ging met dat glinsterende geluid van sitar in de wind. Voor de laatste keer. Bovenaan de trap dijt een vuurbal uit, sloom, als een scheut melk in de koffiekosmos.

Bedankt. Dat ik salsa danste en mojito dronk met dubbele rietjes, dat ik maanstenen aan scherven smeet, zelfs dat ik gangreen proefde en rotte cantaloupe at. Ik neem Roberts hand en we beklimmen de trap naar de sterren en het vuur. Voorzichtig, er is geen houvast meer, waarschuwt hij, terwijl de opalen wratten op mijn lichaam verhitten. Ik wil niet, ik kan nog niet, schud ik – het is zover, onderbreekt Robert, en veegt alle opalen van me af. Ze kletteren over de trap als voetstappen van lieve woordjes. Hindenburg wacht! We klimmen. Op de laatste trede, waar mijn wenkbrauwen verschroeien en we de vuurbol bijna kunnen aanraken, neemt hij een vermiljoenen brief uit de binnenzak van zijn jas. De brief die je nooit verstuurd had. Is dit wat je zocht? Een antwoord op de Ziekte? Kijk maar – hij opent de brief; hij is leeg. Het antwoord dat je nooit gegeven hebt, dat je me nog steeds verschuldigd bent, dat wratten kweekte en slangenfluit speelde. Het was de sitar in de wind. Oppenheimer glimlacht. Zie je, ik heb gelogen: nooit was ik slechts de Dood. Ik ben de Tijd, de Ware Vernietiger, de bastaardzoon van Vishnoe. Hij werpt de brief in de vuurbol van de Hindenburg en lost op in de vlammen.

Mijn masker is gesmolten op de badkamertegels. Een pasta van olijf, ivoor en vulkaan. Het ijs smelt niet. De vuurbol wordt groter, de vlammen likken me schoon en vreten de trap onder mijn voeten weg – ik val, nee, zweef tussen vonken en gesmolten tijd. Málaga toont me haar volle glorie: haar aders, blauw en kronkelig, en haar hart van reuzenrad en glitterpluimen – en haar ogen, parelmoeren ramen. Málaga, m’n liefste. Genoeg, open je klauwen. Laat me je loslaten. Robert strijkt onze plooien glad en bergt ons verhaal op in de kast, tussen paarse en lichtblauwe handdoeken. Fris gewassen. Lavendelgeur, uiteraard, en nog steeds het bos en de pollen op mijn lippen. Mijn laarzen zijn eindelijk schoon. Blinken. Robert draait zich om in de deuropening en feliciteert me met een knik, tikt het licht uit en sluit de deur achter zich. Zijn voetstappen klompen weg op de trap. Wist je dat je lach hier nog steeds door de gangen klatert? Het sterft weg.

Ik word wakker op het bankje. De autoweg ruist en vogels kwetteren over bloesems, in het halfduister en de koelte van de ochtend. Ik wandel naar mijn auto, wil zo snel mogelijk wegbloeden uit de polsen van de stad. En ik heb gedwaald in honderdnegentien dagen Sodom, als Orpheus met een blik over de schouder – toen aan tafel, plots gedekt voor één en ontroostbaar stil, toen mijn schouder al droog was en de klok niet meer tikte of takte voor ons tweeën en de bloemen te snel verwelkten. Chrysanten, violet, zoals je wilde.

Een maanmot, het kind van Saturnus, fladdert even met me mee. Ze lost op in de zonnestralen die priemen tussen de tanden van de tijd. Glinsterende snaren aan de horizon. De hemel wordt wakker.

Mijn ijs is tijdloos. Dat beloof ik je, en brand een laatste kus op je kale hoofd.

 

Derde laureaat

An de Gruyter

Oz

 

Mijn broer ligt op de grond. Naakt, huilend, urinerend. We weten beiden dat vocht slecht is voor het parket.


‘Mama is dood en papa ook en ik ben mijn job kwijt en mijn vriendin.’

‘Mama is al lang dood en papa nog langer. Je hebt nog nooit een job gehad of een vriendin.’

‘Ik ben depressief.’

‘Je ruimt je rommel zelf maar op.’


Ik ga naar de keuken en zoek thee. Geen thee. Ik trek de koelkast open. Een pot mayonaise, een brik melk en veel niets. Ik ruik of de melk nog goed is. Oz leunt tegen de deuropening, hij is nog steeds naakt en zijn gezicht is rood en vlekkerig.

 

‘Wil je alsjeblieft een broek aandoen.’

‘Waarom?’

‘Ik zou graag willen dat je naar de winkel gaat.’

 

Oz zucht en vertrekt weer. Ik zucht vaak. Tijd voor een sigaret. Het enige voordeel aan dode ouders is een gratis huis en kunnen roken in dat gratis huis. Ik hoor Oz de trap op stampen. Zestien jaar is hij, maar toch nog steeds niet in staat om op een volwassen manier een trap op te gaan. Ik zet mij in de zetel en zie hoe de urine in de kieren van het parket trekt. Eerst mijn sigaret dan kuis ik het wel op. Oz stampt de trap af. Hij staat grijnzend, uitdagend voor me.

 

‘Zo ga je niet naar buiten.’

‘Maar ik ben mooi.’

 

Ik lach. Oz heeft een jurk aan. Het is een zomerjurk van mama, één die ze niet vaak droeg omdat papa de kleur te fel vond. Wit is niet eens een kleur.

 

‘Je bent gek.’

‘Misschien krijgen we er nog geld voor. Zotjesgeld.’

‘Melk, thee, cornflakes, tomatensaus, neem die van de vorige keer maar en gehakt, zo’n driehonderd gram.’

‘Ik ben niet gek. Ik ben een melancholicus.’

‘Doe anders ook zo’n diepvrieszak paella mee. De huishoudportemonnee ligt bij de vestiaire.’

‘Alice?’

‘Ja?’

‘Ik hou van je.’

‘Oké, daag.’

 

Oz vertrekt. Ik denk fuck en ik denk hij heeft die jurk nog aan. Het maakt niet uit, de buurt vindt ons al lang niet meer leuk. Tijd om de vloer te kuisen. Er is nog warm water, wat verbazingwekkend is aangezien ik al twee maand niet meer voor gas heb betaald. Ik wring de vod goed uit en laat hem in de urine vallen. Met mijn voet beweeg ik hem heen en weer. Dat wordt een vlek. Ik denk dat er nog een tapijt op zolder ligt, maar er ligt veel op zolder. Vooral veel herinneringen. Dan nog liever een vlek.

 

Vandaag zeg ik het hem. Just Do It, zoals in de Nike-reclame.

 

Mijn ouders waren beiden enig kind. Misschien dat papa daarom zo introvert was en mama zo dromerig. Ze was erg dromerig. Vandaar onze namen en vandaar dat de enige pretparken waar we naar toe gingen de Efteling en het Land van Ooit waren. Oz vroeg eens waar zijn naam vandaan kwam en mama grapte dat dit het land is waarin hij werd verwekt. De laatste keer in de Efteling was in 2003. Ik was toen elf jaar en mijn broer vijf. We stonden voor de ingang. Mama, melodramatisch als ze was, nam mijn gezicht tussen haar handen. ‘Dit is misschien één van de laatste keren dat je echt kind kunt zijn, mijn elfje, geniet ervan.’ 

‘Ben ik ook een elfje, mama?’ vroeg Oz. ‘Jij bent toch geen elf,’ antwoordde ze, ‘jij bent vijf, dus jij bent een vijver.’ Papa en ik lachten maar Oz begon te huilen. ‘Ik ben geen vijver!’ snikte hij. Papa zuchtte en pakte hem op. ‘Kom, oh grote snotterige vijver, we gaan plezier hebben.’ Toen gingen we naar binnen en we hadden plezier. Mama deed alsof haar hand vastzat in een Holle Bolle Gijs vuilnisbak, die aan één stuk door ‘Papier hier’ bleef zeggen. Oz begon bijna weer te huilen maar toen zei mama: ‘Grapje.’ en begon hij overdreven hard te lachen. Het was een van de laatste keren dat ik echt kind kon zijn.

 

Shit, het afwasmiddel is ook op. Daar gaat mijn laatste belwaarde. Ik bel. Oz pakt onmiddellijk op.

 

‘Ola señorita.’

‘Oz, ben je er al?’

‘Nee, ik maak een omweg via het park. Ik heb weer iets meegemaakt, luister.’

‘Vertel het thuis maar, ik heb niet veel belwaarde meer.’

‘Een vrouw met zo’n stom wit hondje zit mij aan te staren, dus ik vraag haar of ik iets van haar aan heb.’

‘Oz, belwaarde.’

‘Ze zwijgt, dus ik zeg nee mevrouw, ik heb niets van u aan. Deze jurk is van mijn mama.’

‘Boeiend, breng je afwasmiddel mee?’

‘Ik wou zo graag die achterlijke hond van haar een trap verkopen, maar ik heb het niet gedaan, ben je trots?’

‘Gewoon citroen van de witte producten, ga je het niet vergeten?’

‘Nee nee, see ya sis.’

 

Op dat moment is mijn belwaarde op. Just do it, Alice. Straks doe ik het. Ik ga naar mijn kamer, die even rommelig is als de rest van het huis, maar minder hard stinkt. Zij stinkt alleen naar rook, niet naar afval. Oz en ik hebben weinig regels opgesteld, maar we hebben één hele belangrijke: hij blijft uit mijn kamer en ik uit die van hem. Die regel hebben we al jaren. Al van voor alles. Mijn kamer lijkt op een bibliotheek waar orkaan Katrina door is geraasd. Overal liggen boeken. Lezen is mijn enige hobby, maar ik lees niet zoals het moet. Ik lees nooit een verhaal van het begin tot het einde. Ik hou niet van eindes. Meestal neem ik een willekeurig boek, dat ik op een willekeurige pagina open en dan lees ik. Het zijn boeken die de bibliotheek verkoopt voor een euro als ze bijna nooit meer uitgeleend worden. Ik kan er niet tegen dat niemand ze nog wil lezen. Je kunt een boek niet zomaar alleen achterlaten. 

Niet zomaar alleen achterlaten. Het is niet zomaar.

Ik neem er een. De titel luidt J’ai seize ans et je ne veux pas mourir. Dat klinkt lekker vrolijk. Laat ook maar, ik heb toch geen zin om te lezen. Ik doe de knop van mijn jeansbroek open en schuif mijn hand in mijn onderbroek, maar trek hem er onmiddellijk weer uit. Nee, daar heb ik ook geen zin in.

 

Mama had een nieuwe feestdag uitgevonden: één juni, de eerste dag van de laatste maand van het schooljaar, is regeldoorbreekdag. Dan gingen Oz en ik niet naar school en ging mama niet naar haar werk. We deden dingen die normaal gezien niet mochten, zoals met onze schoenen in de zetel zitten en alleen dessert eten als avondeten. Het klinkt wat flauw, maar Oz en ik vonden het de beste dag van het jaar. Nog beter dan Kerstmis. Papa deed niet mee. ‘Ik hou van regels’, zei hij dan opgewekt. Hij hield echt van regels, maar nog meer van ons en eigenlijk deed hij gewoon niet mee omdat hij niet zoveel vakantiedagen had als mama.

 

Ik weet waarom ik hier aan moet denken. Het is één juni. Regeldoorbreekdag. Ik ga naar Oz’ kamer. Vandaag mag het. Ik open de deur en ik ben, op het eerste gezicht, positief verrast. Zijn bed is opgemaakt en het ruikt er zelfs fris. In een hoek ligt een opeengestapelde hoop lege frisdrankflessen, maar dat is niet zo erg. Ik ga naar zijn bureau. Zijn aftandse laptop staat open. Ik druk op enter. Hij heeft zijn computer beveiligd met een wachtwoord. Slimme jongen. Dit is misschien het beste, ik hoef zijn porno niet te zien. Ik kan het toch niet laten. Ik probeer de naam van mijn moeder, Nicole, en de naam van mijn vader, Hugo. Nicole en Hugo, dat zorgde natuurlijk vaak voor hilarische situaties. Oz’ wachtwoord is noch Nicole, noch Hugo, noch Nicole en Hugo. Ik probeer ‘1234’, omdat dat iets voor hem zou zijn en ik probeer het woord ‘wachtwoord’ om dezelfde reden. Niets. Ik probeer nog een paar dingen en besluit dan om het op te geven. ‘Alice’ typ ik als laatste poging. Op het scherm verschijnen een draaiend wieltje en het woord ‘welkom’. Stop met dit sentimentele gedoe, denk ik terwijl ik de tranen in mijn ogen probeer te houden. Zijn wachtwoord is Alice. Ik ben zijn wachtwoord. Stop het. Op het scherm verschijnt er een heleboel porno. Het zijn allemaal naakte, goed geschapen mannen en, hoewel Oz vaak erg objectiverend over meisjes praat, ben ik niet verbaasd. Ik gooi de laptop dicht en merk dat er een klein plastic flesje achter het scherm staat. Het ticket is ervan gehaald en in het troebele water is een guppy te onderscheiden. Hij drijft. Ik ben gedegouteerd, maar laat het flesje gewoon staan en klap de laptop weer open. Oz moet niet weten dat ik in zijn kamer ben geweest. Op zijn deur staat aan de binnenkant een tekst met alcoholstift geschreven. Ik lees enkel de eerste zin. De rest ken ik uit mijn hoofd.

 

Het haar van grootmoeder was geel als banaan.

De kapper had er de verkeerde kleur ingedaan.

Daarom kocht ze met spoed,

een grote rieten zonnehoed.

 

Papa had dat versje uitgevonden en mama vond het zo fantastisch dat ze het te pas en te onpas opzei. Niet alleen wanneer ze in een goede bui was, maar ook als ze een vrouw zag lopen met geblondeerd haar, of als ze ruzie had met papa, of gewoon wanneer er bananen in huis waren. Oz lijkt zoveel op mama. Hij heeft dezelfde ‘kijk naar mij’-houding, maar ook dezelfde je ne sais quoi. Kijk naar mij. Je hebt ze zoals je ze kweekt. Copy paste. Hij gedraagt zich als een enig kind. Niet alle enige kinderen zijn hetzelfde natuurlijk en hij is geen enig kind, maar toch. Hij is wel enig kind, besef ik plots. Al zes jaar.

Papa kreeg kanker. Het werd veel te laat ontdekt en toen was hij dood. Niemand heeft ooit de moeite genomen me te vertellen wat voor kanker en ik heb nooit de moeite genomen het te vragen. Kanker is kanker. Het was waarschijnlijk longkanker. Waar zijn mijn sigaretten? Ik rol ze zelf, met filter. Ik vind mijn pakje terug in de woonkamer.

Ik was zeventien, wat op zich een moeilijke leeftijd is, maar het viel wel mee. Ik was ervan overtuigd dat het goed ging komen met ons, aangezien we mama nog hadden. Iedereen maakt wel eens een inschattingsfout. Ik dacht altijd dat mama de hoeksteen van ons gezin was. Zij de zon en wij de planeten. Toen papa doodging, bleek dat hij de zon was. Hij was haar muze. Niet dat een winkelassistente een muze nodig heeft, maar zij had er wel één, mijn vader, een postbode met een borstelsnor, haar levensmuze. Ik vergis mij. Ze was wel de zon, maar ze stopte met schijnen en liet haar bloedeigen planeetjes in het donker dwalen.

 

Het begint al donker te worden. Oz is nog steeds niet terug. Ik kan niet bellen.

 

Rouwverlof duurt maar een paar dagen en na een week was ze haar werk in de bloemenwinkel kwijt. Het kon haar weinig schelen, zoveel was duidelijk. Het was ochtend. Ik kwam beneden en zag mama in de zetel liggen. Ze staarde voor zich uit en had haar kleren van de dag ervoor nog aan. Naast haar stond een wijnglas, waarin de laatste rode druppel al was opgedroogd.

‘Waar is Oz?’ vroeg ik.

‘Nog in zijn bed denk ik.’

‘Het is kwart voor acht, hij moet naar school.’

‘Het is regeldoorbreekdag.’ zei ze en ze draaide haar rug naar mij toe. Het was al een maand regeldoorbreekdag. ‘Ik breng hem wel’, zei ik. Dat had ik niet mogen doen. Vanaf die dag bracht ik Oz elke dag naar school. Ik kookte ’s avonds voor ons drie en hielp mijn broer met zijn huiswerk. Mama noemde me soms per ongeluk Hugo en Oz noemde me soms per ongeluk mama. Ze bleef in de zetel liggen.

 

Ik heb haar eens vol in het gezicht geslagen. ‘Herpak je!’ riep ik. Oz zag het en kroop huilend tegen haar aan, alsof ik hem had geslagen en alsof hij degene was die zich moest herpakken. Ik deed verschrikkelijk mijn best. Ik was bang dat Oz en ik anders in een ander gezin zouden worden geplaatst en was ervan overtuigd dat de situatie na een tijd weer beter ging worden. Dat was ook zo. Na een paar maand verliet mama de zetel, ze kookte weer voor ons en zorgde zelfs dat het huis er netjes bijlag. Eindelijk.

 

‘Eindelijk!’

‘Ben thuis! Ik heb afwasmiddel mee.’

Ik twijfel maar roep het dan toch. ‘Ik ben trots op je!’ Oz komt binnen. Hij gaat gebukt onder het gewicht van de gigantische doos in zijn handen. ‘Gelukkige regeldoorbreekdag!’ roept hij.

‘Wat heb jij allemaal mee?’ roep ik. Oz zet de doos op de keukentafel en blaast uit. Hij kijkt mij glunderend aan en haalt demonstratief dingen uit de doos.

 

‘Ik heb goed nieuws’, begon ze op een dag tijdens het avondeten. Het was een mooie oktoberavond. Ik was juist aan mijn studie sociologie begonnen. Ik wilde sociaal werk gaan doen, hoewel ik, besef ik nu, nooit echt een zorgzaam type ben geweest. ‘Ik heb een nieuwe baan’, zei ze. Ik sprong recht en knuffelde haar zo hard als ik kon. ‘Hoe, hoe, hoe! Applausje voor mama!’ riep Oz. Mama keek ons beiden met een waterig glimlachje aan. De volgende dag trof Oz haar thuis aan. Het was een bloedige bedoening. Een van haar nieuwe collega’s had een borstelsnor.

 

‘Chocolade, ribbetjes, speculaas, slagroom, afwasmiddel.’

‘Oz, godverdomme.’

‘Massa’s koekjes, rode wijn, witte wijn, ik wist niet wat je het liefst zou hebben en als kers op de taart, aardbeien.’

‘Ik haat je.’

 

Ik ga naar de woonkamer, ik kan Oz even niet zien. Godverdomme.

Ik steek een sigaret op, Oz komt de woonkamer binnen. ‘Ik heb ook de spaghettisaus en zo mee hoor.’ Zijn grijns is weg en hij kijkt mij aan alsof ik gek ben.

 

‘Aardbeien’ zegt hij, alsof dat alles ter wereld verklaart.

‘We hebben geen geld voor aardbeien!’

‘Maar wel voor jouw sigaretten?’

‘Alsof jij niet rookt! Zo subtiel ben je niet’

‘Het is regeldoorbreekdag!’

‘Hoeveel zit er nog in het portemonneetje?’

‘Regeldoorbreekdag! Wat maakt het uit?’

‘Dat was het geld voor de komende tien dagen! Tien! Hoeveel?’

‘Tien cent of zo.’

‘Je bent waardeloos!’

‘Ik heb mijn moeder dood op de grond zien liggen!’

‘Dat is geen argument.’

‘Hoe weet jij dat nu?’ De tranen staan in zijn ogen en in de mijne. Hij heeft gelijk en daarom moet ik het zeggen. Als in de Nike-reclame.

 

Ik doe het niet.

 

‘Regeldoorbreekdag.’ Ik forceer een glimlach en duw de ribbetjes in de microgolfoven. Oz wikkelt zich rond mij, knelt mij samen. ‘Dankjewel’, fluistert hij. Ik huil zachtjes.

 

‘Kijk!’ riep mama. Ze hield een gebloemd hemd voor zich en keek papa verwachtingsvol aan.

‘Zelf gemaakt?’ vroeg hij.

‘Is dat dan zo duidelijk?’

Hij lachte. ‘Ja, maar in de goede zin van het woord. Het hemd straalt liefde uit.’

Mama straalde. ‘En stikfouten,’ vervolgde hij, ‘is dat niet te klein voor Alice?’

‘Het is niet voor Alice, het is voor Oz.’

‘Nicole, lieverd, hij is nu al zo vrouwelijk.’

‘Van bloemen krijgt een man karakter. Oz! Kom eens!’ Mijn achtjarige broer stormde van de trap en kwam de woonkamer binnengehuppeld.

‘Voor jou, vind je het mooi?’ Hij knikte heftig. ‘Ja, waaw.’ Als mijn moeder een wortel voor zijn neus had gehouden, was zijn reactie waarschijnlijk exact hetzelfde geweest. Oz heeft het grootste oedipuscomplex sinds Norman Bates. Dat dacht ik toen natuurlijk niet, ik was veertien, het kon mij echt helemaal niet schelen wie Norman Bates was. Het kan me nog steeds niet schelen eerlijk gezegd. Oz kan mij schelen. Shit, ik hou van die jongen, daarom moet ik het doen. Ik moet. Oz deed het hemd aan en draaide rond, alsof hij een rok liet zien in plaats van een hemd. Mijn vader dacht op dat moment precies hetzelfde en zei: ‘Bloemen, karakter, juist.’

 

Natuurlijk nam ik na mama’s dood de voogdij van Oz op mij. Ik was al volwassen, officieel alleszins. Ik zorgde al meer dan een jaar voor hem. Mijn ouders waren enig kind. Wat is dat, een tante? Mijn grootouders wonen ver weg en zijn heel ons leven behoorlijk onzichtbaar geweest. Ik denk dat ze trouwens bijna allemaal dood zijn. Geen idee, te onzichtbaar.

 

Mama’s witte jurk zit vol rode wijnvlekken. Ik trouwens ook. We zijn allebei belachelijk dronken, mijn broer en ik. We liggen op de grond en hebben al meerdere keren het gedichtje over de grootmoeder met het banaanhaar opgezegd.

 

‘Ik had die hond moeten schoppen.’

‘Je hebt een dode guppy op je kamer. ’

‘Is die dood? Wacht. BEN JIJ OP MIJN KAMER GEWEEST?’

‘Regeldoorbreekdag. Ja, sorry. Herinner je je dat bloemenhemd?’

‘Ja.’

‘Waarom draag je het niet meer.’

‘Het is te klein.’

‘Het is al lang te klein. Toch droeg je het nog’

‘Het is niet alleen te klein. Het doet ook pijn.’

‘Natuurlijk, sorry.’

‘Omdat het,’ Oz stopt aanstellerig in het midden van zijn zin, ‘knelt. Ik ben een dichter, een melancholische dichter.’

 

Ik rol een sigaret, geef hem aan Oz en rol één voor mezelf. Oz inhaleert professioneel. Hij geeft mij een kus. Ik maak me zorgen over zijn oedipuscomplex. Hij staat op. ‘Ik ga het halen’, zegt hij. Ik sluit mijn ogen. Alles draait, mijn gedachten zijn vaag en mijn emoties hoog. Ik ga het hem vanavond zeggen, denk ik, voor de eerste keer niet als een bevel maar als een pijnlijke vaststelling. Ik ben te dronken om het niet zeggen.

 

Fuck.

 

Oz is alweer in de woonkamer. Hij heeft het hemd over zijn schouders gehangen. Hij past er waarschijnlijk echt niet meer in. Er zitten nog amper knopen aan en zelfs kleren die gewassen worden met wasproduct X hebben fellere kleuren. ‘Pretty boy?’ vraagt hij. ‘Pretty boy’, zeg ik. Hij stapt naar de grammofoon. Natuurlijk heeft mijn moeder ooit een oude grammofoon gekocht. Kijk naar mij. Hij legt een plaat op. Ik kies mijn boeken misschien op willekeurige basis, maar Oz weet precies welke plaat hij oplegt. ‘J'ai encore rêvé d'elle’ van Il était une fois.

Het lievelingslied van mama en papa. Grappig dat de naam van de groep belichaamt wat we waren en de titel van het nummer wat we zijn. Ik ben echt dronken.

 

‘Dans met mij.’

‘Ik maak me zorgen over jouw oedipuscomplex.’

‘Zorgen, zorgen, zorgen. Dansen?’

Ik sta op en wankel. ‘Ow.’ Hij lacht. We dansen. Ik hoest, hij hoest. We lachen. We dansen. Shit, hij danst zoals hij de trap opgaat, als een kind. Shit. Fuck. Godverdomme.

Vloekwoorden.

 

Ik zeg het.

 

3.2.1.

 

‘Oz, stop.’ Hij luistert. Daar staan we dan, stokstijf tegenover elkaar, met die achterlijke muziek op de achtergrond.

 

‘Wat?’

‘Je bent echt gek.’

‘Te gek?’

‘Ook. Ik kan niet meer.’

‘Dan houden we toch gewoon een pauze.’

‘Voor je zorgen bedoel ik. Ik ben op.’

‘Je doet het prima.’

‘Je bent gek en je hebt pijn en die twee versterken elkaar. Ik kan je niet dragen. Ik kan mezelf amper dragen.’ Oz heft me op.

‘Ik draag jou wel.’

‘Oz, serieus, zet me neer.’

‘Nee.’

‘OZ!’ Ik zet mijn voeten op de grond. Ik snik en veeg mijn tranen weg.

‘Dat zie je toch zelf ook wel? Dat voel je toch?’

‘Wat dan?’

‘Kijk naar ons!’

 

Alsof het afgesproken is, draaien we ons beiden naar de grote staande spiegel. Nog een aankoop van mijn moeder. Kijk naar mij. We zien ons. Onze ogen zijn rood, onze kleren bevlekt, onze houding onzeker. Hij slaat zijn arm om me heen.

 

‘We redden ons wel.’

‘Ik ben met een sociaal werkster gaan praten.’

‘Wij samen. Mooi gezegd, hé? Zie je, ik ben een dichter.’

‘Ze zei dat je nog in een pleeggezin kan worden geplaatst en dat je psychologische hulp kan krijgen. Er komt natuurlijk wel het een en ander bij kijken’

‘Ik doe de psychologische hulp wel. Het pleeggezin niet.’

‘Oz, ik ben op.’

‘Ik draag je wel.’

‘Je luistert niet eens.’

‘Ik luister.’

‘Ik moet rouwen, echt rouwen en studeren en stoppen met roken en verliefd worden en weet je, gewoon leven.’

‘Ik ga beter worden, ik beloof het.’

‘Oz, ik kan dit niet meer! Ik kan niet meer voor je zorgen, je wordt niet beter, je wordt steeds erger.’

‘Dus je wilt echt van mij scheiden?’

‘Het is geen moment voor grapjes.’

‘Je kunt mij niet verlaten want ik verlaat jou.’

 

Hij haalt zijn arm weg en loopt de deur uit. Van op de trap hoor ik hem schreeuwhuilen. Er is geen beter woord om het te omschrijven. Schreeuwhuilen is een oerkreet en betekent de meest mogelijke hoeveelheid niets. Nog meer niets dan in onze koelkast vanmiddag. Hij is te overstuur. Hij mag nu het huis niet verlaten. De deur slaat al dicht. Ik ren naar het raam en gooi het open.

 

‘Oz! Sorry, kom terug!’

 

Hij staat in het midden van de straat en draait zich om. Kijkt naar mij. Een auto die veel te snel rijdt. Het licht van de koplampen maakt de jurk van mama doorzichtig. Ik zak ineen.

Recht op de urineplek. Remmen gieren en ik ook. Ik ruik. Kinderlijk gestommel op de trap.

Een trillende Oz staat voor me.

 

‘Dag geest van Oz.’

‘Geest van Oz? Alice toch, soms lijk jij echt op mama.’

‘Jouw pis stinkt.’

‘Hadden we niet nog een tapijt op zolder?’

‘Er ligt veel op zolder.’

 

Oz of de geest van Oz, ik weet het niet, neemt mijn polsen en trekt mij recht.

 

‘We gaan het halen. Wij samen.’

‘Je bent een verschrikkelijk slechte dichter. Het klinkt allemaal veel te klef.’

‘Kom.’

‘Ik durf niet.’

‘Just do it.’

 

Poëzie

Tweede laureaat

Sara Eelen

Appels

 

I.

Ik denk dat alles hier gebleven is.

Wierookslierten dansen zich een weg

naar het rookalarm, vullen de kamer

met geurende vlammen. Hier is alles gebleven

wat we met twee handen naar elkaar toebrachten

in bevende cirkels, rollen strelen trekken als aan haar.

Jij, die zei te houden van appeltjesgeur als je in mijn nek beet,

hoest nu ik appeltjeswierook aansteek. De kamer vult zich met nekbeten.

Hier moet alles gebleven zijn, alles wat we trachten

te vullen met geuren en kleuren, het buigen van een lichaam rond een idee.

Hier is alles, alles wat ik bedenken kan.

Wij twee appeltjes plukken lichaamsdelen van een boom.

Het is de smaak die ons doet praten van het proeven

als ook verlangen

en alles blijft. In bevende bijna brekende cirkels,

maar alles blijft.

  

II.

Waarom wij appels knabbelen tot een klokhuis zich bol werkt:

van binnenin naar buiten uit een pit, tonend hoe dit knagen begon,

zo gaat het ook in onze buik. Binnenin naar buiten uit,

huid van huid pellen – een voor een tonend hoe dit smachten begon.

Tot alleen maar een goedaardig gehijg in de kamer, bolle blauwe gordijnen

en een platte buik die de laatste kern bewaart.

  

III.

Ik denk dat alles hier gebleven is. Hier – nu – jij – blijf.

Ik duw mijn beide handen naar voor en vind nog steeds je geur

in het opdwarrelende stof dat ik opvang, in de boeken die hier openliggen.

Er staat een appelboom in de tuin die jouw geur bewaart in vruchten.

Hij meet je handen bij het herstellen van zijn ringen,

hij neemt de tijd je naam te kerven in elk blad.

Onze namen, de lettergrepen die in onze monden als vissen spartelen,

ik duw mijn lippen op elkaar en meng de klinkers heen en weer

tot ze van gedaante openbreken.

Ik zie je schoolslag oefenen op het bed. Je ogen zijn dicht,

je buik bloot. Je hijgt op de maat van je dansen.

De gordijnen zijn nog dicht van de avond hiervoor vrijen,

de wierook tast in het donker naar je lijnen.

Ik duw mijn kromme rug tegen jouw uitgestrekte borstkas en zie

hoe alles plooit, hoe alles mengt – kleuren geuren,

tot de gedaante openbreekt en wij in bevende bijna brekende cirkels

in een soort van schoolslag zinken,

het valt het best te omschrijven al

bijten tot alleen nog klokhuis.

  

Derde laureaat

Anke Senden

 

HOUTEN MAN

Van gekerfd hout als door de spieren van het mes overmeesterd. Wie

dichterbij komt, vindt het gezicht niet dat hij daarnet meende te zien. Of het

moet een gezicht zijn dat zich telkens weer afwendt. Ik kan schaken, maar

raak met hem geen vak vooruit: pion, grijs als de lucht in november – wolk

die schuift – eiland dat nergens naartoe gaat.

Hem opzijzetten is het bord omvergooien. Hem houden de verstarring van

remise. De klokken lopen. Dit is mathematisch op te lossen.

(Terwijl niemand weet waar wij eindigen in de korte adem van dit spel.)

 

BRONZEN MAN

Van gulpend brons als een uit de hand gelopen oorlog. Wie dichterbij komt -

maar niemand komt echt dichtbij, ieder blijft op kransafstand. Een verkeerd

woord en de zweetlucht, het bloed, de pijn, het begint allemaal uit het brons

te wasemen, alsof het nog eenmaal voor het eerst schreeuwt, nog eenmaal

in het slagveld van vuur zich verenigt en vernietigt.

Stilte is antiseptisch.

Ik zwijg, we zwijgen allemaal.

(Alleen de fiets die ’s avonds klappertandend over de kasseien rijdt,

verraadt.)

 

WOORDEN MAN

Van woekerend woord als een virus in de bloedbanen. Ik denk: hij is een

personage. Ik denk: ergens zit een schrijver, dood, voorovergezakt in zijn

stoel. Zijn hoofd op het klavier houdt een toets ingedrukt. Pagina’s vullen

zich. Ik denk hem achter tralies van stilte, maar hij komt. Dichterbij.

Het ging als drijfzand ongemerkt. Ik kom boven water met mijn

trommelvliezen getatoeëerd. De tekens werpen grauwe schaduw in mijn

hoofd.

(Ooit ben ik zijn taal te slim af.)