Vertrekkende treinen

Stad: Hasselt - Genk
Verschenen in: Finissages
Of beluister dit citybook hier:


Uit het Sloveens vertaald door Tanja Mlaker


Wanneer stoppen we met reizen? Wanneer ons geld op is? Wanneer we het ontbijten in hotels zat zijn? Wanneer de tijd gebruikt voor het plannen en voorbereiden van reizen begint te slaan, als een nutteloze dag, verspild? Er zijn veel theorieën. Zelf denk ik dat we stoppen met reizen op het moment dat ons gevoel voor de charme van de eerste ontmoeting met een plaats verdampt. Want de eerste uren – hoogstens de eerste dag – die we ergens verblijven, bewaren we cadeaus en prana en adrenaline en chocola en dromen en magie, hersenen vol met serotonine en almachtige beloften van het ontdekken. Alles wat ons op een bepaalde plek later zal overkomen, alles wat we daar zullen beleven en begrijpen, alles is slechts een correctie of aanvulling op die eerste minuten of uren, hoogstens misschien een dag, nadat we ergens zijn aangekomen. Klinkt dit fataal? Klinkt dit pathetisch? Wat kan het me schelen!

In iedere reis ligt een dubbele beweging van gedachten verscholen, gedachten die elkaar tegelijkertijd uitsluiten en aanvullen. De eerste gedachte: ik reis om weg te gaan, ergens anders naartoe, naar andersoortige oorden dan het mijne, om andersoortige mensen en gewoonten te leren kennen. En de andere gedachte die we bij het nadenken over de reis tegelijkertijd met de eerste gedachte denken: ik reis om lichte variaties van het bekende, vertrouwde en thuis geziene te ontmoeten, om microscopisch kleine verschillen te observeren, natuurlijk vooral die aangename, gebonden aan mijn comfort, zeker niet al te grote verschillen die ongemak zouden veroorzaken. Enerzijds heroïsche verhalen van grote expedities naar het onbekende, een bevroren snor op de Noordpool of vergiftigde pijlen van wilde stammen. Anderzijds de trots van fastfoodketens en het geheim van het globale succes, gebaseerd op het feit dat hun hamburgers overal ter wereld dezelfde smaak hebben. We weten wat voor voedsel we zullen krijgen en daarom is een vreemde stad voor ons onmiddellijk alleen nog maar schijnbaar onbekend.

Was het landschap dat achter het raam van de trein aan mij voorbijging bekend? Hield het een of andere list verborgen, een of andere onverwachte zet? Een paar eenzame huizen, vooral een glashelder georganiseerde bebouwde kom, daartussenin akkers, groene vlakten, berken en volle velden – ik heb niet kunnen vaststellen waarvan. In mijn wagon was er niemand. De trein stopte. Zijn we er? Is dit Hasselt? Of is dit slechts de afwezigheid van Hasselt, de naam die in mijn oor dat de Nederlandse taal onkundig is, smaakte naar hazelnoot en een bangelijke haas. Nog een station dat pure afwezigheid was. Het deed me denken aan de affiches die ik op het vliegveld zag en waarop stond: ‘You are almost in Bruges. You are almost in Antwerp. You are almost in Ghent.’ Bijna, almost. Maar het doel bleef verborgen. Alles was afwezig, Hasselt, andere reizigers, afwezig was de regen die nog gisteren werd voorspeld, afwezigheid van ieder bord van dit oord op het station – is dit Hasselt of een andere plaats, misschien een stad zonder naam?

De afwezigheid was allesoverheersend en aanstekelijk, zodat ik mezelf een paar ogenblikken later, toen de deuren waren gesloten en de trein verder ging rijden, erop heb betrapt hoe afwezig ik zelf was, hoe afwezig mijn gedachten waren – nee, er waren geen gedachten, alleen de afwezigheid was er op die plek waar van tijd tot tijd gedachten opflikkeren, de afwezigheid, vervuld met beelden van het bewegende landschap achter het raam: huizen, passerende contouren van de stad in de verte, volgende stations. Ik pakte mijn koffer en stapte uit de trein. Daarmee was er nog geen eind gekomen aan de afwezigheid. Er was geen bord dat me kon vertellen waar ik samen met een handvol reizigers uit andere wagons ben uitgestapt. Evenmin waren er fanfare, plechtige receptie, bloemenkransen of toespraken. Alleen een affiche waarop stond geschreven: ‘Grenzeloos’, met achter het opschrift een tekening van een postduif.

Poëtisch, dacht ik een beetje pathetisch en vanwege dit ene woord voelde ik me minder afwezig en meer – hoe moet ik dat zeggen opdat het niet klinkt zoals het hoogstwaarschijnlijk zal klinken – vertrouwd. Daaraan hebben ook twee mensen bijgedragen die uitgestapt zijn en naar mij toe zijn gestapt om me te vragen of dit station Hasselt was. Jazeker, heb ik bevestigd. Natuurlijk had ik zelf geen idee, maar het deed me goed om geïdentificeerd te worden als een expert. Ik kon het simpelweg niet over mijn hart krijgen om hun illusie te vernietigen. De onwetende slachtoffers liet ik eerst richting de uitgang gaan en daarna ging ik ook zelf in die richting, met de muzikale begeleiding van de ratelende wieltjes van mijn koffer.

Wat in mij heeft veroorzaakt dat ik me in de stad die daadwerkelijk Hasselt bleek te zijn onmiddellijk vertrouwd heb gevoeld? Misschien waren dat de mensen die al vroeg in de ochtend in het stationscafé aan het bier zaten. Op hun gezichten kon ik merken dat het niet hun eerste bier was en vrijwel zeker ook niet het laatste voor vandaag. De straat die vanaf het station richting het stadscentrum leidt, heeft in mij onmiddellijk de melancholie gewekt, om niet te zeggen een primaire poëtische stemming. Er waren echter ook meer tastbare bewijzen voor het feit dat mijn zevende zintuig me niet bedroog en dat ik mij – of ik het nou wilde of niet – bevond in de stad van lieflijkheid en muzikaliteit, in de stad die – zo hoopte ik tenminste – schone kunsten waardeert en genegenheid voelt voor de kunstmeesters en hun leerlingen. Mijn oog zocht naar de allerkleinste details van schoonheid die door de schrijversmachine voor het doel van deze tekst konden worden omgezet in de metafoor voor de stad waar ik ben aangekomen, mijn oog ving onmiddellijk een van de woorden die de menukaart voor het restaurant op het station sierden. Naast andere gerechten stond er ‘verse soep’ of – vrij vertaald – een soep van verzen. Mijn hart begon bij deze aanblik te juichen, maar dat was nog niets vergeleken met het enthousiasme dat mijn lichaam en mijn ziel overmeesterde toen ik slechts een paar honderd meter van het station zowaar een werkelijk waarlijk literatuurmuseum ontdekte. Ik moest mezelf drie keer knijpen, de derde keer zo stevig dat de passanten al een beetje bezorgd naar me keken. Maar het literatuurmuseum is niet in rook opgegaan, het stond nog steeds recht voor mij, zijn ruiten beschenen door de ochtendzon.

Gelukkig was het museum dicht. Het was een paar dagen per week dicht. Een paar dagen per week, het grootste gedeelte van de tijd. Zoals gezegd, gelukkig. Mocht het museum open zijn, dan zou ik het niet kunnen vermijden te gissen of misschien in deze stad met de naam die tegelijkertijd als hazelnoot en als haas klinkt, al die mensen die al ‘s ochtends met een bier in de hand zitten te niksen in het stationscafé daar zitten wegens vermoeidheid, ja, wegens een diepe psychofysieke uitputting. Daarop zou dan het onvermijdelijke gissen volgen over de oorzaak van hun vermoeidheid en de noodzakelijke conclusie afgeleid uit de nabije omgeving, namelijk dat al die mensen in het stationscafé niet zitten te niksen, maar genieten van de verdiende rust nadat ze zich al vroeg in de ochtend met een lege maag en een open hart hebben gewijd aan de literatuur in het nabijgelegen literatuurmuseum. Hun terneergeslagen gezichten, hun stomme in de afwezigheid voor zich turende ogen verrieden een diepe literaire genegenheid, om niet te zeggen een echte genegenheid van al die mensen in het stationscafé, van die mensen die met grote moeite moesten kiezen tussen een soep van verzen en een Belgisch bier. Dit alles zou mogelijk zijn, zelfs waarschijnlijk mits – mits het museum open zou zijn. Zo bleef het echter slechts bij mijn tweede veronderstelling: dat al die mensen in het stationscafé zaten te niksen in afwachting dat het museum open zou gaan of tenminste loerend op een teken wanneer men weer de voet over de drempel van de literatuurtempel zou mogen zetten, een dergelijke tempel hebben zelfs aanzienlijk grotere steden dan Hasselt niet. Het was duidelijk dat ik was aangekomen in een stad met een verfijnde smaak en een grote toewijding aan de belles-lettres en dat niets, echt niets mijn sympathie kon verstoren, deze werd tijdens het naderen van het oude stadscentrum met de muzikale begeleiding van de ratelende wieltjes van mijn koffer alleen nog groter.

De literatuur was in deze stad met de naam van hazelnoot en haas overal te vinden. Tot mens geworden in de vorm van een bronzen middeleeuwse dichter Van Veldeke, zittend op een koude steen en een beetje triest starend naar de ingang van een hotel. Literatuur was in zijn verzen die me aankeken uit een van de etalages, en in de woorden, gegraveerd in de metalen platen op de grond. Zoals men een hongerig vogeltje in de val lokt, zo maakte de stad zich onmiddellijk meester van mij met haar elegante, al bijna bedrieglijke drukte. Ik werd bij de lurven gepakt door het oude stadscentrum, boetieks, boetieks, mensen die door de winkelstraten stromen. Al die mensen zijn hier zeker vanwege de poëzie van deze stad, bedacht ik, daarnaast stappen ze toevallig ook naar binnen bij een van de winkels, in het voorbijgaan gaan ze zitten in een van de cafés zodat ze – moe van de intensieve confrontatie met de POËZIE – even op kracht komen en uitrusten, zoals hun lotgenoten bij het station. De poëzie was in de straatstenen. De poëzie was in bronzen beelden, verdeeld over de hele stad. De poëzie was zelfs in namen van bars, bijvoorbeeld in Poeskaffee (hoewel ik het ontbreken van de klank ‘ie’ een beetje verdacht vond), in de poppen die in etalages reclame maakten voor de nieuwe collectie vrouwenondergoed (‘New Push Up Air’, décolleté nr. 11 – is het niet zo dat alle poëzie van de wereld een enkele wonderbra is, een push up air?), ja, de poëzie was net zoals een winkel in deze stad, ze was net als de muziek in deze stad, waarheen je ook keek, ze wachtte je op, om bezit van je te nemen en je te overheersen.

Tegelijkertijd gebeurde alles met ongelooflijk goede manieren, eigenlijk stilletjes. De mensen op straat waren ontroerd, hoogstwaarschijnlijk heeft al vroeg in de ochtend een of ander vers van Van Veldeke, van Hugo Claus of van Paul van Ostaijen hun de adem benomen, en ook de woorden, zodat ze die nu stil wankelend van winkel tot winkel, van restaurant tot restaurant, verdwaald aan het zoeken waren. Ratelende muzikale begeleiding van mijn koffer verstoorde eigenlijk de harmonie van deze algehele idylle en het harmonieuze gefluister van de kopers. Het ratelen werd nog storender wanneer het uur middag sloeg en de hele stad vervuld werd met het concert van het carillon in de toren van de stadskerk, het klingelen van de klokjes in het ritme van het lied ‘All I want to say is I love you’ en andere vergelijkbare songs. Ik kon simpelweg niets anders dan me overgeven aan de mensenstroom, versmelten met de poëzie van het winkelen en met het klokkenspel in een echt gesamtkunstwerk van vrij verkeer van ideeën en goederen.

Ja, op zulke momenten was ook de poëzie gewilde handelswaar. Dat werd bevestigd in mijn prachtige hotel De Groene Hendrickx. Hoe sympathiek, dacht ik, een hotel dat vernoemd is naar een bekende roman van Gottfried Keller, een roman van de Zwitserse schrijver in België die ook een geschiedenis heeft met Duitsers, vol met wonden waarvan nog niet alle volledig geheeld zijn. Mijn landing op de grond van de waarheid kwam hard aan. Het gaat niet om Kellers roman, maar om het lokale merk gin, werd me vriendelijk uitgelegd. Dus kon ik ernaar fluiten en moest ik elders poëtische troost zoeken. ‘Wilt u de plattegrond van de stad?’ vroeg de vriendelijke receptioniste. ‘Natuurlijk’, zei ik. Sinds mensenheugenis houd ik van stadsplattegronden. Ze legde de plattegrond voor me, een kleine cirkel binnen een grote cirkel. ‘Wij zijn hier, in de kleine cirkel, hier zijn alle restaurants en alle winkels’, vertelde de vriendelijke receptioniste. ‘En wat is hier, in de grote cirkel rond de kleine?’ vroeg ik nieuwsgierig. ‘Niets’, antwoordde de vriendelijke receptioniste vriendelijk. ‘In de grote cirkel is er niets, alles is in de kleine’, voegde ze nog toe. Ik dacht na. Dat kan niet waar zijn, dacht ik. Dat alles in de kleine cirkel is. Iets moet ook daarbuiten zijn, in de grote cirkel, dacht ik. Ik voelde me alsof ik op het spoor was gekomen van een schat, van iets wat onontdekt is, of verboden. Dit was mijn missie in Hasselt, uitstappen uit de cirkel van pure poëzie en puur klokkenspel en puur ‘All I want to say is I love you’ en pure installatie van winkels en restaurants. Uitstappen uit het pure centrum zoals het zich heeft ontwikkeld sinds de middeleeuwen gedurende de eeuwen tot op de dag van vandaag wanneer het veranderd is in een getooid megagroot winkelcentrum, gekruid met de schillen van de geschiedenis. Het ‘niets’ van deze stad ontdekken, dat en niets anders was nu mijn taak. Geen niets kan alleen maar niets zijn. Ieder niets is iets, dacht ik en ik bedankte zo vriendelijk mogelijk de vriendelijke receptioniste. Het nieuwe ontdekken en doordringen in het verzadigde, onwaarschijnlijk glanzende en opgeruimde, aan de ruil van handelswaar en centen onderworpen stadscentrum. Vluchten van dit ‘hele’ centrum naar het ‘niets’ van de voorstad. Ah, ademde ik met halfopen ogen zelfvoldaan de zoete lucht van Hasselt in, wat voor uitdagingen, avonturen en doelen wachten me nog de komende dagen!

Ieder oord creëert zijn eigen verhaal. Ik werd uitgenodigd naar Hasselt om dit verhaal te vertellen met mijn eigen bescheiden en zonder meer onbevredigende woorden. Sommige verhalen van Hasselt zijn zo bekend dat ik ze niet hoef te herhalen, bijvoorbeeld het verhaal over de wonderen van Maria, het verhaal van het produceren van gin waarvan de stad ooit leefde, of een moderner verhaal over de bijzondere band met Japan met een prachtige Japanse tuin als resultaat, deze is te vinden achter het zwembad van Hasselt, of het verhaal van hedendaagse kunst en de galerie Z33. Al deze verhalen groeien in nauwe verbinding met het stadscentrum. Maar ik wilde ook een van de verhalen van de periferie ontdekken, ik wilde iets uit het niets maken.

De komende dagen kronkelden mijn wegen langs de straten in de buitenwijken kriskras rond het centrum van Hasselt. Het begon – wederom – tamelijk poëtisch. Het in verval geraakte industriecomplex van de voormalige gelatinefabriek, een klein opschrift dat de presentatie van een gedichtenbundel aankondigde, op de binnenplaats een paar mensen die meubels aan het inladen waren in een vrachtwagen, nee, de galerie is dicht. Ik was op het spoor van de geur van de poëzie die steeds verdween in de monotonie van buitenwijken, woonhuizen en woonbuurten, een mix van mooie oudere bakstenen familiehuizen en moderne woonwijken. Daartussenin bomen, alles netjes, alles stil en rustig, alleen het gelukzalige geluid van de nabijgelegen snelweg, gemaaide plantsoenen, alles bijna net zo alsof in deze huizen geen bewoners waren, niemand die voor huizen speelde, niemand die gezellig kletste met de buren, ruzie maakte of wat dan ook. Zo zag dat ‘niets’ waarover de vriendelijke receptioniste vertelde er dus uit: geknipt gras, helder gedefinieerde grenzen tussen percelen, verfijnde eenvoud van familiehuizen zonder zichtbare aanwezigheid van mensen.

Zaterdagnamiddag heb ik, slenterend door het ‘niets’ van de cirkel die het ‘alles’ van het stadscentrum van Hasselt omringt, plotseling een doornsteek gevoeld in mijn vlezige Sloveense hart, de doorn doorstak mijn hart ongeveer zoals een karbonade wordt doorstoken met de vork van een kok die het vlees optilt en op de grill legt. Ik voelde de steek en plotseling miste ik alle Congolezen die in Brussel op straat rondhingen, alle Mexicanen die in Miami op straat rondhingen, alle Indiërs die in Londen op straat rondhingen, alle Serviërs en Albanezen die in Parijs op straat rondhingen, alle Tunesiërs, Angolezen en Pakistani’s die ook in Parijs op straat rondhingen, alle Turken die in Berlijn op straat rondhingen. Ik kom zelf uit een stad waar niemand op straat rondhangt, daarom zijn de straten op zaterdag en zondag verlaten. Ik wilde zo graag in een stad komen waar mensen in de buitenwijken rondhangen en de straten vullen met hun aanwezigheid! Ik zou hun zo graag een hand geven en met hen dansen, een rondedans, salsa, marimba, tango, maar ik moest alleen de keurige, bedachtzame, in zichzelf gekeerde architectuur bewonderen, en de netheid van plantsoenen en grijze en bruine tinten van bakstenen huizen hier in buitenwijken met elkaar vergelijken.

Mijn vrienden uit Brussel hadden hetzelfde probleem met Hasselt als ik. Ze hebben al te graag geklaagd vanwege de veel te grote properheid van de straten in Hasselt. Kun je je voorstellen, zei een van mijn vrienden en hij vertrok het gezicht van afschuw, dat ze in Hasselt de straten twee keer per dag schoonmaken! Niet een keer per week, maar twee keer per dag! Het is erger dan in een apotheek! Wanneer ik in het stadscentrum van Hasselt kom, krijg ik een anafylactische shock vanwege deze overdreven netheid. Regelmatig vallen mensen op straat flauw en moet men hen met afval tot bewustzijn brengen, een bananenschil onder hun neus houden, etensresten of zelfs hondenpoep, zodat ze bijkomen. Ik knikte stil en dronk mijn Belgische bier met kleine slokjes, ik was het met hem eens hoewel ik in tegenstelling tot mijn Belgische vriend geen bezwaar had tegen dit Zwitserse eiland, integendeel.

Mijn Belgische vrienden gingen na hun klaagzang vanwege de netheid verder winkelen, ik koos ervoor mezelf te trakteren op wafels, gevuld met abrikozen, en daarna voor een nieuwe ronde van expeditie in de onbekende leegte van de buitenwijken van Hasselt. Zoals in een zenoefening begon ik in de eentonigheid van de omgeving steeds meer aandacht te schenken aan kleine verschillen, bijvoorbeeld aan voorwerpen die mensen aan hun doorgaans dichte ramen zetten, vazen, bloemen of modellen van zeilboten, deze stomme boodschappen aan passanten, een rebus voor degene die deze huizen nooit van binnen zal zien. Ik liep en at mijn wafel en terwijl ik liep, smolten langzaam in mijn mond de herinneringen. Ik was nog een kind, misschien tien jaar oud, mijn grootmoeder legde op het bord voor me knoedels met abrikozen en bestrooide ze met gekaramelliseerde suiker, ah, zo slenterde ik door buitenwijken, met steeds hollere verwachtingen, met een wrang gewicht van poëzie, met mijn overleden grootmoeder en mijn levende herinneringen, ik at wafels alsof ik mijn eigen leven aan het eten was. Ik keek naar de lege straten en mijn kleverige handpalmen waar niets meer overbleef, geen kruimel.

Mijn lievelingsstraat in Hasselt heet Raamstraat. Dit is een straat midden in het centrum, maar zonder winkels (behalve helemaal aan het begin en aan het einde). Pure achterzijde van het winkelen, stilte en vogelgezang. Geen kortingen of uitverkoopacties, geen menu’s, geen vertoon van rijkdom. Sowieso denk ik dat het het mooiste is als je in Hasselt volledig vrij bent, zonder bedoelingen, behoeften of wensen om wat dan ook te kopen. Nog beter is het als je in Hasselt geen trek of dorst hebt. Hasselt is een paradijs voor leerlingen van zenboeddhisme, voor iedereen die zijn geest wil aanscherpen met de ontberingen van aardse waren, voor mensen die een ontwenningskuur doen van het consumeren.

Indien de consumentengeest zwak is, zoals de mijne, volstaat al een wandeling in mijn tweede lievelingsstraat van Hasselt, Bampslaan, de straat van mijn initiatie in deze stad, de straat die van het centrum naar het station leidt. Daar heb ik tijdens een van mijn wandelingen een kapsalon gezien. Ik zag er inmiddels namelijk al uit als een Sloveense grizzlybeer en het was de hoogste tijd dat ik me enigszins aanpaste aan de lokale esthetische standaarden. Onderweg naar de kapper stapte ik eerst een beeldschone winkel binnen, in feite een kleine villa, vol met tweedehands kleren. De dame bij de kassa keek me streng aan en zei ‘handsome’. Onmiddellijk betwijfelde ik de geloofwaardigheid van haar uitspraak. Zoals gezegd was ik net onderweg naar de kapper, maar zij liet zich niet zomaar uit het veld slaan en wees naar mijn ring, trok haar schouders omhoog en zei ‘but married’. Wij glimlachten beiden. Ze zou makkelijk mijn moeder kunnen zijn. Maar zelfs het zo speelse compliment midden in de vreemde stad verblindde me met een enorme dosis enthousiasme zodat ik huppelend als een balletdanser naar de overkant ging waar ik een warm onthaal kreeg, sterker nog, ze trokken me zowaar de salon in.

In de kapsalon waren drie heren aan het werk. Alle drie keken ze tijdens het knippen, gladmaken en scheren onophoudelijk naar twee schermen. Op het televisiescherm speelde Galatasaray, op het tweede scherm, het telefoonscherm dat boven de spiegels was geplaatst, was hun kappersvriend te zien die net ergens in Antalya een arme vent aan het knippen was. Grappen en grollen, gelach, geschreeuw en grimassen, van tijd tot tijd trekken aan het haar van hun klanten, dit alles gebeurde zonder overdreven terughoudendheid. Mijn kapper had klaarblijkelijk de routine van soeverein beetpakken. Ik kan alleen maar zeggen dat niemand ooit eerder mijn haar had geknipt met een dergelijke vanzelfsprekende ruwheid. Nou ja, eigenlijk heeft hij me niet geknipt aangezien hij de schaar niet eens heeft aangeraakt, hij heeft mijn hoofdtooi simpelweg geschoren met een scheermes waarbij hij mijn hoofd met de hele dichterlijke santenkraam daarin met schokken heen en weer draaide zodat mijn nek kraakte als bij een chiropractor. Ik moet bekennen dat ik een moment angst voelde voor mijn onbelangrijk leven en dat ik de situatie probeerde te verzachten met een gesprek. Maar alles wat ik zei, werd verkeerd begrepen en zo werd ik uiteindelijk erkend als een Arabische christen geboren in Qatar. En natuurlijk heb ik – nadat ik deze marteling had overleefd – naast mijn boete met plezier nog een fooi gegeven, van pure opluchting omdat het voorbij was. Een paar meter verderop ging ik in dezelfde straat langs de kapsalon waar ik oorspronkelijk heen wilde. Ik boog mijn lichaam door de deur. In deze kapsalon zag alles er zoveel harmonieuzer en rustiger uit, om niet te zeggen ronduit pacifistisch, maar deze kapsalon werd dus voor mijn neus versluierd door de arrogantie en het lot.

Het was de laatste aprildag. De stad bereidde zich voor op een avondfeest. Hoewel Hasselt niet de juiste stad is voor de viering van 1 mei, zeiden mijn vrienden, de juiste stad is Genk. Genk? Genk en Hasselt, Hasselt en Genk. Hegels these en antithese, weet je dat dan niet? Ik schudde van nee. Ik bekeek dansgroepen van moderne dans. Al deze uitingen van extreme toestanden, de individualiteit van jongens en meisjes die hun ledematen heen en weer gooiden, kronkelend en turnend op het podium, al deze slechts mechanische overeenstemming van dansers paste naar mijn mening helemaal niet bij de boodschap van 1 mei, het feest van gemeenschap en verbondenheid. Nog minder paste bij 1 mei het overdadige scenario, met rode lopers deed het geheel eerder denken aan een modeshow dan aan het vieren van de emancipatie van de arbeidersklasse. De volgende ochtend nam ik weer de trein en ging opnieuw op weg naar mijn ‘eerste keer’, deze keer naar de eerste keer in Genk. De trein vertrok, maar stond al snel weer stil. Ik keek door het raam. Ik zag de conducteur uitstappen. We stonden midden in het niets. Bomen, rondom het bos, geen huizen of wegen of andere gebouwen. Is dit Genk? Nee, dit was nog niet Genk, Genk was het eindstation. Ach zo, het eindstation! Het station aan het einde waarvan? Toen ik uitstapte, zag ik op het moderne bibliotheekgebouw aan de overkant van de hoofdweg een opschrift: ‘Tú, que me lees, ¿estás seguro de entender mi lenguaje?’ Ook hier dus de poëzie, maar welke? In Hasselt was de poëzie in het centrum, in Genk daarentegen was de poëzie in de voorstad. Genk bestond in feite helemaal niet. Dat wat men als centrum ziet, is gegroeid in de laatste eeuw rondom drie ongelooflijk lelijke en onmogelijke winkelcentra. Indien Genk alleen maar het centrum zou zijn, dan zou men onmiddellijk moeten wegvluchten. Dat kon niet worden verhuld, niet door de kramen, evenmin door de enorme massa mensen die stroomden door de straten, hun arbeidersfeestdag vierend. Ik bleef staan op het plein voor een vierkant stadhuis waar men een accordeon bespeelde en waar volksdansers met rode wangen een rondedans met sprongetjes dansten. In Hasselt miste ik bij de moderne dans het gemeenschapsgevoel en de verbondenheid van de dansers. In Genk miste ik bij de traditionele dansers die zelfvoldaan hun rondedans deden individuele uitdrukkingsvorm. Het was overduidelijk dat ik nooit tevreden was. De meiboom in Hasselt was veel hoger dan die in Genk, deze was een dunne berk, droevig gesteund met een paar bakstenen. Het gedramatiseerde feest van 1 mei in Hasselt, verpest door niet werkende microfoons, werd in Genk vervangen door saaie aankondigingen van de lokale organisator die de namen van de optredende volksdansgroepen van een verfrommeld blad papier oplas.

Ik volgde de menigte die door het centrum in de richting van een enorm lunapark liep. Al uit de parfumwolkjes die in de lucht hingen, werd het duidelijk dat ik omgeven was door een ander soort noodlottige levensverhalen, verhalen van mensen die in arbeidersgezinnen opgroeiden, van immigranten uit Italië, Spanje, Marokko, Turkije, Polen en Oekraïne. Het waren immigranten die op de menigte neerkeken uit de socialistische flatgebouwen, die eruitzagen als een opbouw van winkelcentra. Ze keken naar ons zoals kleine kinderen naar een aquarium vol vissen kijken. Ik bevond me in de pure tegenstelling van hetzelfde: Dr. Jekyll and Mr. Hyde, Belle en het Beest, Laurel en Hardy, winkel en productie, centrum en periferie, autochtonen en immigranten. Hasselt: schoonheid omgeven door leegte. Genk: lelijkheid omgeven door pracht en praal. Zodra ik me namelijk van het centrum had afgescheiden, veranderde mijn mening over deze stad radicaal. De stad ontstond in het midden tussen drie kolenmijnen. Die waren nu gesloten. Datgene wat overbleef van de mijnen, miljoenen tonnen van het uitgegraven materiaal, heeft in het landschap rondingen gemaakt, groene borsten en billen, mollige wangen en buiken, het landschap was daardoor dramatischer en aantrekkelijker voor het oog. Samen met bossen en boomrijke lanen, met welgestelde villa’s en doordacht gerenoveerde reusachtige, maar ook bijzonder elegante gebouwen die ooit dienst deden voor tienduizenden mijnwerkers, was de periferie van Genk uitzonderlijk charmant en het tegenovergestelde van het centrum. Nergens in de wereld zag ik eerder een zo mooi park naast een zo lelijk stadscentrum als in Genk. De verschillen waren zeer groot.

Op 1 mei werd ik door de mensenmenigte meegetrokken in de andere richting, weg van het park, naar het lunapark aan de andere kant van de stad. Zoveel speelse kinderogen, die frietjes etend naar speelgoed, draaimolens, kraampjes en toestellen keken! Arbeidersgezinnen, op hun gezichten was te zien dat het vandaag hun dag was, vaders die gesmeekt werden om de volgende fiche, moeders die op hoge hakken een beetje onhandig bewogen. Maar was ik ook niet zelf een van deze kinderen, in een dergelijke maatschappelijke en emotionele constellatie, dertig jaar geleden? Er waren alleen minder mogelijkheden voor plezier, of liever gezegd, we moesten die zelf uitvinden. In tegenstelling met die tijden waren er in Genk veel meer mogelijkheden, in deze stad die voor mij onmiskenbaar de stempel van de voetbalclub had en wiens naam klonk als een oproep tot het lopen, hurken, kraken van de deur in de gang en weer lopen. De dag ging over in de avond. Mijn benen werden moe en mijn gedachten steeds meer afwezig. Ik werd wakker geschud door een van de kramen. In feite was het een klein zwembad. Kinderen trokken hun schoenen uit, daarna werden ze opgesloten in een doorzichtige ballon die door een man in visserslaarzen met behulp van een compressor met lucht werd gevuld. Dit spel werd gepromoot zoals Christus: ‘Walk on water’. De man gaf de opgeblazen ballon met het daarin opgesloten kind een duw zodat deze wegdreef naar het midden van het zwembad. Kinderen trachtten in de ballon rechtop te staan en te lopen zoals hamsters in een rad. Het lukte niemand. Wat ze ook deden, het evenwicht was nergens te vinden, ze bleven vallen, opstaan, opnieuw op de benen staan, met steeds rodere wangen, steeds minder lucht en steeds groter ongemak, totdat de man met de visserslaarzen hen weer aan het uiteinde van het zwembad trok, de rits van de ballon opende en hen naar de vrijheid liet. Ook dit beeld werd in mijn hoofd onmiddellijk vertaald in een metafoor van datgene wat we vandaag zijn. Of onze stad is een centrum waar een levende periferie ontbreekt, of deze is een netwerk van levende punten waar een centrum ontbreekt.

Eeuwig instabiel, voortdurend het evenwicht zoekend gaan we van dag tot dag, maar in werkelijkheid bewegen we op een plek, we vallen, gaan weer op de benen staan, zodat we weer vallen. Genk moest weer opstaan nadat de mijnen onrendabel waren geworden, nu dat de auto-industrie de deuren sluit, zoekt de stad een nieuw evenwicht. Ook Hasselt moet zijn centrum opofferen aan de consumptiemaatschappij en veranderen in de stad der smaak. We hebben hier allemaal deel aan, we zijn deel van deze processen, dacht ik wijselijk, enigszins poëtisch enigszins pathetisch, op de weg terug naar het hotel, hoewel we slechts gasten zijn en we al morgen afwezig zullen uitstappen op een station tussen Hasselt en Genk. Op een station waar alleen maar bomen zijn, en vertrekkende treinen. 


Citybooks Hasselt-Genk vond plaats in het kader van het ‘kunst in de open ruimte’-project De Unie Hasselt-Genk  ( www.citybooks.eu en www.uniehasseltgenk.be).