Schranzen in een sterrenrestaurant. Over 'Licht dat naar ons tast. Verzamelde gedichten' van Bernard Dewulf

Anne van den Dool 

Twee jaar na zijn dood verschijnt het verzameld poëziewerk van Bernard Dewulf. In Licht dat naar ons tast herkent men de lange lijnen in zijn oeuvre: de zoektocht naar nabijheid, de aanbidding van de vrouw en de liefde voor de kunst. Al vanaf zijn debuut herkennen we de kraakheldere formuleringen en de interne strijd.

Feitelijk zijn poëzieverzamelingen net zo erg als chocoladerepen of partyzakken chips: ze bundelen een verslavend goedje op zo’n manier dat je er altijd meer van neemt dan goed voor je is. Zeker in het geval van Bernard Dewulfs Verzamelde gedichten, die de prachtige titel Licht dat naar ons tast meekregen, zou het zonde zijn om er te veel van in één zitting te verorberen. Het zou voelen als schranzen in een sterrenrestaurant: wie Dewulfs poëzie leest, voelt dat er – om maar in de voedselmetaforiek te blijven – eindeloos op herkauwd is, net zolang tot er precies het juiste stond.

 

Lange tussenpozen

Dat kostte tijd, doen de lange tussenpozen tussen het verschijnen van zijn bundels vermoeden. In zijn leven (1960-2021) produceerde Dewulf er slechts drie: Waar de egel gaat (1995), Blauwziek (2006) en Naar het gras (2018). Al voor de verschijning van zijn debuut verwierf hij in 1987 bekendheid toen de collectieve dichtbundel Twist met ons verscheen, met daarin ook gedichten van Dirk van Bastelaere, Charles Ducal en Erik Spinoy.

Verder schreef hij een aantal gedichten tijdens zijn periode als Stadsdichter van Antwerpen, een functie die hij tussen januari 2012 en januari 2014 bekleedde. Ook was hij sinds januari 2017 writer in residence van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten van Antwerpen; daaruit kwam eveneens een reeks korte maar krachtige gedichten uit voort, als poëtische toelichting op de thematisch vormgegeven museumzalen, met onder meer werk van Jozef Israëls, Rik Wouters en Henri De Braekeleer als inspiratiebronnen.

Alles bij elkaar leverden deze inspanningen een kleine tweehonderd gedichten op, opvallend gelijksoortig van vorm: altijd passend op één pagina, zelden meer dan twintig regels lang. Dewulfs poëzie bevat zelden een lang of ingewikkeld woord; de complexiteit schuilt in de ogenschijnlijke simpelheid.

 

Allereerst dichter

Dewulf publiceerde veel meer dan enkel deze poëzie: in zijn 61-jarige leven schreef hij talloze columns, essays, toneelteksten, bewerkingen en ook romans. Voor zijn novelle Kleine dagen nam hij in 2010 zelfs de Libris Literatuur Prijs en De Inktaap in ontvangst. Voor NTGent maakte hij bewerkingen van klassiekers als Cyrano en Elektra; zijn overpeinzingen verschenen onder meer in De Morgen en De Standaard.

Toch werd hij in de eerste plaats dichter genoemd. Het zegt wellicht iets over de indruk die Dewulf binnen dat genre maakte, maar net zo goed over de mate waarin zijn poëtische blik doordruppelde in zijn andere schrijfwerk: daarin reflecteerde hij voornamelijk op het menselijk bestaan, maar keerde hij de blik net zo goed naar buiten, onder meer richting het werk van beeldend kunstenaars.

Nu, twee jaar na zijn onverwachte overlijden, werd het hoog tijd voor een verzamelbundel die zijn dichtwerk zou eren. Het is meer dan welkom al die zorgvuldig gecomponeerde teksten bij elkaar te zien. Zo valt op hoe Dewulf meteen in zijn debuut een toon wist te vatten die hij de rest van zijn dichtersoeuvre zou vasthouden: in de openingsgedichten kijken we mee over de schouders van een dementerende oudere en haar ‘vergeefs geklapwiek van gedachten’ terwijl zij de controle over hun leven en de tijd verliest. ‘Een kind vermomd in rimpels’ is alles wat van haar overblijft.

 

Pogen te naderen

Het dagelijks leven en hoe wij daarin vergeefs pogen de ander te naderen: het zouden terugkerende thema’s in Dewulfs oeuvre worden. Daarin speelt de vrouw een blijvende rol, voornamelijk als moeder en geliefde. Nooit kan zij ten volle worden omhelsd of zelfs zonder aarzeling worden aangeraakt. Man en vrouw liggen in Dewulfs oeuvre herhaaldelijk samen in bed, starend in het donker, zonder enig idee van wat de ander bezighoudt.

Er is de wens de vrouw te kennen, soms misschien zelfs te bezitten, en tegelijkertijd is het precies het raadselachtige dat haar tot zo’n dankbaar dichtobject maakt. Naarmate de tijd verstrijkt, waagt Dewulf het echter steeds vaker om de vrouw zelf het perspectief toe te bedelen. Ze mag zelfs kritiek leveren op die voortdurende objectivering, zoals in Litanie van Marthe Bonnard en Moi Bonnard, twee gedichtenseries in Blauwziek, verwijzend naar de Franse schilderes die vooral de geschiedenisboeken zou ingaan als de vrouw van de Franse impressionist Pierre Bonnard. ‘Zeg mij wat is mijn kleur. / Hij schildert mij bont en blauw / tot mijn vlees hem staat’, legt Dewulf haar in de mond. En: ‘Soms moet ik zingen. Dan slaat zijn penseel / aan het dansen, sta ik wankelend / een opaak naakt / op rode, doorzichtige hakken / in een draaiende, blauwzieke kamer.’

De schilderkunst keert vaker terug in Dewulfs werk. Niet voor niets was hij in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten zo op zijn plek: schrijven naar aanleiding van een beeld werkte voor hem blijkbaar goed. Net als in zijn beschouwingen leek hij bij de lezer het enthousiasme voor het zorgvuldig kijken naar kunst, zoals die van Edgar Degas, Luc Tuymans en Marlene Dumas, te willen aanwakkeren.

 

Oog voor het nabije

Uit Dewulfs gedichten spreekt een ogenschijnlijk mateloze bewondering voor dat wat zich onder onze neus bevindt. Toch was er in zijn leven ook, zo beschrijft vriend en collega Charles Ducal in het nawoord van Licht dat naar ons tast, ‘de tuimeling’, zoals Dewulf het zelf noemde. Die neerwaartse beweging overviel hem vaak zonder aankondiging. Het was in die zijnstoestand dat, aldus Ducal, Dewulf zijn gedichten schreef. Hij moest lijden om te maken, en deze verzamelbundel is dan ook niet zonder weerstand tot wasdom gekomen, benadrukt de collega-dichter. Wat al te gemakkelijk valt te interpreteren als moeiteloze poëzie, blijkt in werkelijkheid het resultaat van een eindeloos proces van schaven en schrappen, en van onweerlegbare ontevredenheid. Ook de rust die men in Dewulfs gedichten kan lezen, kan net zo goed worden opgevat als eenzaamheid.

Die mogelijkheid tot herlezing maakt de uitgave van dit verzamelde werk alleen al tot een waardevolle toevoeging aan Dewulfs oeuvre. Het nodigt uit tot het zien van dwarsverbanden: het minutieus observeren van andermans handelingen, de onmogelijkheid de ander te naderen, het schrijven en onvermijdelijk ook de dood. Voor wie tot nu toe om Dewulfs poëzie heen gecirkeld had: dit is het moment om je eraan te laven. Met muizenhapjes, bij voorkeur.

 

BIBLIOGRAFIE

Bernard Dewulf, Licht dat naar ons tast. Verzamelde gedichten. Atlas Contact, Amsterdam, 2023.

 

Anne van den Dool over Bernard Dewulf
PDF – 263,9 KB

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.