Niet lang meer

Auteur: Carmien Michels
Stad: Münster
Verschenen in: Pseudovertalingen

Op de hoek van iedere straat kom je een kerk tegen, een voor elke oorlog die de stad door de eeuwen heen doorstond. De kinderen hier hinkelen niet over letters van het alfabet of cijfers van een tot tien. Nee. In deze stad leggen ze het hinkelpad van oorlogsvoering af. Oorlogsverklaring, belegering, verwoesting, overgave of overwinning en uiteindelijk vrede en wederopbouw. Bij iedere sprong lichten de vuurvliegjes in de zolen van hun sneakers even op.

Onder hun voeten bevinden zich tal van steden. Huizen en straten die in oorlogstijd door zo veel puin en gruis bedekt raakten dat het zinloos was ze op te ruimen. Het zou jaren duren om alle resten van het verleden weg te schrapen en woningen op ongeschonden grond te bouwen, jaren van geduld dat de bevolking al lang had verschoten.

Dus trokken de burgers bij iedere overwinning vlijtig nieuwe straten over de vorige, met de schedels van de vijand als kasseien. Bij nederlaag en overheersing deden ze hetzelfde, zij het met de schedels van hun naasten, hun vlijt ingeruild voor deemoed. Op de beenwitte kasseien drupte het bloed van hun gemartelde leiders die in kooien aan de kerktorens hingen, als schrikbeeld voor wie het in zijn hoofd zou halen opnieuw de macht te grijpen.

Altijd was er wel iemand gek genoeg om een nieuwe strijd aan te gaan.

En zo kreeg de stad er door toedoen van iedere vijand een nieuwe laag bij, alsof een sissende vulkaan zich steeds opnieuw te goed deed aan de wilskracht en jeugdigheid van de stad. De burgers boden telkens weer koppig het hoofd aan deze vuurgod, die niet hun god was en die beslist zou doven als ze genoeg kerken optrokken.

Op een dag was het zover. Tijdens een allesonterende oorlog had de vulkaan zozeer gebloed dat hij zich terugtrok in een diepe slaap. De mensen die nog leefden, kropen uit de schuilkelders en stroopten de mouwen op voor een grondige wederopbouw. Ze waren meesters in de rouw. De as van de doden vermengden ze met wijwater en zo asfalteerden ze de wegen. Van kerk tot kerk. Elk gebedsgebouw als boetedoening voor het verleden. En toen was er vrede.

In de kerken slaan gelovigen nederig een kruisteken, knikken kwade gedachten weg, knielen en branden kaarsen voor hen die hen ontvielen. Jaar in, jaar uit.

Waar gaan alle kwade gedachten naartoe? Niet naar de tuinen waar groene vingers pompoenen kweken en rozen snoeien. Niet naar de parken waar de stedelingen wandelen, joggen, met honden en kinderen spelen, koetsen of rollators voortduwen. Niet naar de collegezalen waar de studenten door de open ramen hun toekomst rooskleurig tegemoet dromen. Niet naar de cafés waar jong en oud tijdens het happy hour klinken op het leven. Sinds die laatste oorlog kleden de burgers zich iedere ochtend met vrome gedachten, levensvreugde en vrede.

 

Het vervolg van deze tekst lees je in de papieren DW B 2017 2.