Christophe Van Gerreweys Werk Werk Werk: confessies van een precrastinast

Auteur: Kim Gorus
Christophe Van Gerrewey, Werk werk werk, Polis, Antwerpen, 2017.

Vijf

Christophe Van Gerrewey heeft iets met veelvouden van vijf. Na de verhalenbundel Vijf ziekteverhalen (2010), de door hem samengestelde bijzondere editie van Dietsche Warande & Belfort (DW B) ‘50 fictieve gebouwen’ (2014) en zijn vijftig essays tellende bundel Over alles en voor iedereen (2015), omvat nu ook Werk werk werk, Van Gerreweys derde roman, exact vijf hoofdstukken. Die telwoede zegt iets over de precisie waarmee Van Gerrewey in zowel zijn fictief als essayistisch werk optreedt: uiteenlopende maatschappelijke thema’s (relaties, architectuur, mobiliteit) worden op haast antropologische wijze bestudeerd. Niet in hun algemeenheid, maar steeds in relatie tot taal en tot de verhalen van individuen, begrensd door een nadrukkelijk arbitraire structuur.

In Werk werk werk zoomt Van Gerrewey in op de rol van werk in onze maatschappij aan de hand van een casestudy van vijf hoogopgeleide (ex-) werknemers. De vijf hoofdstukken van Werk werk werk zijn opgebouwd rond vijf afspraken met evenveel personages die de vorm aannemen van meetings: strak gedateerd en getimed, op een enkele uitzondering na van korte duur. Vijf personages, allemaal familieleden, vrienden of kennissen van de verteller, passeren de revue: een drukbezette professor (Wolf), een gepensioneerde manager (de vader van de verteller), een curatrice werkzaam in de artistiek-culturele sector (Trice), een onderzoeker aan de universiteit (Frida) en een beginnend schrijver (Thomas). De verhalen die ze vertellen zijn, hoewel ze zich afspelen in uiteenlopende sectoren, zeer gelijklopend. Die eerder droge, repetitieve structuur heeft het nadeel dat je soms het gevoel krijgt dat je hoofdstukken moet afhandelen: lezen wordt dan ook een beetje werken. Tegelijk toont die monotonie misschien net de pijnlijke realiteit dat werken minder voldoening en afwisseling schenkt dan we graag willen geloven, zelfs in sectoren die vrijheid en creativiteit hoog in het vaandel dragen.

De vijf afspraken met de verteller spelen zich, tekenend genoeg, meermaals af in hippe koffiezaken verspreid over het land. Koffie, van oudsher een stimulerend brouwsel dat moet aanzetten tot een grotere productiviteit, is vermarkt tot het ultieme zen-product dat de belofte van rust en gezelligheid inhoudt. De toegang tot die zen is echter niet zo eenvoudig en al zeker niet goedkoop. De koffiebars die bezocht worden, serveren niet zomaar de eerste de beste filterkoffie, maar wel de hoogst professionele variant, met ronkende namen als lungo, americano, cappuccino of een flat white, geserveerd door een daartoe opgeleide – in één geval zelfs award-winnende – barista. Ook genieten heeft een prijskaartje in de neoliberale maatschappij die Werk werk werk voorspiegelt.

 

Precrastinatie

Hoewel de personages werkzaam zijn in zogenaamd geprivilegieerde sectoren, zijn de werkervaringen waarover de vijf figuren en hun entourage getuigen allesbehalve rooskleurig. Wolf sleept zich van deadline naar deadline, Trice van het éne naar het andere precaire, slecht betaalde contract in de culturele sector, de vader van de verteller wordt na een carrière in de bedrijfswereld opzij geschoven door het nieuwe management, Frida moet na haar doctoraat strijden voor een mandaat aan de universiteit en opboksen tegen het seksisme van sommige mannelijke professoren, en ook de schrijver Thomas – die één van de twee gedroomde beroepen van de verteller beoefent: schrijver en kok – ontmaskert de ‘romantische bullshit […] over het schrijversleven’. Want ook schrijvers worden steeds meer door hun uitgevers, gemotiveerd door verkoopcijfers, aangepord tot (zelf)promotie en het schrijven van boeken met een hoge amusementswaarde. ‘Werk werk werk – daar komt het op neer voor een schrijver, handen uit de mouwen, niet zeuren maar poetsen, zoals iedereen, en wat niet lukt heb je aan jezelf te danken’, zo beweren de collega-schrijvers van Thomas tot diens grote ergernis. Het ‘publiek’ heeft in al deze sectoren steevast gelijk, of het nu om stadsinwoners, lezers of studenten gaat: cultuur moet veel volk trekken, literatuur moeten pleasen, colleges moeten dynamisch en interactief zijn, zoniet volgen er repercussies: minder subsidies, slechte verkoopcijfers, negatieve evaluaties. ‘Wat heeft het voor zin en wie zit er te wachten op kunst en cultuur, wanneer alles dat niet voor directe consumptie en aantoonbare financiële return zorgt voor onkruid wordt aangezien en met de pesticiden van populariteitspolls en politieke overwegingen wordt doodgesproeid?’, verzucht Trice.

In zowat alle werkdomeinen worden werknemers geteisterd door een steeds toenemende controledwang. Nadat het bedrijf van de vader van de verteller onder een Amerikaans management wordt geplaatst, wordt een heel andere bedrijfscultuur geïmplementeerd. Wanneer hij, moe en uitgeblust van alle interne reorganisaties, beslist om een personeelsfeest over te slaan, krijgt hij meteen een uitbrander van het management: ‘[I]edereen WEET hoe moeilijk het is om op vrijdagavond een babysit te vinden, maar toch MOETEN wij naar het personeelsfeest komen om rond de tafel te zitten met collega’s met wie we al zoveel tijd MOETEN doorbrengen – dan mogen we van de baas verwachten dat hij AANWEZIG is!’ Werken staat in die zin voor aanwezig zijn, je werktijd uitzitten. Het lief van het nichtje van de verteller, een jonge kerel die in de reclamesector werkt, heeft deze kapitalistische retoriek moeiteloos overgenomen: ‘Het is beter om werknemers bepaalde vrijheden te gunnen, en om die vrijheden zelf te organiseren en te verplichten.’ ‘Up and ready’ blijkt het credo van de moderne werknemer, zowel in de commerciële sector als daarbuiten. In de culturele en academische wereld uit de controle zich vooral in een verlies aan autonomie waarbij werknemers voortdurend moeten verantwoorden waaraan ze elke minuut van hun tijd en elke euro van hun budget spenderen, een ‘terreur’-beleid dat volgens Trice grenst aan ‘pesten’.

De verteller zelf is een vlijtig bijtje dat beantwoordt aan het ideaal van de hardwerkende Vlaming: ‘Er is geen taak te groot of te klein of ik wil haar achter de rug hebben, en werk beschouw ik als een activiteit die je niet te doen staat, maar die je vooral gedaan wilt hebben, en als een verschijnsel dat ondraaglijk wordt als het zich nog voor je neus bevindt.’ In tegenstelling tot de procrastinast, die alles voor zich uitschuift, lijdt de verteller aan precrastinatie, ‘een kwaal waar naar het schijnt ook duiven last van hebben.’ Hij staat al klaar om potentieel werk te lijf te gaan, nog voor het zich aandient: ‘Soms zie ik mezelf voor mijn computer zitten als een gamer met een speelgoedpistool, klaar om op een mail te schieten als op een schurk die de kop opsteekt. Is het sport of verslaving, en is het iets om trots op te zijn of iets waar ik van verlost moet worden?’ De precrastinast legt de vinger op de wonde van deze tijd: werken is niet louter een bron van inkomsten, laat staan een middel tot zelfontplooiing, het is in de eerste plaats iets dat je moet volhouden. Ofwel anticipeer je op de stroom aan inkomende mails door ze krampachtig bij te houden, ofwel loop je hopeloos achter. Werken betekent in dat opzicht vooral: bijbenen, niet achterop geraken, de stroom indijken. Zelfs afspreken met vrienden, als je daar al toe komt na je drukke werkweek, dient veeleer tot leedvermaak, om te bevestigen dat hun leven en werksituatie zo mogelijk nog érger zijn: ‘[T]erwijl het toch ook daarom is dat we vrienden opzoeken: om ermee geconfronteerd te worden dat ons leven niet zo uitzonderlijk deplorabel is, en dat het te verkiezen valt boven dat van de meeste mensen.’

 

Het is allemaal de schuld van Thatcher

Het is allemaal de schuld van Thatcher, zo beweert Wolf. Door het collectief belang in te ruilen voor privaat winstbejag en succes, rust er een enorme verantwoordelijkheid op onze schouders, en al zeker op die van de hoogopgeleide werkkracht. Professionele zelfontwikkeling is niet langer een mogelijkheid, maar een te volbrengen plicht. Terwijl er in de realiteit natuurlijk veel minder beschikbare hoogopgeleide jobs dan kandidaten zijn. Elke individuele beslissing kan in dat licht de potentieel foute keuze zijn, die, als in een gigantisch ‘dominospel’, ‘een oneindig lange reeks verkeerde keuzes’ in gang zet. Het motto van Werk werk werk, een citaat van Henry James uit het essay ‘The Lesson of Balzac’, suggereert nochtans het tegendeel: ‘What befalls us is but another name for the way our circumstances press upon us – so that an account of what befalls us is an account of our circumstances.’ De roman maakt op die manier brandhout van de opvatting van economist Milton Friedman, Thatchers ideologische broeder, dat het vrijemarktkapitalisme ons tot ‘vrije’ burgers heeft gemaakt. De personages in Werk werk werk zijn in al hun individuele vrijheid vooral behept met een angst tot falen, tot het niet voldoen aan de verwachting die ze schijnbaar zelf gecreëerd hebben. Hun idealisme ligt in vrijwel alle gevallen pijnlijk ver van de werkelijkheid. Doorheen het cynisme in Werk Werk werk, weerklinkt via James een oproep tot meer mildheid en empathie in dit spel waarvan wij de regels niet zelf bepalen.

In onze hoogst geïndividualiseerde maatschappij lijken mensen vooral connectie te zoeken via het internet. Maar Werk werk werk heeft net als het world wide web de initialen ‘www’: ook werken staat namelijk in steeds sterkere mate gelijk aan mailen en ander internetverkeer. Die uitholling van onze dagtaak vervult ons met een gevoel van zinloze arbeid. Als werken e-mailen wordt, welke activiteit heb je dan precies volbracht aan het eind van een drukke werkdag? Het www heeft ons echter zo duivels in haar web gesponnen dat we, gewillig en gedwee, niet alleen non-stop beschikbaar zijn, maar daar ook nog eens enthousiast over doen. We gooien met veel plezier ons privéleven tijdens onze ‘vrije’ tijd te grabbel op sociale media, waardoor dat leven zélf aan belang inboet: ‘Het grootste probleem is dat voor smartphonegebruikers de werkelijkheid niet meer bestaat en niet meer volstaat, en dat iets – een ontmoeting, een maaltijd, een zonsondergang, een vrijpartij, een museumbezoek, een beklimming van de Eiffeltoren of de lectuur van een roman – zich pas voordoet als die activiteit of die gebeurtenis wordt gereproduceerd op een scherm, door zo veel mogelijk mensen wordt bekeken, en tot een anekdote wordt gereduceerd.’ Zoals Baudelaire stelt in Le Spleen de Paris: ‘La plus belle des ruses du diable est de vous persuader qu'il n'existe pas.’ De smartphone is in die optiek het ultieme duiveltje-in-een-doosje. Hij vervaagt de grens tussen werk en privé en maakt ons tot afhankelijke wezens die diezelfde afhankelijkheid verheerlijken als een vorm van vrijheid en fun.

 

Wat je ook kiest, je kiest verkeerd

Werk werk werk toont ook in welke mate actuele maatschappelijke problemen als mobiliteit en ecologische verontreiniging – en dan vooral de combinatie van die twee – de drukke, mobiele werknemer opgezadeld heeft met een praktisch én een gewetensprobleem. Een kopje koffie in een wegwerpbeker is weinig duurzaam, maar het alternatief lijkt amper beter, mijmert de verteller in een niet aflatende interne dialoog: ‘De vaat doen vergt immers heel wat water, dat verwarmd moet worden en met detergenten vermengd, en dat vervuild en vervuilend in het riool terechtkomt, wat uit ecologisch standpunt, verrassend misschien, schadelijker kan zijn dan een samengepropt kartonnen bekertje in de vuilnismand gooien en vervolgens in een hoogoven verbranden, een paar dagen of een paar weken later – hoelang duurt zoiets? Lungo of Americano, bekertje of kop – wat je ook kiest, je kiest verkeerd.’ Het openbaar vervoer gebruiken is ecologischer dan de wagen nemen, maar is vaak complex en zelden – met een knipoog naar Van Gerreweys vorige roman Trein met vertraging (2013) – op tijd. En ook de dreiging van terrorisme en de draconische veiligheidsmaatregelen die ingevoerd werden maken het dagdagelijkse woon-werkverkeer er niet eenvoudiger op.

Het vele pendelen verlengt de werkdag, zeker aangezien zinvol werk voor de hoogopgeleide werknemer in veel gevallen niet meteen dichtbij huis te vinden is. Trice trotseert elke dag een urenlange rit van Antwerpen naar Brugge en benut haar weekends vooral met bijslapen. De in Gent wonende verteller zoekt het, bij gebrek aan een zinvol alternatief, nog verder, in Zwitserland. Wanneer hij ’s avonds laat verloren loopt op de luchthaven na een terugreis van zijn werkplek in Lausanne, en zo zijn laatste trein mist, vreest hij ‘voorgoed in een reis- en arbeidsmodus’ vast te geraken, die veel weg heeft van een hellevaart: ‘Ik was ergens van het goede pad afgeweken, waardoor het einde van de werkdag plots onwaarschijnlijker leek dan tevoren […]. Zelfs wanneer ik niet meer productief aan het werk was, zou ik tevergeefs proberen om niet meer te werken, niet meer te produceren, niet meer actief te zijn, niet meer een job voor te bereiden en die vervolgens af te ronden, met als gevolg dat voortaan elk ogenblik, elk moment, elke gedachte in mijn leven in het teken zou komen te staan van werk werk werk.’

 

Verbrande kreeft

Het contrast tussen de uiterlijk onbewogen verteller en zijn razende, eindeloos uitweidende interne dialogen is ongemeen komisch. Het eerste hoofdstuk, waarin hij op de terugreis van een college in Zwitserland plots beseft dat hij mogelijk met een gescheurde broek, en daaronder een goudkleurige boxershort, voor de klas heeft gestaan, is ronduit hilarisch. De humor in Werk werk werk vloeit ten dele voort uit de autobiografische overeenkomsten tussen de verteller en schrijver. Christophe Van Gerrewey is immers, net als de verteller van dit boek, woonachtig te Gent en werkzaam als professor architectuurtheorie aan de École polytechnique fédérale de Lausanne. Je kan het dan niet nalaten om je af te vragen of de auteur wérkelijk goudkleurige onderbroeken draagt of door een misnoegde Zwitserse student omschreven werd als ‘een verbrande kreeft die op de markt is achtergebleven’. Als sleutelroman zijn bepaalde knipogen en referenties natuurlijk zodanig bedekt dat ze enkel ontcijferbaar zijn voor mensen die het (academische, culturele) wereldje, of specifieker nog de concrete mensen naar wie verwezen wordt, kennen. Het risico is dan dat die lezers bevestigd worden in wat ze al weten, en dat degenen die dat niet doen afhaken. Toch hoop ik dat Werk werk werk erin slaagt om meer dan alleen de incrowd te bereiken. Want hoe herkenbaar en platgetreden de hedendaagse arbeidsproblematiek ook is, ze vormt nog véél te zelden het volwaardige onderwerp van literatuur of beeldende kunst. Van Gerrewey fileert, via de hoogopgeleide werknemer, onze condition humaine in een dolgedraaide, door werk geobsedeerde maatschappij. Hij doet dat in een tragikomische vertelling die geen concrete oorzaken of oplossingen aanreikt, maar als literaire parabel van een absurde tijd slaat en zalft tegelijk.