Honderdveertig kilo liefde

Stad: Skopje
Verschenen in: Clubsandwich
Of beluister dit citybook hier:


De ijzeren vogel van Air Adria vloog door de flappende tentzeilen van West-Europa, zweefde over het gesloopte ijzeren gordijn van Europa’s oosten, hoorde in de verte over het water het tumult op de Egyptische pleinen, naderde vervaarlijk de Ottomaanse snorren en portretten van Atatürk. Zwenkend langs Thessaloniki waar de hoeren in de havens stonden te dralen, draaide het ijzeren gevogelte net op tijd een stukje terug – bijna had het zijn bestemming overgeslagen. Het boorde door de rookpluimen van Ronhillsigaretten en ongefilterde fabriekswalmen, klaar om in de liesstreek van de Balkan neer te dalen, in het landje op het kruispunt der beschavingen, waar twee miljoen inwoners rusteloos wachtten: Macedonië.
        Als je uit een vliegmachine kruipt, is je lichaam wel al op zijn bestemming maar je geest zweeft nog in een tussenland. Was het daardoor dat ik, honderddertien tot honderddertig (winter) kilo onafhankelijke lesbienne, stond te trillen op mijn benen? Of was het omdat ik hier voor de liefde was en vreesde dat ik weer een zelfmoordpoging zou mogen ondernemen?
        ‘Dit is het land,’ sprak Joycelyn, de Amerikaanse spionne, plechtig en op volume vijftig, ‘hier liggen de kansen en de mannen nog voor het rapen. Duizenden volkeren hebben de Macedoniërs al platgekregen, nu is het onze beurt om hen te domineren.’
        Joycelyn was andersbegaafd, niet alleen als Amerikaanse maar ook als zwaar gehandicapte. Als ukkie had ze zichzelf potdoof gemaakt van zodra ze kon spreken, door zo pijnlijk luid te roepen dat ze nu amper nog iemand anders kon horen. Als Amerikaanse was dat ook niet nodig. Zij was hier om goede contacten te leggen met de inheemse bevolking. En om en passant een man te vinden. Haar baas, de FBI, kon alles en iedereen vinden.
        Zelf was ik een afgezante uit de transitdarm van West-Europa, het koninkrijk van de stille levensgenieter en parkinsonlijder koning Albert, het landje in de gordiaanse knoop met zichzelf, België. Mijn missie naar dit land was humanitair van aard. Ik wilde een hoer bevrijden uit de klauwen van de Macedonische Albanezen, om haar bij mij thuis beter werk te geven. Ivana heette mijn hete brok. Het schepsel was mij online tegen een spotprijsje aangeboden door een goedhartige Macedonische islamitische Albanees die plots offline was gegaan.

Waarschuwing 
De passie en het bloed gaan opspatten, beste lezer. Houd je adem in, haal de hogedrukreiniger erbij. Dit schamel schotschrift wil iets vertellen over Liefde en Doofheid, met als decor het wondere, wollige, ondoorgrondelijke Macedonië. Ik moet deze woorden aan jou toevertrouwen, zodat jij kan oordelen of ik mezelf iets te verwijten heb in mijn omgang met vreemde Balkanvolkeren die net niet vreemd genoeg zijn om boven hun steden en bergen per helikopter frietketels, staatsobligaties en chocolade te droppen maar toch zo anders dat de enige taal die je allebei verstaat, Visa heet.

Koning Kaas
Op een gps-scherm was de luchthaven een klein zwart speldenkopje. In het echt was het bouwwerk een klein beetje groter en veel heter. Volgens de regels van het reisverhaal was er in de verste verte geen levende ziel te bespeuren, zelfs geen taxichauffeur. Hoe weinig hoop ik nog over had in deze wereld, het was er blijkbaar toch nog te veel. Wanneer zou het die rammelkar vol Albanezen behagen om aangeraasd te komen teneinde mij te ontvoeren, te verkrachten en in hun bergdorp onder dwang geitenkaas te laten maken? Daar was ik werkelijk razend benieuwd naar maar niemand die het mij kon vertellen. Gastvrijheid is een hol begrip geworden.
        Als zwetende slakken gleden Joycelyn en ik dan maar naar een bushalte. Vanaf half acht ’s morgens werd de oven van de hemel hier op veertig graden gezet om het land alvast te chambreren voor de rest van de dag. Welbeschouwd was het nog deprimerender dan het Belgische weer want hier was geen zicht op verandering.
        Glorieus en in slow motion wapperden miljoenen splinternieuwe Macedonische vlaggen aan hun vlaggenstokken. Zonder aarzelen wezen ze ons de weg naar de hoofdstad.
        Het was tien uur ’s ochtends toen we neerstuikten op het terras van ons hotel Youth Hostel. Ik merkte een zwart puntje, een vliegend dier of een speldenkopje, op mijn neus. Ik was te loom om het weg te wuiven. Onder het genot van halve liters bier zaten vijftigjarige locals volledige slakroppen en antikatersoep van buikspek weg te werken. Tijdens het eten bleven ze ijverig roken. Communiceren deden ze door schurende scharnieren en leeglopende banden te imiteren. Ook ik stond op het punt gek te worden van de hitte. Enkel mijn uit de naden barstende skinny Pepejeans hield mijn vormen nog bij elkaar, én de gedachte aan het schepsel dat mij meer dan wie ook ter wereld nodig had: Ivana. Ik had haar met mijn eigen ogen online zien kronkelen van aanhankelijkheid.
        ‘Voor we op zoek gaan naar Ivana, olie, inboorlingen, Prada en goud, zouden wij beter wat koolhydraten vreten’, mijmerde Joycelyn filosofisch en hardop. Ze nam de menukaart erbij maar die was in het Cyrillisch geschreven.
        Wat een provocatie aan ons, alfabetlezende Amerikanen’, snoof Joycelyn.
        ‘Ja! Een provocatie!’, hoorde ik mezelf herhalen. Eigenlijk sprak ik al jaren niet meer maar sprak de prozac door mij. Prozac legde een zeil over mijn wereld, een feesttent over de begrafenistafel van mijn leven.
        ‘Provocatie’, bleef Joycelyn blazen. Met dat wonderlijke, assertieve rechtvaardigheidsgevoel van een Amerikaan, stormde Joycelyn naar de restaurantkeuken. Op zoek naar wraak en een vette hap volgde ik haar naar de coulissen van de keuken. Ik plofte door de klapdeuren binnen, bleef klem zitten, wrong me los en zag mezelf een tel later vallen maar kon mijn handen nog net op tijd uitstrekken om languit midden in een berg vleestomaten te landen. Bloed spatte in het rond. Ik zag mezelf liggen tussen de druipende gezwollen tomaten en dacht in paniek: Ivana lust mij niet meer.
        Ondertussen was Joycelyn tot op de top van een aardappelberg geklommen. ‘Kijk daar!’, riep ze. Een bologige jongen hield een groot hakmes in de hand. Ze nam hem onder schot. ‘Een kereltje dat non-stop groenten, brood, kaas en vlees snijdt. Zoveel menselijker dan een keukenrobot. Hak voor ons, jongeman!’
        Het knuppeltje hakte de groenten in de pan alsof zijn leven ervan afhing. In een mum van tijd groeiden de bergen voedsel voor de Salade-eters nog hoger.
        ‘Eet!’, riep Joycelyn naar mij.
        De moed zonk mij in de schoenen. Ze zeggen wel vaker dat verandering van spijs doet eten maar dit was een uitzichtloze zaak. Ik at vijfentachtig komkommers opgestapeld in een hoek als een wapenvoorraad, ik werkte een badkuip door de jongen geraspte wortels naar binnen, en ook een kruiwagen kaas, een piramide tomaten en een paar huisgebakken broden maar ik gaf het al snel op. Mijn maag stond op springen maar voor de rest was mijn lichaam niet gevuld. Zonder dierlijke vetten ben ik niet voldaan. Het was wraakroepend. Geiten, schapen en koeien graasden zich dik op bergtoppen, in groensappige graslanden en langs de straatkant terwijl ik haast van honger omkwam. Het was nog te vroeg op de dag voor vlees in het land van de Salade-eters, bibberde de jongen met de mopshondogen.
        Mijn dromen dreven af naar een koe en naar Ivana. Hoe wonderwel een echte Belgische dikbilkoe als ik bij Ivana zou passen. Het luchtledige van mijn ziel probeerde elk detail van haar schoonheid te vangen. Hoe ze kwetsbaar en bleek op de webcam lag te spinnen als een katje. Ik zag haar voor me onder een berg geraspte kaas die ze als een heerlijke donsdeken over haar reeds hete lichaam trok.

In de bouwput
Spoorslags vertrok Joycelyn naar de inboorlingen in het hart van de stad. Hongerig en eenzaam stond ik daar maar te staan. Stof waaide in het rond. Aan hoge kranen zwiepten emmers cement over de stad. Bouwvakkers telden hun overuren. Zou het lukken om de hoofdstad onherkenbaar op te smukken tegen acht september, het feest van twintig jaar onafhankelijkheid? De levenskracht van een beschaving toont zich in haar bouwmeesters. Kijk maar naar Egypte en Ivoorkust. En naar de ouders van Ivana, eenvoudige boerenmensen die een dochter geboetseerd hadden die bestand was tegen alle werk, groot en klein, vuil en smerig. Zij hadden die dochter voor mij gebouwd, als je het naging. En ik stond voor haar te zweten aan de rand van het grote Legoplein te Skopje. Voor haar waagde ik mij in het nagelnieuwe woud van gipsen standbeeldcreaturen. Even fake als Ivana. Halfbakken sletten zaten op bankjes te pruilen om uiteindelijk toe te geven aan halfmoderne, halfmetroseksuele jongens. De kans dat Ivana als fee in dit Bois de Boulogne ronddartelde, was niet gering. Tito, de grote borstenliefhebber en vriend van de Amerikanen, was vervangen door tientallen onbekende dode Macedoniërs die vanaf hun goedkope sokkels uitkeken over de bouwput Skopje. Eén beeld in het bijzonder ontroerde mij. De grootste homo uit de wereldgeschiedenis showde trots zijn pluimen in het midden van het plein, op een reusachtige betonnen suikertaart: een enorme Alexander de Grote galoppeerde op zijn lievelingspaard naar de gouden toekomst van de twee miljoen Salade-eters.
        Maar er dreigde gevaar, groot gevaar. Bij de zuilen drentelde een groepje kritische massa rond. Met pamfletten. Blijven ademen en wegwezen, sprak ik mezelf streng toe. Verschillende onafhankelijke dokters (dermatologen en psychiaters) hadden mij verteld dat ik zwaar allergisch was voor kritische massa en het best uit hun buurt bleef. Overal ter wereld tooiden de mannelijke vertegenwoordigers van dat slag zich met peuken in hun pluizige babyfaces terwijl de humeurige, bloedmooie meisjes kunstzinnige vodden rond de lichamen drapeerden. Hoorde je een verdacht meisje ‘nee’ kirren, dan wist je dat de ziekte nabij was. Toch kon ik het niet laten. Had ik weer last van zelfmoordneigingen, zonder dat ik het zelf besefte? Sterk vermagerd sinds mijn komst bij de Salade-eters, met al mijn kwetsbare honderdentwaalf kilo, stapte ik toe op het taaiste, ongenaakbaarste meisje van de troep.
        Was dit de marktplaats waar ze meisjes verkochten? ‘Nee’, kirde het kind. ‘Wat je hier ziet is recyclage van de communistische beeldentaal door een right-wing-gone-wrong-regering die hierin een manier ziet om haar geld wit te wassen en een nationaal gevoel aan te zwengelen. Macedonië is een constructie. Ons gebied is eeuwen platgewalst door volkeren uit alle windrichtingen.’ ‘Ik ben het helemaal met jullie eens. Ik zal hierover berichten bij mijn opperhoofd in mijn ver vreemd land’, antwoordde ik. Viel mij niets op aan die beelden? ‘Jawel,’ zei ik, ‘zeker.’ Inderdaad, nam ze me de woorden uit de mond, al die standbeelden waren oude knakkers, morsdood, stuk voor stuk mannen. Waarom niet het roer omgooien en aan de toekomst denken? Mijn angst week, mijn hart zwol van zoveel hoop en geloof in wat nog komen moest.
        ‘Wanhoop niet, meisje,’ hoorde ik de prozac in mij weerwerk bieden, ‘ik zal de Nobelprijs voor Diëten winnen in 2050, ik ben een vrouw en ik leef nog. Ik wil mij opofferen voor jouw land. Je mag mij een standbeeld geven. Snel, voor het te laat is en ik dood ben.’ In dit klimaat was de kans op een hartaanval voor een inmiddels slechts honderdelf kilo wegende, zwaar depressieve hartlijdster reëel. Ik zag trouwens weer zwarte vlekken. Of waren die zwarte puntjes op mijn netvlies de mee-eters op de neus van de activiste? Nee, de puntjes vormden een donderwolk aan de hemel terwijl zij wegschreed. Stond mijn land in brand? Of was er aan de overkant van de oceaan een nieuw 9/11 in de maak? En zou ik Joycelyn en Ivana nog zien voor ik stierf? Samen? Tegelijk klaarkomend op een kaaszolder?

Bazaar
De Turkse bazaarwijk had al meegemaakt wat Vlaanderen nog te wachten staat. De Ottomanen hadden haar eeuwen geleden veroverd, kebabsnijders en juweliers verdienden hier sinds jaar en dag hun centen en hadden de plaatselijke Slaven hardhandig bekeerd tot de islam. Wij zijn allemaal Macedoniërs, als je het nagaat. Macedonische vrouwen als moeder Theresa, Shakira en Oprah Winfrey hadden geheupwiegd door deze nauwe steegjes. In hun voetsporen stootte ik door tot aan het Kale Fort dat een schitterend uitzicht bood over de stad. Romantisch was dat wel, uitkijken over de stad die in twee werd gedeeld door de rivier Vardar maar zo kon ik de hinde Ivana onmogelijk terugvinden. Ik had geen arendsblik. Het enige levende wezen dat zich vertoonde op dit middaguur wees mij de weg naar het beroemde en beruchte stadsdeel Shutska. Voor de rest veranderde de stad aan zo’n razend tempo dat zelfs satellieten niet tijdig konden doorseinen naar gps’en welke straat nu weer waar was aangelegd.
        In Shutska was er een voorbeeldige markt aan de gang: druk, claustrofobisch, wervelend van het leven, de brol en de vrouwen. Ik vond er de goedkoopste noten ter wereld, klerenhangers uit China, de meest uiteenlopende dust collectors, gouden blingbling met een waarde van drie keer niks. Skopje kookte hier over. Zigeuners bekvechtten hier vredig met Albanezen. Straathonden lieten luizen spelen onder hun vier oksels.
        Goedgemutst kuierde ik verder. In een kring stonden mensen rond een schouwspel. Een dansende beer of een homohatende homoseksueel die een andere homo publiekelijk tot appelspijs klopte, dacht ik, maar ik ging dichterbij en zag de mensen verzameld rond een put. ‘Awesome’, hoorde ik kakelen van beneden.
        In die put stonden kindertjes met smerige gezichten omhoog te kijken. Met een touw aan de enkels waren ze verbonden. Ze werden in bedwang gehouden door Puiloog, het eerbiedwaardige groenteboertje van ons hotel, die zelf onder schot werd gehouden door Joycelyn.
        Eigengereide moeders sprongen in de put terwijl machteloze vaders fervent verder rookten en schreeuwden. De chaos was compleet. Gelukkig was dit een buurt waar de politie al lang niet meer kwam en slaagde Joycelyn erin de orde te herstellen met haar Kalashnikov.
        ‘Help mij hier eens uit!’, riep ze naar mij toen de rust was teruggekeerd.
        Ik takelde Joycelyn uit haar Ground Zero.
        ‘We kunnen nergens beter zijn dan bij de Salade-eters!’, toeterde ze. ‘Ze hebben hier overal wireless. Kom, laten we die Ivana snel gaan halen. Dan kan ze mee in de container. Ik heb net een partij organen besteld via de Serven.’
        ‘Wat moet ik in mijn ver koninkrijk met organen?’, opperde ik. ‘Bij ons zijn er genoeg Marokkanen die bij het Offerfeest schapen opensnijden om ons het jaar rond van levers en endeldarmen te voorzien.’
        ‘Fucking hell, barbaar’, vloekte Joycelyn die plots niet meer doof was. ‘Deze organen zijn niet om op te eten. We versnijden kindjes hier om kindjes bij ons goed groot te kunnen laten worden. Fair trade in orgaandonatie. Kinderen voor kinderen en ...’
        ‘Hoeveel zwijggeld krijg ik?’, kwam ik tussenbeide.
        ‘Bah, die corrupte Belgen,’ balkte Joycelyn, ‘vuile pedofielen. Het nu even voor de kinderen opnemen zeker? Bah.’ Ze schoof me het jaarloon van een CEO bij Shell toe.
        Ik wilde mij er verder simpelweg niet mee bemoeien want ik was afhankelijk van Joycelyns krachtige FBI-satellietverbindingen. De FBI kreeg alles gedaan. Momenteel waren ze naaktfoto’s van Halle Berry aan het opsnorren dus mijn mooie, blondgeverfde Ivana konden ze ook op hun radar krijgen. Ik had daar al mijn schamele, depressieve hoop op gesteld. Al wist ik dat ik mezelf waarschijnlijk bedroog. Maar was dat geen teken van menselijkheid?

iPhones en bakjes troost
In de schamele cafeetjes langs de rivier werden donkere liedjes gekweeld. Ik verstond er geen letter van maar voelde toch iets opwellen. Geen liefde voor een onbekende sloerie maar mededogen met een natie die niet veel groter was dan mijn respectabele lijf. Ik wist hoeveel lijden daarin vervat zat, als je formaat niet in de wereld paste. Size matters.
        Na vijf glazen bosbessensap met wodka durfde ik mee te zingen met de turbofolkliedjes en oogcontact te maken, al dansten mijn ogen zat in mijn hoofd en verwarde ik plafond met grond, en jonge hindes met oude bokken. Dat merkte ik toen ik een stugge baard mijn dikke dijen voelde strelen. Maar in al mijn ellende vermaakte ik me wel. Zelfs voor een volbloed lesbienne was het geen schande om te leren van een oude heer.
        ‘Een waarzegster’, verbeterde de baardvrouw mij in het Engels toen ze boven mijn boezem adem kwam happen.
        ‘Ik hoef mijn eigen toekomst niet te kennen,’ zei ik, mijn dubbele dosis prozac en mijn aidsremmers indachtig, ‘maar wel de toekomst van Ivana.’
        Om te beginnen moest ik een kopje gif drinken met de merkwaardige naam ‘Turkse Koffie’.
        Toen vroeg de vrouw me meer achtergrondinformatie over de vrouw.
        ‘Ivana,’ zei ik, ‘geil.’
        De waarzegster las het gruis. Zenuwachtig keek ik omhoog. De schaduw van een pikzwarte wolk hing boven ons.
        ‘Volg je natuur’, was al wat de waarzegster zei. Ze keek alsof ze het meende en verdween dan discreet.
        Buiten trof ik Joycelyn kotsend boven de Vardar, haar topje over haar hoofd getrokken. Zo trashy had ik haar nog niet gezien, die spionne van het vijftiende knoopsgat.
        ‘Ik heb mijn iPhone in de rivier laten vallen’, krijste ze.
        ‘We volgen gewoon de natuur’, zei ik.
        Op de berg buiten Skopje brandde het grote Orthodoxe Kruis. De wolk van God of de iCloud van Apple bleef boven onze hoofden waken. We volgden de geur van de rivier Vardar en de glinstering van de radioactieve vissen die terugkeerden zodra we de stad en de industriestrook vol smeerlapperij spuitende fabrieken achter ons gelaten hadden.
        Ladderzat zwalpte Joycelyn over de onverlichte wegen. Ik keek naar haar en voelde mijn levenslust terugkeren. Mijn bloed bruiste weer. Getintel in mijn onderbuik alsof iemand me met peterselie streelde. Met mijn volle gewicht en al mijn tedere liefde sprong ik op haar. Haar topje moest er helemaal aan geloven. 
        ‘Dit is liefde’, zei ik terwijl ik haar op de grond legde en de borstelige wenkbrauw tussen haar benen streelde. Wanneer Macedoniërs vloeken, zeggen ze in het Servisch: kruip terug in de kut. Wij waren letterlijk aan het vloeken. Joycelyn spartelde wild en toonde mij voor het eerst in mijn leven de dove liefde. Ze hikte en boerde en hijgde zo heftig dat de nachtvogels ervan wegvlogen, met alle macht in haar dove lijf. Wroetend in de plooien van haar kut werd ik opeens iets vreemds gewaar. Een plastieken zakje. Zodra ik dat boven haalde, stond Joycelyn weer op haar achterste poten. Als ik geweten had dat het uranium was, ik had het niet zo snel teruggegeven.
        Waar was ik mee bezig? Alles wat ik deed, deed ik om nader tot Ivana en de Liefde te geraken. Dat zou ze wel begrijpen. 

Bij de moslims
De wolk stopte in het midden van de nacht bij een dorp waar volgens de FBI enkel moslims woonden. Ik wist niet of ik bevreesd of opgewonden moest zijn, want dit werd de nacht van mijn dood. Die moslims waren immers Albanezen. In België huurde je één minderjarige Albanees voor een uurtje als je iemand snel en efficiënt uit de weg wilde ruimen. Hier woonde dat volkje in groepsverband. De moslim-Albanezen waren ten tijde van dictator Hoxa uit Albanië weggeborsteld en resideerden hier in onafgewerkte kasten van huizen. Als verliefde koppeltjes stonden de bouwsels twee aan twee tegen elkaar aan te schurken. Ze etaleerden hun gebrek aan rijkdom met cementen vazen en overdadige stenen druiventrossen op hun talrijke terrassen. Albanese broers hadden de gewoonte om volledig identieke huizen naast elkaar te bouwen, vaak in nichterige discokleuren. Daar had ik dan weer wel een goed gevoel bij, bij al die broeder- en zusterliefde.
        We naderden het dorp en hoorden een barbaars lawaai. Zouden we? Durfden we? Zouden die moslims ons met even krachtige handgranaten als de onze tegemoet treden? Was Ivana een moslima die stiekem in haar slaapkamertje met de webcam speelde? Hier in die hitte en dat stof? En speelde haar vader soms mee? 
        Er was net een bruiloft aan de gang. De smalle straten vol half afgewerkte huizen en krotten slibden helemaal dicht met wagens uit alle hoeken van het land. Wild getoeter en gezellige uitlaatgassen deden zelfs onze wolk opschrikken. 
        Getaande mannen en gesluierde vrouwen kregen ons in de gaten en sleepten ons mee naar de trouwpartij. Weer een broer en zus in de echt verenigd. Daar dronken wij graag gratis op. We werden ook nokvol gepropt met lekkers. Wij kregen niet de kans met lege mond adem te happen. Russen hebben mij al tegengehouden bij buffetten maar hier waren we terechtgekomen in de omgekeerde wereld. De twee families moedigden mij luid aan. Hun gastvrijheid kende geen grenzen en dwong mij tot het uiterste te gaan. Mijn ossenknieën knikten onder het gewicht, mijn poriën barstten open, mijn kaakgewrichten maalden piepend. In een mum van tijd was het halve bruidsbuffet in mij verdwenen.
        Wacht eens even, ging door mijn prozacbrein. Waarom doet dit volk zoiets? Ik ben niet volledig achterlijk. Ik kreeg visioenen van mijn held Jommeke die volgepropt werd om in het volgende prentje in de kookpot van zijn donkerhuidige vrienden te belanden. Op het laatste nippertje werd de grapjas natuurlijk gered. Maar wie zou mij redden?
        ‘Ivana?’, vroeg ik tussen twee happen. Zij moest mijn redding zijn. De neef van de bruidegom, een man met stekelvarkenshaar en een zonnebril van op de vuilnisbelt, had mij gehoord. Hij nam me apart en vertelde in een verbrokkeld Engels dat zijn broer dringend moest genezen. Zeer ziek was hij, zeer ziek. Hij wees naar de donkere nacht in de achtertuin en zei: ‘Ivana is bij hem. Help hem, help.’
        Zo goed en zo kwaad als een volgepropt zwijn zich voort kan bewegen, hobbelde ik naar de tuin. Ik rilde. De zilveren wolk lichtte mij bij en bleef stilstaan boven een fors hondenhok. Uit het hok kwam een bastaardhond gelopen, een lief en lelijk beest dat tegen mij opsprong tot ik omrolde. Hij droeg een naamplaatje waarop ik las: IVANA. In het felle schijnsel van de wolk kwam er nog een wezen naar buiten gekropen. Zoals ik reeds signaleerde, leefde in deze streken het mythische ras der Homoseksuelen. Op het platteland woonden zij in de achtertuinen van hun verwekkers, bij de viervoeter des huizes. Deze Homoseksueel had vrouwenheupjes, een oorbel en een nektapijt dat mijn landgenoten hadden leren kennen in de jaren tachtig van de vorige eeuw. De man was zeer ziek. Hij moest genezen. Ik waggelde terug naar het feest.
        Heel even moest ik een golf van misselijkheid onderdrukken maar ik was nog nuchter en kwiek genoeg om Joycelyn weg te halen van bij een groepje vrouwen die haar onder de baklava’s aan het begraven waren. Ik sleurde haar mee naar het hondenhok en sloot haar op bij de homo. Buiten hield ik de wacht, samen met Ivana. Het was hartverwarmend om te horen hoe Joycelyn de zieke man veroverde. Na een volle acht minuten trad Joycelyn naar buiten. De wolk ging boven haar hangen en was enorm in omvang toegenomen.
        ‘Hij houdt van mij’, beaamde Joycelyn. Er kwam nog een gulp wodka uit haar mond. Het maakte haar nog weerlozer, nog naïever en menselijker.
        ‘We kunnen nog een huwelijk vieren’, knipoogde ze.
        Wie weet maakten ze kleine Ivanaatjes, waar ik dan op mocht babysitten. Ik moest er dringend vandoor.
        ‘Mijn taak zit erop,’ schreeuwde ik tegen Joycelyn, ‘ik ga en wens jullie een stralende toekomst.’
        Ik dankte onze vrienden en verliet gehaast het pand, samen met de wolk.
        Suïcidaler dan ooit tevoren vertrok ik.

Nieuwe kleren
De rest van de nacht liep ik met de wolk terug naar de stad. Het was acht september, het land bestond twintig jaar. De Macedoniërs gingen heel hard in het basketbal. Ze hadden die irritante Grieken al op hun doos gegeven en stootten verder door naar de hoogste regionen van de Europese beker. Voor de meeste mensen waren er alleen maar redenen tot feesten. Ik kon me dus met een gerust gemoed te slapen leggen op een bank in het park. ‘Ja,’ mijmerde ik nog even voor het indommelen, ‘het volk van de Salade-eters heeft een ziel die zwart en verkoold is, platgebrand na al die jaren. Het volk van de Salade-eters heeft geleden en daar een cultuur uit gemaakt, die aarzelt tussen publieke onverschilligheid en privaat lijden en geilen. Een volk dat vanachter haar eigen gordijn naar buiten wil kijken maar niet bekeken wil worden.’ Allemaal erg rake en slimme praat voor een strontzatte lesbo van inmiddels weer honderdveertig kilo.
        Samen met de zon stond ik op. Door al dat bittere Macedonische bier en de wodka en muntthee zat ik nu met een gargantueske kater opgescheept. Het was zo erg dat ik een zwarte wolk voor mijn ogen zag. Bij veertig graden, met een kater die je alle lust beneemt om zelfs maar zelfmoord te plegen, zie je al eens iets wat er niet is. Tot mijn doofstomme verbazing zoemde de wolk, en moest ik wel volgen, richting rivier. Als ik hier zelfmoord pleegde, ging het zelfmoordcijfer van België dan omhoog? Zaten we dan echt aan het wereldrecord? Ik aarzelde.
        Ik had een rijkgevuld leven gehad, vol eten. Ik had het allemaal gezien: de hysterisch huilende paparazzo toen Amy Winehouse, zijn meest lucratieve onderwerp, er het bijltje bij neerlegde, de grotten van Lascaux, de fijnbesnaarde kasseisteenfabrikanten van mijn land die mij geëngageerd hadden voor een reclamestunt, het hellend vlak van Ronquières en de vlakheid van Ivana’s borstkas.
        Ik dacht daar niet graag aan terug. De wolk daalde over mij neer. Ik zag nu dat ze uit duizenden bijen bestond. Ze steeg op en sleepte me mee over de rivier, naar de bazaar.
        Een klerenmaker zat voor het raam van zijn uitpuilende winkel. Met al zijn aandacht dreef hij een stikmachine aan. Zijn oude hoofd knikte mee op het ritme, alsof er muzieknoten uit de machine kwamen. Hij keek niet op toen een zware schaduw binnenviel – ik. Zo aandachtig was hij bezig dat ik er stil en eerbiedig van werd. Zijn dunne lippen fezelden. Waarschijnlijk waren het de woorden die hij op een lange linnen doek stikte. Ik zag de benige taaltekens over het linnen schuifelen, als tienermeisjes op een fuif die nog niet goed durven opgaan in de muziek, naar elkaar kijkend, wachtend tot iemand hen zou uitkiezen. Ik hoorde woorden die naar zuurstof hapten. Terwijl hij naaide, ontcijferde ik er enkele. Ik las mijn eigen naam, Joycelyn en Ivana en zag de wolk. Verrukt begreep ik dat deze oude man de chroniqueur van het leven in Macedonië was. Hij hield bij wat hier gebeurde, tot in de kleinste details, al eeuwen lang. Zijn winkeltje puilde uit van de verhalen. Niets was ongezien gebleven. Hij wist dat ik mijn wolk had zien wegdrijven over de bergen. Hij wist dat ik zelfmoord wilde plegen omdat ik Doofheid had gevonden maar geen Liefde. De man gebaarde dat ik op twee stevige krukjes naast hem kon gaan zitten. Bemoedigend klopte de oer-Macedoniër me op de schouder en hij sprak de woorden die iedere Macedoniër zijn hele leven hoort: ‘Wanhoop niet. Ooit zal het gebeuren, ooit.’