De hoofdstad

Stad: Antwerpen
Verschenen in: Graphic poem
Of beluister dit citybook hier:

Vertaald uit het Arabisch door Djuke Poppinga

 


‘Wat is de hoofdstad van Congo-Kinshasa?’

‘Antwerpen.’

 

In deze stad die zich voedt met diamanten,

groeit het prikkeldraad in de poëzie van de dichters,

sterven de afspraken op de kalender,

stopt mijn hand met het beroeren van je lippen,

stoppen de politieagenten met lachen,

stopt de taxi, waarvan de chauffeur in Damascus door de kogel van een scherpschutter is gedood, voor het Centraal Station van Antwerpen,

stopt de terreur in de PlayStation.

Ik neem mezelf onder de arm en stop met stoppen.

Ik denk na over de afstand tussen mijn lippen en jouw huid.

Alsof ik niet in 1979 ben geboren in het Yarmouk-kamp voor Palestijnse vluchtelingen.

Alsof jij niet bent geboren in het Melkwegstelsel.

 

In deze stad, waarin ze het bloed van de diamanten vegen met dezelfde zorg als waarmee artsen het bloed vegen van de wonden van de getroffenen van wie ze het leven hebben gered,

passeer ik met lichte tred, net zo licht als een tank die over het asfalt rolt,

en draag ik als een straatventer mijn gedichten met me mee.

Steeds wanneer ik in de richting van de zee loop, eet de woestijn me op,

de woestijn die opstijgt uit de koffers van de migranten,

en uit mijn paspoort, dat nog nooit door iemand is erkend, behalve door jou.

Ik ben de eigenaar van de gedichten die vertellen over de dood alsof ze vertellen over de hoop.

En de oorlog, alsof God bestaat.

Sinds mijn vrienden zijn gestorven, ben ik een eenzame wolf geworden.

Ik drijf de vreugde in een hoek en vertrap haar als een schadelijk insect.

Mijn doodgemartelde vrienden zitten naast me in hun mooiste kleren, alsof we een welkomstfeest bijwonen.

Mijn moeder zoekt me achter het prikkeldraad

om zich ervan te vergewissen dat ik nog steeds mijn plas doe op deze planeet.

 

Ik heb mijn kamer gereinigd van elk spoor van de dood

zodat jij, als ik je uitnodig voor een glas wijn,

niet het gevoel hebt dat ik, ook al ben ik in Stockholm,

nog steeds in Damascus woon.

 

In deze stad, die zich voedt met bloeddiamanten

herinner ik me de bloedbruiloft,

herinner ik me het vergeten.

Ik sta midden op een zwart-zwarte groepsfoto met dichters die hier zijn langsgekomen.

De voetnoten die jij naast mijn gedichten hebt achtergelaten, geven me over aan het verdriet.

Mijn hart verandert in een houten vogelverschrikker, om de vogels van Hitchcock te verjagen.

Mijn onschuldige hart, dat het niet verdraagt,

wordt net zo wreed als oprechte woorden

en de straat verandert in een schrift.

 

Jij bent de enige die in staat is de straat in een schrift te veranderen.

Onschuldig pak je mijn hand vast, zodat we samen de kop van het nieuwe jaar kunnen afhakken.

En dan stort de Wereldbank in,

komt de middenklasse in opstand tegen de migranten,

staat de veiligheidsman, gewapend met de geschiedenis, op om een dam te tekenen tussen de buitenwijken en blijdschap.

De huidskleur staat tussen ons in als een controlepost

tussen de haven die de vrijheid importeert

en de straat die loopt van de begraafplaats naar de slaapkamer.

Niet de oorlog heeft me uitgeput,

maar de gedichten die over de oorlog vertellen.

Niet de koude steden hebben me uitgeput,

maar de gedichten die vertellen van koude steden, hebben mijn vingers opgegeten.

En ik kan niet dansen zonder mijn vingers.

Zonder mijn vingers kan ik niet naar het oosten wijzen.

Een hartstilstand doodt de wandklok.

Mijn vrienden leggen valse getuigenissen af: dat het leven fantastisch is.

Deze stad implodeert, als een zwart gat.

Ik bedoel een groen gat.

En de straat rent angstig weg.

Dit is de eerste keer dat ik een straat door de straat zie rennen.

Het is de laatste keer dat ik zie dat een huis steunt op de lach van de trieste vrouw die ik in de keuken heb achtergelaten, in de hoop overeind te blijven

en op de geur van de kruiden die de granaat heeft verspreid, in de hoop in leven te blijven.

De buren zijn gevlucht zonder de geopende ramen met uitzicht op de slachting te sluiten,

zonder het kookboek te sluiten dat was opengeslagen op pagina 73.

De vogels van de naburige boom hebben zich naar het huis verplaatst

en zich genesteld in de half geopende keukenkast.

Ze zullen worden gedood door een mortiergranaat met een kaliber van 120 millimeter, gemaakt in de Sovjet-Unie, in het jaar 1987, voor de strijd tegen het imperialisme.

De kanarie is in zijn kooi omgekomen van de honger.

Dat is de oorlog.

Kanaries komen om van de honger in hun kooien, wanneer hun cipier is verdwenen.

Hun cipier, die het huis heeft verlaten en niet meer is teruggekeerd.

Het huis, dat is ingestort op de poëzie van de dichters die zijn verraden door hun land.

Hun land, dat hen vroeger tot tranen roerde en dat ze inmiddels bewenen.

En zie, nu declameren ze hun verdriet ten overstaan van vreemden.

Met hun gedichten breken ze de tijd.

Met hun handen luiden ze de klokken.

Maar niemand heeft tijd om de echo te horen, behalve een paar gevallenen.

De serveerster in de bar begint een discussie met me over het recht van de Syriërs op een fatsoenlijke dood,

waarbij het lichaam intact blijft,

in één stuk.

En over de eenzaamheid.

En over het recht dat een mens heeft om iemand te vinden naast wie hij ’s avonds kan slapen,

en het recht om die ander te laten liggen als hij ’s ochtends naar zijn werk gaat

zonder van hem te eisen dat hij vertrekt.

Goed.

Laten we deze zak vol stenen van onze rug halen

en door middel van het keyboard schreeuwen met zachte stem.

Wij, de gevallenen op het asfalt,

verklaren dat we moe zijn

en dat we onze blik afwenden van onze achtergronden.

We zitten immers in dezelfde shit.

Ook ik woon, net als jij, alleen, in een flat met drie vensters

waarvan er twee uitkijken op Antwerpen.

Het derde is het scherm van mijn computer, dat uitkijkt op Damascus.

‘Ben je weleens in Damascus geweest?’

‘Nee.’

‘Goed, dan zal ik proberen het voor je te beschrijven. In de zomer is de temperatuur 37 graden. Damascus is een stad waarin de temperatuur in de zomer overeenkomt met de lichaamstemperatuur van de mens.’

‘Ben je weleens in Antwerpen geweest?’

‘Nee.’

‘Goed, dan zal ik proberen het voor je te beschrijven. Antwerpen is een bloeddiamant, die schittert achter de wit verlichte etalages en wiens glans de schaduwen weerspiegelt van een zwarte man die hem in Kinshasa heeft gevonden, waarna de man zelf is aangetroffen met een kogel in zijn lijf, afgeschoten door zijn vriend, opdat een vrouw uit Montreal een ring zou dragen met een diamanten steen, geslepen in Tel Aviv, gekregen van haar man die was geboren in Buenos Aires, toen ze samen op reis waren naar de woestijn van Arizona, in de hoop dat ze hem zou vergeven dat hij haar had bedrogen met haar Zuid-Afrikaanse vriendin, toen hij in Dubai was om zijn geld wit te wassen.

‘Ken je het verschil en de overeenkomst tussen de woestijn en het witwassen van geld?’

‘Nee.’

‘Het verschil is dat de woestijn water nodig heeft en het witwassen van geld niet.’

‘En de overeenkomst?’

‘De overeenkomst is dat het witwassen van geld een droge manier van wassen is, net zo droog als de woestijn in Arizona.’

 

Goed, je kunt onmogelijk ontkennen dat ik in je ronddrijf als een vlinder in het magma.

Ik voed je met mijn woorden, zodat je langzaam groeit, zoals het hoopje puin, veroorzaakt door de botsing van jouw verdriet met mijn dagen.

Jouw aanwezigheid in mijn leven had een negatieve invloed op de poëzie van het postmodernisme op het noordelijke halfrond.

Ik moet je bekennen dat de houdbaarheid van veel van mijn gedichten is verlopen, vanwege de onverwachte verschijning van jouw metaforen.

Ik moet je ook bekennen dat er mede door jouw systematische campagnes om voetnoten toe te voegen aan mijn teksten

een gat is geslagen in het reservoir waarin de Arabische taal wordt bewaard.

En dat je me met voorbedachten rade inspiratie hebt gegeven

– volgens de wet van de dichters is dat een misdaad –.

En dat jouw details, verstrooid in de hoeken van mijn woning, me ertoe aanzetten om mijn televisie uit het raam te gooien

en te gaan zitten om jou te observeren als je bezig bent de tijd te doden.

Ook moet ik bekennen dat er veel verdachte dingen zijn, die gebeuren sinds ik de geur van je borsten heb geroken.

Bijvoorbeeld:

ik heb een aantal wijnglazen gebroken in de periode waarin ik naar mijn woning ben verhuisd.

De meeste hebben zelfmoord gepleegd door uit mijn handen te springen toen ik probeerde de resten van je lippenstift eraf te wassen.

Ik heb wat tijd gestolen, zodat ik mijn dag kon verlengen tot vijfentwintig uur.

Ik heb mijn gelaatstrekken vervalst om er gelukkig uit te zien.

Ik ben van je gaan houden.

Nadat ik je had ontmoet, heb ik in een interview gezegd dat ik maar twee keer in mijn leven heb gelogen.

Dat was mijn derde leugen.

Ondanks al het tragische geluk dat mijn leven moet doormaken,

heb jij geweigerd het genadeschot in de richting van mijn hoofd te lossen toen ik je smeekte dat te doen,

en heb je me een nieuw leven gegeven.

Je beschuldigt me van gebrek aan objectiviteit in mijn gedichten.

Goed, ik ben in mijn leven nooit objectief geweest, ik ben altijd vooringenomen geweest en ik heb altijd met twee maten gemeten, ik prefereerde de zwarten boven het racisme, het verzet boven de bezetters, de milities boven het leger, de indianen boven de bleekgezichten, de joden boven de nazi’s, de Palestijnen boven de Israëliërs, de migranten boven de neonazi’s, de zigeuners boven de grenzen, de oorspronkelijke bewoners boven de kolonisten, de kennis boven de godsdienst, het heden boven het verleden, het feminisme boven het patriarchaat, de vrouwen boven de mannen, jou boven alle vrouwen, Kafka boven de routine, de poëzie boven de fysica.

De fysica.

God vervloekte de fysica.

Waarom verdrinken de migranten en drijven ze, nadat ze hun laatste adem hebben uitgeblazen, op het water?

Waarom gebeurt niet het omgekeerde?

Waarom is het niet zo dat mensen blijven drijven als ze levend zijn en verdrinken wanneer ze dood zijn?

 

Goed.

Laten we dingen bij hun naam noemen.

Boeken zijn graven voor de gedichten.

Huizen zijn betonnen tenten.

Honden zijn wolven die genoegen hebben genomen met de vernedering.

Bidkleedjes doen me denken aan vliegende tapijten.

Mijn kamer is verliefd geworden op je groene schoenen.

Ik verdrink in jou, zoals de Syriërs verdrinken in de zee.

Mijn God.

Zie waar de oorlog ons heeft gebracht.

Zelfs in mijn gruwelijkste nachtmerries zou het niet in me zijn opgekomen

dat ik op een dag

in een gedicht zou zeggen:

Ik verdrink in jou, zoals de Syriërs verdrinken in de zee.

 

*

 

Elke granaat die op Damascus valt, scheurt een bladzijde uit een boek van Descartes.

Toen we geboren werden

was het leven gekleurd

en de foto’s waren zwart-wit.

Tegenwoordig zijn de foto’s in kleur

en is het leven zwart-wit geworden.