Schizofrenie

Stad: Ieper
Verschenen in: Eigentijd
Of beluister dit citybook hier:

Vertaald uit het Arabisch door Djuke Poppinga

Ieper

In de stad Ieper, die midden tussen de Vlaamse akkers ligt, zoals een naar de wereld opgestoken middelvinger zich in het midden van de hand bevindt … In de stad Ieper, die in de Eerste Wereldoorlog van de kaart is gewist, zoals het Palestijnse volk uit de schoolboeken en de historische archieven is gewist … In de stad Ieper – ik weet niet zeker welke formulering poëtischer is en beter in de context past: ‘honderd jaar na zijn vernietiging’, of ‘honderd jaar na zijn wederopbouw’ … In de stad Ieper, waar je je hand kunt leggen op de geschiedenis die languit voor je ligt als een lijk, waar je de wond kunt aanraken om te ontdekken dat hij nog warm is als de tepel van een vrouw die smelt tussen je lippen … Daar dwaal ik rond, een Palestijnse vluchteling, die tot voor kort nog uit alle boeken, nieuwsberichten, academies en onderzoeken werd geschrapt, want we weten allemaal dat Palestina een land is zonder volk … Ha ha ha … 

Hoe het ook zij: ik, de Palestijnse vluchteling die niet bestond in deze beschaafde wereld, dwaal rond als een archeoloog die met een kolonialistische verkenningsmissie vanachter de oceaan is gekomen en de halve aardbol heeft afgereisd om de barbaarsheid van de homo sapiens van nabij te voelen en de euforie te ervaren van de bevestiging dat Hannah Arendt gelijk had toen ze de banaliteit van het kwaad benadrukte. Ik ben een Palestijns-Syrisch-Zweedse vluchteling, ik draag een broek van het merk Levi’s, in San Francisco bedacht door een Joodse migrant uit Duitsland. Ik vul mijn camera met foto’s, zoals een boerin uit Rusland de melkemmer onder haar koe vult. Ik knik met mijn hoofd als iemand die de les heeft begrepen: de les van de oorlog. Ik, de Palestijn, verdeeld over tientallen slachtingen, sta hier naakt. Ik probeer me te hullen in mijn gedicht, in de hoop dat het mijn wonden zal verhullen. Beduusd verzamel ik hier en daar mijn brokstukken, zodat ik een getuige kan zijn. Hier sta ik, de gewelddadige Palestijn, volgens de clichés en de stereotypen, afkomstig uit een land dat bekend staat om zijn oorlogen, zoals de oriëntalisten beweren. Ik sta voor jou, bevangen door een hevige gêne, ja, een hevige gêne voor de nietigheid van de oorlogen in mijn land, in vergelijking met de enorme oorlogen in jullie landen. De kleine, onbeduidende oorlogen van mijn land tegenover jullie gigantische, almaar groeiende oorlogsmachine, die alles wat groen en dor is, vermorzelt, tegenover jullie inventieve wapens die de oorlog tot een kunst verheffen, tegenover jullie bontgekleurde oorlogen die niets overeind laten staan, tegenover jullie schitterende bloedbaden, o witte mannen. 

In de stad Ieper, die zich te midden van de Vlaamse akkers bevindt, zoals het Midden-Oosten zich te midden van de problemen bevindt, verandert de zware erfenis van de oorlog in een succesvolle toeristenattractie. Alles verjaart, behalve in Ieper. Hier wordt de herinnering aan de oorlog juist intenser met het verstrijken van de tijd. De oorlogsherinnering eet de toeristen op en wordt groter, ze eet de veteranen op en wordt groter, ze eet de vertellers op en de kleinkinderen van de mannen die hier zijn gesneuveld en ze wordt groter. Ze eet de herinnering op van hen die nog niet zijn geboren en groeit als een wijnrank in een pergola. De resten van de wapens die in de akkers zijn gevonden, liggen uitgestald in de etalages van de winkels en de koffiehuizen. Zwart-witfoto’s van strijders, hun snorren puntig als het lemmet van een mes … Overal kom je ze tegen. Alles in de stad is verbonden met de dood. Het graf van de onbekende soldaat lijkt op een open wond, de muziek die al meer dan tachtig jaar elke avond wordt gespeeld, lijkt op een chronische bloeding. De akkers herbergen de herinneringen van de mannen die hier zijn gedood om redenen die ze niet kenden. En de arme stakkers die na de oorlog zijn geboren en geen getuige zijn geweest van zijn schoonheid, worden achtervolgd door zijn verhalen, zo vaak hebben ze die gehoord. Als je wat beter kijkt, zie je in hun ogen de hoop dat er een andere oorlog zal komen en de zekerheid dat dat zal gebeuren, een stellige zekerheid die ze hebben verkregen dankzij hun kennis van de menselijke soort. Dat is het enige wat hen in evenwicht houdt.

 Noot 1: 

In de Verenigde Staten werd hij de Europese Oorlog genoemd, waarin afgezien van Europeanen ook Aziaten, Afrikanen en Amerikanen zijn gesneuveld. In Europa werd hij de Grote Oorlog genoemd, maar er was niets groots aan. Ze hadden niet voorzien dat ze later, toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, gedwongen zouden zijn de naam te veranderen van de Grote Oorlog in de Eerste Wereldoorlog. Tot dat moment was de wereld zo romantisch en onschuldig geweest dat niemand had kunnen vermoeden dat twee decennia na het einde van die spontane dans een disco zou beginnen waar iedereen aan deelnam. Niemand geloofde Marx toen die beweerde dat de geschiedenis zichzelf herhaalt: de eerste keer als een tragedie en de tweede keer als een klucht. Dit is ongeveer wat er in Europa gebeurde: de tragedie van de Eerste Wereldoorlog en het carnaval van de Tweede.

 

In de stad Ieper, waar de geschiedenis in staat is je met stalen ogen aan te kijken en met een slappe hand de slip van je overhemd vast te pakken, waar de afgelopen honderd jaar zo verwarrend zijn geweest, dat je niet meer weet waar je staat, waar mannen met snorren als vleugels voldaan op hun dood zijn afgestevend. Zeshonderdduizend mannen verspreid over de akkers, opgelost in de aarde. Hun herinneringen raakten in ontbinding, lekten weg in de bodem en drongen in het gebladerte, de koeienmelk en de klaprozen, ze vervuilden de vlakten met somberheid en een vaag gevoel dat de passerende vrouwen trof met een plotseling verlangen. Hun echtgenoten legden het uit als een lenteallergie, de dichters als een déjà vu. Mannen met snorren als vleugels lazen mijn gedicht voordat ik het had geschreven en rolden vergenoegd een sigaret. Ik zag hoe een van hen zijn vinger legde op de wond van zijn vriend en ik dacht terug aan de ongelovige Thomas. Hij zag mij en dacht terug aan zichzelf. Er zijn daar nog steeds mannen met snorren als vleugels. Er is een eeuw vervlogen en ze zijn er nog. Hun moeders zijn vervuld van de dood en zij zijn er nog, hun geliefden zijn eenzaam oud geworden met andere mannen, en zij zijn er nog. Ze hangen in de ‘ruimte-tijd’, hun laarzen zitten vast in de modder, hun geweren zijn verroest, hun munitie is beschadigd door het water, het chloorgas verspreidt zich nog steeds en zal zich blijven verspreiden tot het Damascus heeft bereikt. In de stad Ieper is de geschiedenis in staat je aan te kijken met stalen ogen. Heden en verleden vermengen zich met het gas. Het gas in de longen van hen die hier zijn gestorven vermengt zich met het gas in de longen van hen die een eeuw later zijn omgekomen in de buitenwijken van Damascus. Niemand heeft de les geleerd, niemand zal haar leren.

Noot 2:

Fritz Haber, de Joods-Duitse chemicus, heeft twee keer de kunstmest uitgevonden. De eerste keer toen hij nitrogeen mengde met hydrogeen om explosieven te maken, in een poging een middel uit te vinden om zo veel mogelijk mensen te doden. Uiteindelijk ontdekte hij ammoniak, dat wordt gebruikt voor de bemesting van akkers. Daarmee heeft hij miljoenen mensen van de hongerdood gered. Hij heeft er de Nobelprijs voor chemie voor gekregen … Ha ha ha. De tweede keer ontdekte hij chloorgas, waardoor duizenden soldaten door verstikking zijn omgekomen. Hun lichamen dienden als mest voor de Vlaamse akkers.

Noot 3:

Op 22 april 1915 hebben de Duitsers in aanwezigheid van Fritz Haber 5730 cilinders chloridegas op de geallieerden in de Vlaamse akkers afgeschoten. Duizenden zijn door verstikking omgekomen. Clara Immerwahr, Habers vrouw en net als hij een Joods-Duitse scheikundige, heeft een paar dagen na de gasaanval zelfmoord gepleegd, omdat ze zich heftig verzette tegen de beschamende rol die haar echtgenoot speelde in de productie van chemische wapens. De volgende ochtend verliet Haber zijn huis om de eerste chemische gasaanval tegen de Russen aan het Oostfront voor te bereiden. 

Noot 4:

Haber zou zijn onderzoek voortzetten. Hij probeerde aan de Duitsers te bewijzen dat hij een echte Duitser was en binnen de onderzoeken die hij uitvoerde, droeg hij bij tot de ontwikkeling van een van de ergste uitvindingen in de geschiedenis: Zyklon A, waaruit later Zyklon B is ontwikkeld, dat de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog hebben gebruikt om zoveel mogelijk Joden in de gaskamers te vernietigen, van wie sommigen verwanten waren van Fritz Haber. 

Noot 5:

In 1933 vertrok Fritz Haber uit Duitsland en vestigde zich in Groot-Brittannië, vanwege de naziwetten tegen de Joden. In 1934 stierf hij in een hotel in Bazel, toen hij op weg was naar Palestina om daar voor het Britse Instituut voor Wetenschappen te gaan werken.

 

In Ieper word je op het eerste gezicht misleid door de schoonheid van de natuur en hap je toe. Je wordt misleid door de vrede, vermengd met de gewassen in de wei die zich uitstrekt langs de loopgraven. De rechtvaardige vrede. Kijk, daar kruipt ze naar je toe, haar hand, waarin ze het mes draagt, verbergt ze onder haar jas. Je zult niet worden verrast door de eerste steek, maar wel door de tweede, door de eentonigheid van de dood, door de saaie, saaie herhaling van mannen die vallen tijdens het rennen, omdat ze geraakt zijn door een kogel. Je zult verrast worden door de eentonigheid van de lessen die niemand heeft geleerd, behalve zij die zijn gestorven. Je zult worden verrast door de schoonheid van de strijd, door de maat die wordt geslagen door de kanonnen, door de kleuren die meewaaien met elke granaat die de aarde kust, door de oorsuizingen, door de muziek van het metaal dat het volkslied van de dood speelt, door het orkest van de hartkloppingen. Een uitgelezen kans om de wreedheid van de mens en de fijngevoeligheid van het staal te ontdekken.

O Ieper, de stad die een geweldig graf aan het gezicht onttrekt. O massagraf, dat het masker draagt van een stad. Ik weet echt niet wat ik moet zeggen, maar ik ben ervan overtuigd dat we niet nog een graf nodig hebben voor een onbekende soldaat. Geloof me, we hebben een graf nodig voor de onbekende buschauffeur, die migrant uit Chili, die alleen in zijn bed is gestorven zonder dat iemand hem miste, of een graf voor de onbekende falafelverkoper die met een volle buik werd geboren in het Zuiden en hongerig stierf in het Noorden, we hebben een groot graf nodig voor de onbekende vrouwen, wier bloed dat sijpelt uit de kieren van de muren we over proberen te schilderen, vrouwen wier zachte gekerm we horen in stille zomernachten, terwijl we doen alsof we het niet merken. Vrouwen die op hun tenen de geschiedenis hebben doorkruist om het beest niet wakker te maken, vrouwen die in stilte hebben geleden, in de vaste overtuiging dat God kwaad zou worden als ze nee zouden zeggen, vrouwen die zijn opgegeten door de patriarch, waarna wij er – laf als we waren – het zwijgen toe deden.

Zij was de Eerste Werelddans, waarvoor iedereen was uitgenodigd, met een danszaal in de openlucht. Flarden van tonen. De loop van een geweer viel op de grond en zou honderd jaar later worden gevonden door een boer die dacht dat het een fluit was. Tanden vielen uit de mond van een jonge soldaat door de splinter van een vlinder. Niemand zou ze vinden. Er viel een bom op een graf en de dode soldaten werden voor de tweede keer gedood. De dromen van hen die dachten dat ze zouden terugkeren vielen neer. Er kwamen enkel kleine metalen plaatjes terug, met daarin hun namen gegraveerd. De Eerste Werelddans. Er viel een stad door een verdwaalde kogel. Alle dansers vielen, allemaal. De muzikanten vielen, de vogel die in de boom zat viel, de boom viel, maar de appel van Newton bleef in de lucht hangen. Geen zwaartekracht hier. Alleen de modder heeft greep op de laarzen van de soldaten. En ik ben de enige overlevende van deze schitterende massaslachting, ik ben de getuige die te laat is gekomen. Kalm bekijk ik de grafstenen, mijn ontzetting over hun banaliteit lijkt op hun ontzetting over een onverwachte bezoeker, een getuige uit landen waarvan het de kinderen niet is toegestaan een getuigenis af te leggen. Een slachtoffer dat de graven van slachtoffers bezoekt.

‘Ben je hier gekomen om te leren van de lessen van de westerse beschaving: hoe je zoveel mogelijk mannen kunt doden met de meest geavanceerde middelen die de beschaving heeft voorgebracht?’

‘Nee.’

‘Ben je gekomen om te leren van de ervaring van de zinloze dood van zeshonderdduizend mannen die mest zijn geworden voor de klaprozen?’

‘Nee.’

‘Moet je een nieuwe manier ontdekken om soldaten te recyclen, zodat ze opnieuw kunnen worden gebruikt in andere oorlogen?’

‘Nee.’

‘Ben je hier om te leren hoe je moet doden?’

‘Nee, ik ben hier om te leren hoe je moet sterven.’

Damascus
Ik was op weg naar de dood, toen de strijders me tegenhielden. Ze fouilleerden me en ontdekten dat ik mijn hart bij me had. Het was lang geleden dat ze een hart en zijn eigenaar samen hadden gezien. Een van hen schreeuwde: ‘Hij leeft nog’, en ze besloten me te veroordelen tot het leven. Ik zag vrouwen in witte kleren die leken op verpleegsters, maar ze zweefden door de lucht. De morfine-injecties brachten me naar strijdperken van een andere soort, waar de bomen blauw waren en het water groen als sinaasappels. Ik zag vrouwen in witte kleren die me aanstaarden en zich langzaam in het onbekende begaven. De morfine-injecties brachten me in de tunnels tussen Damascus en Stockholm. Toen zat ik ineens op de bus te wachten en dacht ik aan een land waar de mensen sterven in hun bed, omringd door familieleden, waar niet overal coca-colareclames of foto’s van magere, naakte vrouwen hangen. Ik droom dat ik een blauwe maan in mijn hand houd, dat de weg groen is en dat ik koud water drink in juli op een dakterras dat vanaf de Kassioenberg uitkijkt over Damascus. Ik droom dat mijn hart bij me is, dat mijn vrienden nog in leven zijn en dat we elkaar ’s avonds zullen ontmoeten in restaurant Normandië. Daarna zullen we, als we blut zijn, door de straten van de oude stad slenteren. Ik droom dat ik ontembaar ben en dat het gedicht samen met mij in opstand komt tegen de geschiedenis. Ik droom van vrouwen, mijn God, wat houd ik van vrouwen. Ik heb meer van vrouwen geleerd dan van scholen, ik heb meer van de oorlog geleerd dan van de vrede. Ik kan jullie verzekeren dat vele soldaten veranderen in oorlogsmisdadigers, dat vele dichters veranderen in vredesmisdadigers, dat goed nieuws in de oorlog betekent dat er geen slecht nieuws is, dat de verliezers in de oorlog de slachtoffers zijn, aan beide kanten. Dat de oorlog in zijn jeugd wordt gezoogd met het bloed van de soldaten en dat hij, wanneer hij ouder wordt, hun schoenen roostert op een zacht vuur. Dat hij sterft als zij blijven leven.

Noot 6:

Ik denk aan Palestina, het land dat God heeft uitgevonden en dat in Zijn naam het bloed van miljoenen zielen heeft vergoten. Het land van melk en honing, waar geen melk en honing te vinden is. Het heilige land, omwille waarvan we ons in heilige oorlogen hebben gestort, waarin we heilige nederlagen hebben geleden, vanwaar we een heilige uittocht hebben ondernomen, omwille waarvan we in heilige vluchtelingenkampen hebben gewoond en een heilige dood zijn gestorven. Als ik denk aan Palestina, word ik achtervolgd door de stem van de sjeik die steeds wanneer ik hem iets vroeg, een regel uit de Koran reciteerde: ‘Jullie die geloven! Vraagt niet naar dingen die jullie zullen kwellen als ze jullie bekend worden’[1] Ik vraag me nog steeds af wat verder is verwijderd van de aarde: Jupiter of de tweestatenoplossing? Wie is meer verwant aan mijn ziel: een soldaat uit mijn land of een dichter onder mijn vijanden? Wat is het ergste dat Alfred Nobel heeft gecreëerd? Het dynamiet of de Nobelprijs? 

  

Stockholm
Goed, ik woon nu in Stockholm, ik geniet van de luxe in een land dat al tweehonderd jaar geen oorlog meer heeft gevoerd. Waar alles zich in stilte voltrekt: blijdschap, verdriet, waanzin, zelfs het geweld vindt plaats in stilte. Toch lijd ik niet aan het stockholmsyndroom, maar aan het syndroom van Damascus. Maar dat is een ander verhaal, dat een ander gedicht vereist om het te vertellen, omdat het er eigenlijk nooit geweest is. Waar het om gaat, is dat ik niet meer geïnteresseerd ben in onbeduidende details. Tot de dag van vandaag heb ik het nummer van de bus die naar jouw huis rijdt niet kunnen onthouden. En toch weet ik je altijd te vinden en kruip ik naast je in bed. Ik herinner me niet meer hoe jouw lichaam mijn begrip van plaats en richting heeft veranderd. Eigenlijk weet ik niet waar dit huis zich precies bevindt. Ergens op de kaart. Ik gebruik geen gps in de liefde. Het stoort me dat hij de weg naar jouw huis beter kent dan ik. Ik houd van je met een dodelijke kalmte, ik daal op je neer vanuit een enorme hoogte, maar wel langzaam, heel langzaam, als in slow motion. Ik val voor je. Zo. Zoals soldaten vallen door een kogel, zoals koersen vallen op de beurs, zoals de muren van de apartheid vallen, zoals belegerde steden vallen. 
            Ik herinner me het begin, toen ik je opat in het theater, toen ik in je verdwaalde en de voorbijgangers medelijden met me kregen, toen er een appelboom uit je tas viel en onze affaire aan het licht kwam, toen alles om seks draaide en ik vijandig werd als een wandklok in een wachtkamer. 
            Ik heb de doorgebrande lamp in de hal van je woning niet vervangen, zoals ik je een jaar geleden heb beloofd, maar wel heb ik mijn oordeel over de westerse beschaving vervangen. Ik hoop dat in de toekomst een andere vrouw op een ander moment mij zal vervangen. Ik kruip naast je en je doet alsof je slaapt, maar je opgerichte tepels ruiken naar seks, dus weet ik dat je liegt, dat je liegt en dat je wil dat ik je verslind, want dat zou beantwoorden aan de oriëntalistische visie en de stereotiepe beelden over het Oosten die de lange jaren van kolonialisme hebben achtergelaten, in het bijzonder over jonge Arabische mannen. Maar met alle bedoeïenensluwheid die ik in me heb, stel ik je teleur. Ik laat mijn arme lammetjes grazen voor jouw hongerige wolf en ik wacht en wacht en wacht … De wolf van jouw lust voldoet aan mijn verwachtingen. Hij verscheurt het vlees van mijn lammetjes op jouw witte bed, dat lijkt op een Zweedse sneeuwwoestijn. De geur van je borsten reageert met het gele licht van je kamer en ontwikkelt slaperigheidsdioxide. Ik zweet, tot de Arabische gedichten versmelten met de Zweedse. Ik ben niet meer geïnteresseerd in onbeduidende details, ik heb geen oog meer voor steden waar jij niet woont. Ik heb geen oog meer voor een land waarin jij niet leeft.

Noot 7:

De weg naar Damascus is vol herinneringen en sinds het kamp me voedde met de poedermelk van de Verenigde Naties en me belastte met het vluchtelingschap ben ik moe. De weg naar Damascus die ik in 2008 heb verlaten, bekoort me niet meer, want nu ik de smaak van de vrijheid heb geproefd, lukt het me niet meer me te verstoppen achter metaforen om aan de geheime agenten te ontsnappen. De weg naar Ieper is geplaveid met lijken en ik ben moe sinds mijn neven me hebben gedood en me als voer voor de vogels hebben achtergelaten. 
De weg naar Stockholm is afgesloten door zware sneeuwval. De weg naar de oorlog is rustig. Er is een kleine pleisterplaats, waar zij, die op weg zijn naar de slachting, neerstrijken om even uit te rusten en water in te slaan. Ze drinken thee en bespreken de oorzaken van de voorgeprogrammeerde dood. De volgende ochtend zetten ze hun weg voort om in debat te gaan met de kogels, terwijl ik blijf hangen tussen uitersten. Ik ben de getuige die te laat was, de martelaar die nooit is aangekomen. De doder en de gedode, de misdadiger en het slachtoffer. Ik, de rode Indiaan. Ik, de blauwe Indiaan. Ik, de groene Indiaan. Ik, de zwarte Palestijn en deze oorlog waaraan een gedicht ontbreekt om te voorkomen dat de metafoor dood wordt geboren, om te voorkomen dat de dood zwaar wordt als een bronzen kachel die drukt op het verhaal. De dood kan mij geen vaderland geven en al zou hij het kunnen, dan wil ik het niet. Ieper was een nachtmerrie die honderd jaar geleden is geëindigd, Damascus is een nachtmerrie die zich nu voltrekt en ik hang in Stockholm. De gedichten die ik in Damascus heb geschreven zijn geëxecuteerd door de soldaten, de gedichten die ik in Ieper heb geschreven, zijn niet met mij in het vliegtuig gestapt en de gedichten die zich met mij in Stockholm bevinden, lijden onder een ernstig gebrek aan vitamine D.  

 

 Ieper

 De oorlog achter de deur.

 

Damascus

Om drie uur ’s nachts vallen raketten geladen met zenuwgas op een aantal plekken in de dichtbevolkte buitenwijken van Damascus. De pupillen van de ogen vernauwen zich, het zicht verwijdt zich, de lichamen van de kinderen schokken met regelmatige, heftige bewegingen. Dit is een aardbeving van een andere soort, waarin de huizen overeind blijven en het de lichamen zijn die trillen. Het is een morele schok die deze wereld treft.

Stockholm
De stad is rustig. 


Noot

1 Soera van de tafel: 6:101. Vertaling van Fred Leemhuis. Het Wereldvenster, 2dedruk, 1990.