Vandagen, hieren, zelven. Over Dagboek van een dichter 1979-2007 van Leonard Nolens

Leonard Nolens, Dagboek van een dichter 1979-2007, Querido, Amsterdam, 2017.

 

Leonard Nolens werd dit jaar zeventig en dat vierde zijn uitgeverij Querido met een luxe-cassette: een volledig herziene uitgave met daarin zijn verzamelde dagboeken en gedichten (Dagboek van een dichter / Manieren van leven), en een cd met audio-opnames uit het VRT-archief waarop je de dichter zelf hoort voorlezen uit zijn werk. Voor een Klara-uitzending ter ere van diezelfde verjaardag liet Nolens zich interviewen door Gudrun de Geyter en vertelde hij haar dat hij zichzelf sinds zijn hartfalen niet langer als dichter beschouwt; zijn hartstilstand smoorde ook de noodzaak en mogelijkheid tot poëzie. Maar zoals elke schrijver heeft ook Nolens wel nog wat ‘ongedekte cheques’ in zijn archieven liggen – werk dat Querido dit najaar in de boekhandel zal brengen.

Nolens werd als dichter en dagboekschrijver sinds begin jaren ’90 omarmd door het grote publiek: niet alleen was hij geliefd om zijn liefdespoëzie, maar ook om de geschetste duisternis waarin vele lezers zichzelf herkennen. Als figuur krijgt Leonard Nolens soms de etiketten nors en grumpy, stuurs en zwijgzaam opgeplakt – het beeld leeft van de grote dichter die zich bewust en moedwillig verschanst in zijn hol, zijn Missenburg als ivoren toren. En ook al wordt dat beeld niet echt ontkracht bij lectuur van de dagboeken, toch worden aan het portret schakeringen en lagen toegevoegd.

 

Het zelfgesprek

De dagboeken vangen pas eind 1979 aan, wanneer Nolens al vijf poëziebundels op zijn naam heeft staan. Voor Nolens, die zichzelf een 19e-eeuwer noemt, vallen leven en werk samen. Het dagboek heeft als literair genre geen duidelijke grenzen, het is voor Nolens de ideale vorm waarin hij zijn ongecontroleerd organisch denken wil vastleggen door er cesuren in aan te brengen, zodat het een momentaan lucide denken wordt. In zijn cahiers is Leon Nolens aan het woord, de schrijver uit de losse pols, terwijl de dichter Leonard Nolens de componist is. Naarmate de dagboekaantekeningen evolueren, neemt aanvankelijk ook de drang toe om een intieme dialoog met zichzelf aan te gaan. Hij is zelfs zodanig gefocust op zijn dagboek dat hij er zijn angsten in ventileert en zijn poëzie in het gedrang komt. Op 4 maart 1981 schrijft hij:

 

Het dagboek moet zijn functie van veiligheidsklep bewaren (…) Het moet een plaats blijven waar die donkere residu’s, intuïties en zinloze kreten van het individu terechtkunnen, welke elders nergens aan bod komen.

 

De dagboeken vormen volgens Nolens ‘de nachtzijde van [zijn] leven’ als dichter, en bevatten opvallend weinig anekdotes, biografische gegevens, sporen van alledaagsheid of namen van andere individuen die buiten de kunst vallen. Beschouwd vanuit de poëtica en levenshouding van deze dichter is dat niet zo vreemd. Hij alludeert er zelf op: ‘Maar jij tracht altijd intuïtief of bewust te anticiperen op wat over enkele jaren de moeite van het herlezen waard zal zijn. Dat is niet een dagboek houden.’

 

Een stenen spook in een stoel

Al in de eerste zin van de eerste dagboekaantekening (‘donderdag 27 december 1979’) treffen we de dichter als eenzame leeuw, hoe hij met ‘zijn zwijgzaamheid, zijn verstrooide aanwezigheid, zijn afwezige blik’ ergernis wekt, de avond vergiftigt, maar geen andere bestaanswijze ziet dan die waarin zijn geesteshouding, schrijven en manier van leven samenvallen. Ook later, als een halfslachtig mea culpa aan zijn kinderen, klinkt het: ‘Vergeef me daarom, over tien, twintig jaar, dat ik vandaag zit te schrijven, een stenen spook in een stoel, bezig met zichzelf tot in de dood. Bezig met zichzelf. Bezig met de man die jullie zullen zijn.’

 

Nolens is – zeker in zijn vroege werk – gericht op zelfbepaling, het eigen ik, de zoektocht naar een concrete plaats, het tastbare lichaam. Het ontbreekt hem aan geboortebewijs en geboortegrond,  zijn schrijven wordt een ‘plaats waar ik mijn plaatseloosheid in kaart kan brengen’ . Nolens’  dagboeknotities zijn, net als zijn gedichten, gericht op het nadenken over het eigen lot. Zijn plaatsbepaling is een vorm van romantisch verzet tegen de maatschappelijke standaard en hij weigert zich in te schrijven in een verzakelijkt discours dat vaak als vanzelfsprekend wordt gezien.

Derhalve heeft Nolens het grootste deel van zijn leven doorgebracht in varianten van ‘een kamer van zes op negen’, nooit een baan aangenomen – naast wat vertaalwerk tijdens de eerste twintig jaar van zijn schrijverschap –, nooit een baas gewild, nooit een werk opgelegd willen krijgen. Hij leeft in overeenstemming met zijn interne verlangen en hield steeds – tot de hartstilstand – zelf controle over het eigen leven.

Deze uitzonderingspositie ligt niet voor de hand, en is voor de meesten wellicht ook niet wenselijk, maar toch is ze in wezen productief. Niet alleen voor de schrijver zelf, maar ook voor de lezer. Nolens’ dagboeknotities gaan steeds uit van de vraag hoe je moet leven en ze bevatten allerlei filosofische vraagstukken: in hoeverre zijn onze gedachten nog van ons? Worden wij gedacht en geleefd door een ander, onze tijd, de maatschappij waarin we gevangen zitten? Waarom en hoe vaak of hoe snel laten we onze eigenheden en eigenaardigheden uitwissen? ‘Als onmondige kinderen worden hun de trekken afgepakt die hen stempelen tot een interessante persoonlijkheid.’

Het beeld dat via kranten, televisie en sociale media binnenkomt van het hedendaagse individu lijkt in hoge mate egocentrisch. Wie Nolens’ dagboeken leest, zou echter bijna moeten stellen dat het doorsnee individu niet egocentrisch genoeg is – in de zin van een letterlijk gericht zijn op het zelf, op de eigen gedachten en het zoeken – en net daarom aan de oppervlakte blijft. Het is geen sinecure om terug te vallen op jezelf, het cartesiaanse cogito ergo sum:

 

Meer dan ooit zijn wij zoals de oude Grieken verslaafd en verkocht aan de sfeer van het tussenmenselijke, de intersubjectiviteit, en danken wij ons bestaan aan onze door anderen en door de media opgemerkte aanwezigheid.

 

Nolens’ dagboeken getuigen van een harde arbeid die zijn levenshouding eist; niet om te schooien voor kopjes en likes, niet om toe te geven aan het verlangen de mode van de dag te worden. Wat vaak omschreven wordt als navelstaarderij is vanuit die optiek eigenlijk niet meer dan een zich conformeren aan de massa en een zich inschrijven in de norm. Nolens’ manieren van navelstaren vragen daarentegen om langdurige en herhaalde introspectie en dodelijke ernst. ‘Ik ben een navelstaarder. Maar mijn navel is enorm.’ Hij noteert meermaals lak te hebben aan ‘de verwijfde charme van de humor, de kleingesneden intelligentie van het cynisme, de sympathieke lafheid van de ironie’. De holle, gladde, gemakkelijke, ‘confetti van de grote wereld’ vloekt met het egocentrisch leven dat Nolens wil leiden.

 

De dromer mag niet slapen

In zijn dagboeknotities klinkt een herhaald pleidooi voor de droom, een waarschuwing voor de objectivering van ons subject, de neiging om onze onzekerheid te bevechten door onszelf te bepalen, te begrenzen, te ‘be-grijpen’: Wie ben je? Wat doe je? Omschrijf je identiteit, leg je vast, maak je af, rond en tastbaar – wees volgzaam, word zichtbaar, aanklikbaar, inwisselbaar. Nolens’ houding herinnert aan het ‘I would prefer not to’ van Melvilles Bartleby en is in zijn gewilde oneigentijdsheid ook voor hedendaagse lezers inspirerend.

In zijn levenskunst trekt Nolens voluit de kaart van de chaos van meerduidigheid, facettering, verbreding, pluriformiteit. Hij schrijft met misprijzen over die eeuwige hang naar holle, leugenachtige zekerheid – ook wanneer de auteur er zichzelf op betrapt – al is natuurlijk alles houding en is er steeds een schrijver aan het woord. Zonder als lezer noodzakelijk samen te vallen met zijn wezen en beleving, zie je bij Nolens een streven om zijn worsteling levendig te houden. Hij verwijst daarbij ook naar Kafka: ‘Men mag niet slapen’.

Nolens’ anachronistische houding kan in die zin ook voor de lezer een vorm van antigif zijn, een aanzet om aan zichzelf als een dynamische persoonlijkheid te werken, zijn eigenaardigheden en verlangens niet te laten uitwissen, maar veeleer in de leer te gaan bij de dichter die ‘altijd geprobeerd [heeft] op elk moment van [zijn] dagen de droom zijn plaats te laten, [zich] niet te laten verleiden om iets te dóen.’

 

Nolens’ levenskunst is tegelijkertijd de kunst van het niet kiezen uit angst om de complexiteit, de veelheid, de veelzijdigheid onrecht te doen. Dit spreekt ook uit de manier waarop hij omgaat met zijn dagboeknotities: niet slaafs, elke dag een aantekening, maar versplinterd en gefacetteerd in zijn volledigheid. Met de notities groeien ook de overlappingen aan, de herhalingen en variaties op gedachten, de beschouwingen bij citaten die alle bijdragen tot de palimpsest van de dichter, zijn poging om ‘ik’ te zeggen.

Naarmate de jaren vorderen, vallen echter opvallend vaker hele perioden – weken, maanden, een half jaar – weg waarna hij plots met een zekere trouw weer de draad van het zelfgesprek opneemt. Blijkbaar voelt de auteur toch weer de nood om na te denken over zijn eigen lot, om te schrijven over hoe je je hart en verstand alert kan houden.

In de voorbereiding van een lezing die hij in 2001 uitsprak over de link tussen zijn dagboek en zijn gedichten verklaart hij deze cesuren door het dagboek te omschrijven als ‘woord geworden incubatie van het gedicht.’ In de notities sluimert een toekomstig gedicht, al werkt de schrijver ervan nooit op dezelfde dag aan een aantekening en een gedicht. Ze fungeren als communicerende vaten: ‘Waar deze woorden, deze zinnen van het dagboek straks tekortschieten, daar schieten verzen wortel.’

 

Gesprek met de ander

Zelfs voor een kluizenaar als Nolens staat leven altijd in verband met de samenleving, het zoeken naar omgangsvormen en de confrontatie met die samenleving, waarin iedereen zich afmeet tegenover elkaar. Nolens schrijft als heremiet geen hermetische gedichten, in zijn werk beoogt hij – soms expliciet, denk maar aan het bewuste gebruik van voornaamwoorden – het gesprek met de ander. Zoals blijkt uit de keuze voor het motto van Leopold Flam is ook de publicatie van zijn dagboeken een mogelijke poging om ‘vrienden te maken’ of een uiting van de zoektocht naar een ander met wie hij zich emotioneel en intellectueel verbonden voelt: ‘Nadenken over het eigen lot heeft geen ander doel dan een gemeenschap te vinden die een einde maakt aan de verbanning.’

Zoals Nolens de ander wil benaderen met zijn geschriften, naderen de anderen ook hem. Creatieve artiesten kruipen onder de huid van de auteur (Rimbaud, Brodsky, Pessoa, Barthes, Rilke, Sartre, Wittgenstein, schilders Lucian Freud en Francis Bacon, en de immer aanwezige muziek: Bach, Schubert, Beethoven) of hij neemt duidelijk stelling tegenover anderen (Claus, Komrij, de postmodernisten).

Aan het begin van de jaren ’90, min of meer samenvallend met zijn doorbraak bij het grote publiek, zet een grotere openheid naar die ander en de buitenwereld in. Na een twintig jaar durende weigering, slaagt Nolens erin om op zijn veertigste ‘ja’ te zeggen tegen de wereld en het gezelschap van medemensen.

Het gaat goed, Nolens’ werk krijgt de aandacht die het verdient, hij wordt waargenomen en in 1993 noteert hij: ‘Alles en iedereen is gaan samenspannen om je gelukkig te maken.’ Rond dat moment verhuist hij naar zijn nieuwe woning in Missenburg: ‘Het is goed te weten dat voortaan ook geluk tot mijn mogelijkheden behoort, tot mijn talent. Dat is de grote ontdekking van Missenburg.’ Wanneer een van zijn kinderen het verlangen naar substantiële gesprekken uit, het tekort dat hijzelf ook zo prangend ervaart, kan en wil hij er nu twintig jaar na zijn twintigste aan toevoegen dat ‘het vaak niet zo belangrijk is wát mensen tegen elkaar zeggen en dat alleen het feit dat ze met elkaar praten het belangrijkste is.’ Een opvallend milde uitspraak van iemand die zich vooralsnog hoogmoedig verschanste in zijn ivoren toren. Nu de dichter via zijn gedichten verwanten heeft gevonden en zijn verlangen naar de gedroomde intimiteit met de lezer enigszins vervuld wordt, ontkiemt een ‘levensgevaarlijke euforie, alles overwoekerend optimisme’:

 

Geef maar toe, je bent vandaag een gelukkig mens omdat anderen je donkerte hebben gezien en begrepen, en dat is wat een individu wil: bemind worden in zijn minst beminnelijke zijde; geprezen worden om zijn eigen, specifieke, hoogst unieke melkmuil.

 

Afzondering, leegte en verveling blijven Nolens’ voorwaarde voor ontvankelijkheid voor ‘de bliksemflits, het onverwachte akkoord’ van de inspiratie.  Maar de dichter neemt nu ook, zij het nog steeds weifelend, deel aan het literaire circuit en het ‘mediacircus’. Het is moeilijk om te balanceren tussen het spelen van de rol van iemand die ‘een naam bezit, gedichten heeft geschreven en literaire prijzen heeft gekregen’ en het verlangen om ‘de blik van de echte lezer op je werk zo maagdelijk mogelijk [te] houden’.

 

Een lastig portret

Midden jaren 1990 is Nolens een gevestigde naam in de Nederlandstalige poëzie en heerst er een zekere consensus over de kwaliteit van zijn oeuvre. Hierdoor valt voor de auteur grotendeels de noodzaak weg zich tegenover zijn omgeving te bewijzen. Die uitwendige beweging is nu naar zichzelf gekeerd: Nolens moet vooral zichzelf bewijzen en de echte arbeid, de moeilijkste periode van zijn leven, aanvatten. Toen zijn vriend Herman de Coninck stierf, verliet Nolens kort Missenburg. Daarna verging het de gevestigde dichter alsmaar slechter. Na drie jaar geheelonthouding belandde hij weer in de ‘alcohel’ en de dagboeknotities vormen in die periode vooral een neerslag van zijn drankgebruik: het aantal consumpties, de bezochte kroegen, de aangerichte schade, de schaamte, de walging en de neerslachtigheid achteraf. Modder in plaats van bevlogen dromen en poëticale stelligheid, en door zijn tragische matheid is dit het saaiste stuk van het dagboek. Hier lijkt Nolens zijn eigen innerlijke lezer uit het oog te verliezen, want behalve voor mensen die voldoening vinden in dergelijke vormen van voyeurisme voegen deze passages weinig toe. Al valt ook wat te zeggen voor de keuze om de langgerekte klaagzang integraal te publiceren, omdat net in zijn eentonigheid en banaliteit het wezen van een dergelijke verslaving ligt.

Nolens’ dronkenmansverdriet volgt dus meteen na een periode van groot geluk om de gedroomde ontmoeting met de ander. Een brug slaan met de ander maakt ons kwetsbaar, en het vraagt moed die kwetsbaarheid te omhelzen als deel van het volle leven.

 

Mijn ouders zijn dood. Mijn kinderen hebben mij niet meer nodig. De drie vrienden die ik had, zijn verdwenen. En ook jou kan ik niet meer bereiken, omdat ik in mijn dronkenschap een ander werd. Hoe vind ik jullie allemaal terug?

 

Schaamte – uit een gevoel permanent tekort te schieten tegenover zijn levensgezel Leen en zijn kleine kern vrienden – en walging om het dierlijke in zichzelf zijn twee emoties die leiden naar zelfhaat en wanhoop. Nolens citeert Sartre: ‘het leven begint voorbij de wanhoop’, en voegt dan zelf toe: ‘Het vechten op verloren posten, waarbij het gevecht belangrijker is dan het resultaat, dat geeft de ware kracht om te leven.’ Lange tijd is zijn vechtlust echter verdwenen en domineren de ‘alcohel’ en het writer’s block zijn leven. Hij beseft zelf dat dit geen grote literatuur oplevert: ‘Ik schrijf alleen nog om de broze draad in ons leven niet te doen knappen. Dit is puur zelfbehoud.’

Met de publicatie van Manieren van leven in 2001, een bundel die hij zelf tot zijn beste werk rekent, zet de kentering in. Hij verwoordt zijn hernieuwd verlangen naar de droom: ‘Het leven bestaat uit ochtenden’.  Intussen is hij ook voorbij het geloof al schrijvend een plaats te vinden in de wereld, een manier om onder de mensen te komen: ‘Vandaag aanvaard ik dat ik altijd een eenling zal blijven.’

In de poëtica van Nolens is het altijd vandaag: ‘Nunc stans. Het eeuwige nu.’ Een voorwaarde om te werken aan wat hij in de woorden van Ezra Pound ‘het enige nieuws dat blijft’ noemt. Het zogenaamde tijdverlies van het schrijven creëert een andere tijd – het alomtegenwoordige nu, het vandaag van verleden en toekomst – en is zijn investering meer dan waard, want: ‘Wat zegt jou kunst zonder eeuwigheidspretenties. Wie niet op morgen mikt kan maar beter niet aan de slag.’

Ook in zijn beleving van tijd kan Nolens onze gids zijn. Zijn in-het-nu-leven doet onwillekeurig denken aan hedendaagse verschijnselen als mindfulness en andere afkooksels van zenboeddhisme. Waarom ons steeds richten op objecten, objectieven, toekomstige projecten en verwezenlijkingen, waarom verzaken aan een oefenen in het nu?

  

De vervulling is het dromen zelf

Als vroeger een blinde werd afgebeeld in een schilderij, impliceerde dat vaak dat hij beschikte over een speciale of alternatieve manier van kijken of denken, alsof een blinde ook niet afgeleid wordt door alledaagse, wereldse dingen. Tijdens mijn lectuur van Dagboek van een dichter dacht ik meermaals aan dat beeld, hoewel ik soms ook twijfel aan de oprechtheid van Nolens. In hoeverre koketteert hij met zijn uitzonderingspositie en zijn onaangepastheid? Ook al stoor ik me aan zijn gebrek aan mededogen, begrijp ik dat net dat polemische, de strijd, een wezenlijk deel vormt van zijn literatuuropvatting. Voor Nolens is literatuur een aanval, liefdevol of haatdragend, maar altijd een aanval op zichzelf of op anderen. Zijn romantisch verzet tegen de objectivering van het subject, het opbod aan ambities, de eis om in de plooi te vallen, is leerzaam. Ook zijn nunc stans legt de vinger op de wonde van onze relatie met tijd en ruimte. In Nolens’ eigen bewoordingen zijn zijn dagboekaantekeningen ‘vandagen, hieren, zelven’. Wat inspirerend werkt in hun anachronisme. Ook het verlangen naar substantiële gesprekken, het onvermogen om de belangstelling en de begeerte van de meeste anderen te delen, het niet te dichten gat tussen jezelf en de ander, is me niet vreemd. ‘Afstand, afstand, afstand, altijd worden wij gekwetst door de afstand die ons scheidt van… ja, waarvan? Van de onmiddellijkheid die blijkbaar als een droom ons leven achtervolgt.’

Toch schuilt er troost in de ervaring dat je dankzij ontmoetingen in de literatuur – en breder in de kunsten – zowel de ander als de droom kan benaderen. Wat voor mij in een mooie cassette op mijn werktafel staat, zijn twee vuistdikke boeken, een dichtbundel en een dagboek van een dichter die gedreven is door een niet kapot te krijgen verlangen zijn kwetsuren en onmacht te verheffen tot kunst.  Zijn unieke werk is de incarnatie van een droom. Het woord is vlees geworden.