Het draait altijd om liefde

Stad: Lissabon
Of beluister dit citybook hier:

Vertaald uit het Portugees door Harry Lemmens.


Ik heet Jinja. Jinja met een J. Ik ben een straathond uit Lissabon, middelgroot, goudgele vacht, hangoren en ogen die het hart van de hardvochtigste lui doen smelten. Op 8 oktober 2013 rond halfelf ’s morgens heb ik de geest gegeven. Dat was een dinsdag. Bij de metro werd gestaakt en het verkeer was nog chaotischer dan gewoonlijk. De zon scheen. De temperatuur lag die dag tussen zeventien en acIhtentwintig graden. Volgens de statistieken schommelt de gemiddelde temperatuur in die tijd van het jaar tussen veertien en eenentwintig graden. Het was dus abnormaal warm. Ik heb nooit geweten wanneer ik precies geboren ben, maar ik was oud toen ik doodging en ik had versleten gewrichten, hoestte en leed aan een hartkwaal.

Op de dag van mijn dood hield de Portugese premier een toespraak over de economische crisis, waarin hij ons verzekerde dat Portugal als geheel en op alle afzonderlijke vlakken Europa en de rest van de wereld een voorbeeld zou geven waarover nog lang nagepraat zou worden. Verder was er die dag weer een trekking van EuroMillions, de zeshonderd eenendertigste, met als winnende nummers 23, 24, 26, 33 en 42. De sterretjes waren de 3 en de 5. Er was geen winnaar.

Ook ik heb niet gewonnen. Van de dood bedoel ik. Of misschien is het niet juist om van winnen te spreken, want er is helemaal geen gevecht geweest. De dood kwam en ik liet me door hem meevoeren. Maar omdat de dood vaak wordt omschreven als de tegenstander van degene die doodgaat, overdrijf ik niet als ik stel dat ik niet gewonnen heb van de dood. In zekere zin heb ik dat trouwens wél gedaan, want ik zit hier te schrijven. Een hond zijn geweest en na je dood kunnen schrijven líjkt niet alleen vreemd, het ís vreemd. De werkelijkheid is vaak onwaarschijnlijker dan de onwaarschijnlijkste fictie. Vandaar dat een groot deel van de werkelijkheid geen plaats krijgt in de literatuur. Maar dat is een andere kwestie, waar ik misschien later nog ooit op terugkom. Tenminste als ik daar zin in heb. Tijd is het probleem niet, die heb ik meer dan genoeg. De eeuwigheid bestaat uit zoveel tijd dat geen levend wezen zich zo’n gigantische zee kan voorstellen. En zo’n nutteloosheid. Wat te veel is wordt automatisch nutteloos en voor de mensen heeft wat nutteloos is geen bestaansrecht. Alles nuttig maken is voor hen de grote uitdaging. Ook daarop kom ik misschien later nog eens terug. Tijd zat. Alleen zin weet ik niet. Hoewel ik nog maar net kom kijken in de dood, is het me nu al duidelijk dat een overdaad aan tijd ertoe leidt dat je alles uitstelt, zelfs je zin.

Ik merk dat ik het belangrijkste nog niet gezegd heb: ik ben een stuk over Lissabon aan het schrijven omdat ik in het hoofd van Dulce ben gekropen. Daar had ik eigenlijk mee moeten beginnen. Een beginnersfout, ik geef het toe. Als je iets vertelt, moet je een bepaalde volgorde in acht nemen. Maar misschien is het ook weer niet zo erg. Fouten kunnen de afstand tussen degene die schrijft en degene die leest, verkleinen. Bij de rest van het leven is het net zo. Ook al trekt de perfectie ons, we blijven altijd steken in fouten. De oneindige mogelijkheid om opnieuw te beginnen is daarentegen een ander verhaal. Zonder de oneindige mogelijkheid om opnieuw te beginnen zouden leven en literatuur best een en hetzelfde kunnen zijn.


Het vervolg van dit citybook lees je in de papieren versie van DW B 2014 4. De volledige tekst verschijnt later online.